Выбрать главу

Rhands schouders schokten; hij beet op zijn lip om niet in lachen uit te barsten, maar tegelijkertijd moest hij verwoed de tranen uit zijn ogen vegen. ‘Dank u.’

‘In de Eeuw der Legenden,’ vervolgde Moiraine, ‘konden sommige Aes Sedai het minste vonkje leven en gezondheid tot vlammen aanwakkeren. Die dagen zijn echter voorbij – mogelijk voor altijd. Er is zoveel verloren gegaan, en niet alleen de kunde van de angreaal. Er kon zoveel gedaan worden, dingen waar we nu niet meer van durven dromen, als we het ons al herinneren. We zijn nu met veel minder. Vele Talenten zijn vrijwel volkomen verdwenen en de overgebleven Talenten lijken zwakker. Nu moet het lichaam zowel wil als kracht kunnen putten, anders kunnen zelfs de sterksten onder ons het pad van Heling niet betreden. Gelukkig is je vader een sterke man, naar lichaam en geest. Toch heeft hij veel kracht verbruikt om het leven te behouden, maar wat hij overheeft, kan hij gebruiken voor zijn herstel. Dat zal tijd kosten, maar het bederf is weg.’

‘Ik kan u nooit terugbetalen,’ vertelde hij haar zonder zijn ogen van Tham af te wenden, maar ik wil alles voor u doen. Alles, wat dan ook.’ Hij dacht terug aan hun gesprek over de prijs en zijn belofte.

Nu, op zijn knieën naast Tham, meende hij het nog oprechter dan toen, maar toch was het niet gemakkelijk haar aan te kijken. ‘Alles. Zolang het niet in het nadeel is van het dorp of van mijn vrienden.’

Moiraine hief afwerend haar hand op. ‘Als je dat nodig vindt. Ik zou trouwens toch met je willen praten. Je zult ongetwijfeld tegelijk met ons vertrekken en dan kunnen we uitgebreid praten.’

‘Weggaan!’ riep hij overeind komend, is het echt zo erg? Ik dacht dat iedereen klaarstond om alles weer op te bouwen. We zijn erg gehecht aan Tweewater. Er gaat nooit iemand weg.’

‘Rhand..’

‘En waar moeren we heen? Padan Fajin vertelde dat het weer overal elders net zo slecht is. Hij is... hij was... de marskramer. De Trolloks...’ Rhand slikte en wilde dat Thom Merrilin niet had verteld wat Trolloks vraten. ‘Ik geloot dat ik het beste hier kan blijven, hier waar we thuishoren, in Tweewarer, om alles weer in orde te maken. Er komt een oogst aan en het is al zo warm dat we gauw de schapen moeten scheren. Ik weet niet wie er over weggaan begon, een van de Kopins, wed ik, maar wie het ook was...’

‘Schaapherder,’ onderbrak Lan, ‘jij praat wanneer je moet luisteren.’ Met de ogen knipperend stond hij voor hen. Hij stond half te bazelen, besefte hij, en hij had maar doorgerateld, terwijl zij iets wilde zeggen. Terwijl een Aes Sedai iets wilde zeggen. Hij vroeg zich af wat hij moest doen, hoe hij zich moest veronrschuldigen, maar Moiraine glimlachte terwijl hij daar nog over nadacht.

‘Ik begrijp hoe je je voelt, Rhand,’ zei ze en hij had het onprettige gevoel dat ze het inderdaad begreep. ‘Denk er maar niet verder over.’ Haar mond verstrakte en ze schudde het hoofd. ‘Ik zie dat ik het slecht aangepakt heb. Ik had eerst moeten rusten, veronderstel ik. Jij bent het die vertrekken moet, Rhand. Jij moet weggaan, omwille van je dorp.’

‘Ik?’ Hij schraapte zijn keel en probeerde het opnieuw, ik?’ Het klonk nu wat beter. ‘Waarom moet ik gaan? Ik begrijp er helemaal niets van. Ik wil nergens heen gaan.’

