Выбрать главу

‘Toch zou het goed geweest zijn als we het hadden geweten,’ zei Lan scherp, zijn felheid gericht op Rhand. ‘Wanneer heb je hem precies gezien en waar?’

‘Dat heeft nu geen zin meer,’ zei Moiraine. ‘Ik wil niet dat de jongen denkt dat hij ergens schuld aan heeft als dat niet zo is. Ik ben net zo schuldig. Die vervloekte raaf van gisteren had mij moeten waarschuwen. En jou ook, oude vriend.’ Ze klakte boos met haar tong. ‘Ik was al te zeker, overmoedig, zo zeker dat de hand van de Duistere nog niet zo ver reikte. Niet zo sterk, nog niet. Al te zeker.’

Rhand keek haar vragend aan. ‘De raaf? Ik begrijp het niet.’

‘Aasvreters.’ Lans mond vertrok in afkeer. ‘De helpers van de Duistere gebruiken vaak verspieders die zich voeden met de dood. Vooral raven en kraaien. In de steden soms ratten.’

Rhand huiverde even. Raven en kraaien waren verspieders van de Duistere? Er vlogen nu overal raven en kraaien. De hand van de Duistere, had Moiraine gezegd. De Duistere was er altijd – dat wist hij wel – maar als je trachtte in het Licht te leven, probeerde goed te leven en hem niet noemde, dan kon hij je geen kwaad doen. Dat geloofde iedereen, dat kreeg je met de moedermelk al binnen. Maar wat Moiraine leek te zeggen...

Zijn ogen vielen op Tham en al het andere was op slag vergeten. Het gezicht van zijn vader was zichtbaar minder rood en zijn ademhaling klonk vrijwel normaal. Rhand zou opgesprongen zijn, als Lan hem niet had vastgegrepen. ‘U hebt hem genezen.’

Moiraine schudde haar hoofd en zuchrre. ‘Nog niet. Ik hoop dat het nog lukt. Trollokwapens worden gesmeed in de smidsen van het dal dal Thakan’dar wordt genoemd, op de uirlopers van Shayol Ghul zelf. Sommige van die wapens brengen het bederf van die plek over, als een boze bezoedeling in het metaal. Die smerige wapens slaan wonden die zonder hulp niet kunnen genezen, of ze veroorzaken dodelijke koortsen en vreemde ziekten waartegen geen kruid gewassen is. Ik heb je vaders pijn verminderd, maar de besmetting, het bederf, zit nog in hem. Als er niets aan wordt gedaan, zal het toenemen en hem verteren.’

‘Maar u gaat er iets aan doen?’ Rhands woorden waren gedeeltelijk een smeekbede, gedeeltelijk een bevel. Geschrokken besefte hij dat je op die manier niet tegen een Aes Sedai kon spreken, maar zijn toon leek haar niet op te vallen.

‘Ja, dat zal ik,’ zei ze eenvoudig. ‘Ik ben heel moe, Rhand, en sinds gisteravond heb ik niet de kans gekregen wat te rusten. Meestal is dat niet belangrijk, maar bij zo’n soort verwonding... Dit...’ – ze haalde een kleine rol witte zijde uit haar tas – ‘is een angreaal.’ Ze zag zijn gezichtsuitdrukking. ‘Je hebt dus van angrealen gehoord. Goed.’

Onbewust schoof hij verder weg, verder weg van haar en het voorwerp dat ze vasthield. Enkele verhalen vertelden over angrealen, die relieken uit de Eeuw der Legenden die door Aes Sedai werden gebruikt om hun grootste wonderen te verrichten. Verbaasd zag hij dat ze uit de zijde een glad ivoren beeldje haalde dat door de tijd donkerbruin verkleurd was. Het was niet groter dan haar hand, een vrouwenfiguur in een soepel vallend gewaad, met lang haar tot op de schouders.

‘We weten niet meer hoe ze werden gemaakt,’ zei ze. ‘Er is zoveel verloren gegaan, misschien voor altijd. Er zijn er nog maar zo weinig van over. De Amyrlin Zetel stond mij nauwelijks toe deze mee te nemen. Het is maar goed voor Emondsveld en voor je vader dat ze uiteindelijk toch toesremming heeft gegeven. Maar wees niet al te hoopvol. Zelfs hiermee kan ik weinig meer doen dan ik gisreravond zonder de angreaal heb gedaan en de besmetting is sterk. Die heeft al die tijd kunnen voortwoekeren.’

‘U kunt hem helpen,’ zei Rhand vastberaden, ik weet dat u het kunt.’

Moiraine glimlachte; haar lippen krulden even. ‘We zullen zien.’ Toen wendde ze zich weer naar Tham. Ze legde een hand op zijn voorhoofd, de andere omklemde het ivoren beeldje. Met gesloten ogen werd haar gezicht strak door haar intense concentratie. Ze leek amper adem te halen.

‘Die ruiter waarover je sprak,’ zei Lan zacht, ‘die jou bang maakte, dat was een Myrddraal.’

‘Een Myrddraal!’ riep Rhand uit. ‘Maar Schimmen zijn twintig voet lang en...’ Zijn woorden stierven weg onder de vreugdeloze grijns van de zwaardhand.

‘Schaapherder, soms maken verhalen dingen groter dan ze in werkelijkheid zijn. Geloof me: de waarheid over een Halfman is groot genoeg. Halfman, Lurk, Schim, Schaduwman, de naam verschilt van land tot land, maar betekent overaclass="underline" Myrddraal. Schimmen zijn afstammelingen van Trolloks, teruggefokt naar het menselijk ras dat de Gruwheren hebben gebruikr om de Trolloks te scheppen. Maar als het menselijke deel sterker wordt gemaakt, dan wordt ook de ontaarding die de Trolloks vervormt srerker. Halfmannen hebben bepaalde krachren, van het soort dat van de Duistere stamt. Alleen een heel zwakke Aes Sedai kan het niet tegen één Schim opnemen, maar vele sterke, goede mannen zijn door Schimmen gedood. Sinds de oorlogen aan het eind van de Eeuw der Legenden, sinds de Verzakers gekluisterd werden, zijn de Schimmen het brein geweest dat de Trollokvuisten verteld waar ze moeten aanvallen. In de dagen van de Trollok-oorlogen leidden de Halfmannen de Trolloks in de strijd, onder de Gruwheren.’

‘Hij maakte me bang,’ zei Rhand zwak. ‘Hij keek alleen maar en...’

Hij huiverde.

‘Daar hoef je je niet voor te schamen, schaapherder. Ze maken mij ook bang. Ik heb mannen gekend die hun hele leven soldaat waren geweest en verstarden als een vogeltje voor een slang wanneer ze tegenover een Halfman stonden. Er bestaat een gezegde in de Grenslanden langs de Verwording: “De blik van de Ooglozen is vrees.”’

‘De Ooglozen?’ vroeg Rhand en Lan knikte.

‘Myrddraal zien zo scherp als een arend, in het duister en overdag, maar ze hebben geen ogen. Ik kan weinig dingen bedenken die gevaarlijker zijn dan een Myrddraal het hoofd bieden. Moiraine Sedai en ik hebben allebei geprobeerd die ene te doden die hier gisteravond was en het mislukte iedere keer. Halfmannen hebben het geluk van de Duistere.’

Rhand slikte. ‘Een Trollok zei dat de Myrddraal met me wilde praten. Ik wist niet wat dat betekende.’

Lans hoofd schoot omhoog, zijn ogen waren als blauwe stenen. ‘Je hebt met een Trollok gepraat?’

‘Niet precies,’ stamelde Rhand. De blik van de zwaardhand hield hem vast. ‘Hij praatte tegen me. Hij zei dat hij mij geen pijn zou doen en dat de Myrddraal met me wilde praren. Toen probeerde hij me te doden.’ Hij bevochtigde zijn lippen en wreef zijn hand langs het knobbelige leer van het zwaardgevest. In korte, afgebeten zinnen vertelde hij hoe hij naar de boerderij was teruggekropen, in plaats daarvan doodde ik hem,’ besloot hij. ‘Per ongeluk, eigenlijk. Hij sprong op me af en ik had het zwaard in mijn hand.’

Lans gezicht verzachtte zich, als je tenminste kan zeggen dat steen zachter wordt. ‘Dan nog. Daar mag je best trots op zijn, schaapherder. Tot gisteravond waren er maar weinig mensen ten zuiden van de Grenslanden die konden zeggen dat ze een Trollok hadden gezien, laat staan er een hadden gedood.’

‘En nog minder mensen die een Trollok alleen en zonder hulp hebben gedood,’ zei Moiraine vermoeid. ‘Het is gedaan, Rhand. Lan, help me overeind.’

De zwaardhand schoot op haar toe, maar Rhand was sneller bij het bed. Thams huid voelde koel aan en zijn gezicht was bleek en uitgeput als dat van iemand die lang niet meer in de zon was geweest. Hij had zijn ogen nog dicht, maar lag rustig te ademen alsof hij in diepe slaap was.

‘Is hij nu beter?’ vroeg Rhand bezorgd.

‘Met voldoende rust zal hij weer beter worden,’ zei Moiraine. ‘Een paar weken in bed en hij is weer de oude.’ Ondanks Lans steun wankelde ze. Hij graaide haar mantel en staf van de zitting, zodat ze kon zitten. Ze maakte het zich met een zucht gemakkelijk. Langzaam en voorzichtig wikkelde ze de angrcaal weer in de lap en stopte hem terug in haar buidel.