Moiraine keek Lan aan en de zwaardhand deed zijn armen van elkaar. De ogen onder zijn leren hoofdband namen hem op en Rhand kreeg het gevoel dat hij weer op een onzichtbare weegschaal werd gelegd. ‘Weet je,’ zei Lan opeens, ‘dat sommige huizen niet zijn aangevallen ?’

‘Het halve dorp ligt in de as,’ protesteerde hij, maar de zwaardhand wuifde zijn woorden weg.

‘Sommige huizen werden in brand gestoken om verwarring te scheppen. De Trolloks negeerden ze later, ook de bewoners die vluchtten, tenzij ze hen bij de echte aanval voor de voeten liepen. Het merendeel van de mensen die van de afgelegen boerderijen kwamen, heeft nauwelijks een Trollok gezien en dan nog hoogstens van een afstand. De meesten wisten niet eens dat er moeilijkheden waren tot ze in het dorp kwamen.’

‘Ik heb wel gehoord van Darl Kopin,’ zei Rhand langzaam, ‘ik vermoed dat het niet tot me is doorgedrongen.’

‘Twee boerderijen zijn aangevallen,’ ging Lan verder. ‘Die van jullie en nog een. Maar door Beltije was iedereen van die andere boerderij al in het dorp. Veel mensen hebben het overleefd omdat de Myrddraal niet bekend was met de gebruiken van Tweewater. Het feest en Winternacht maakten zijn werk bijna onmogelijk, maar dat wist hij niet.’

Rhand keek naar Moiraine, die rechtop regen de stoelrug zat, maar niets zei en hem alleen maar aankeek met een vinger voor haar mond.

‘Onze boerderij, en van wie was de andere?’ vroeg hij ten slotte.

‘De boerderij van Aybara,’ antwoordde Lan. ‘Hier in Emondsveld sloegen ze eerst toe bij de smidse, het huis van de smid en het huis van baas Cauton.’

Rhands mond voelde plotseling droog aan. ‘Da’s gek,’ wist hij uit te brengen. Hij schoot overeind toen Moiraine zich oprichtte.

‘Niet gek, Rhand,’ zei ze. ‘Doelbewust. De Trolloks zijn niet bij toeval naar Emondsveld gekomen en ze hebben dit alles niet gedaan vanwege hun plezier in doden en brandstichten, hoe graag ze dat ook doen. Zij wisten wat, of liever wie, ze wilden hebben. De Trolloks kwamen jongemannen doden of gevangennemen, jongemannen van een bepaalde leeftijd die in of bij Emondsveld leven.’

‘Van mijn leeftijd?’ Rhands stem beefde, maar hij gaf er niet om.

‘Licht! Mart! En Perijn?’

‘In leven en gezond,’ stelde Moiraine hem gerusr, ‘alleen wat beroet.’

‘Ben Craaf en Lem Tan?’

‘Hebben geen moment gevaar gelopen,’ zei Lan. ‘Tenminste, niet meer dan iemand anders.’

‘Maar zij hebben die ruiter, de Schim, ook gezien en zij zijn van dezelfde leertijd als ik.’

‘Het huis van baas Craaf was niet eens beschadigd,’ zei Moiraine, ‘en de molenaar en zijn gezin sliepen door de helft van de aanval heen voor ze door het lawaai werden gewekr. Ben is tien maanden ouder dan jij en Lem is acht maanden jonger.’ Ze glimlachte droogjes om zijn verbazing, ik heb je verreld dat ik vragen stelde. En ik heb ook gezegd: jongens van een bepaalde leeftijd. Jij en je twee vrienden verschillen maar een paar weken van elkaar. De Myrddraal was op jullie drieën uit, en op niemand anders.’

Rhand bewoog zich ongemakkelijk en wilde dat ze hem niet op die manier aankeek, alsof haar ogen gaten in zijn hersens brandden en lazen wat er in het kleinste hoekje te vinden was. ‘Wat zouden ze van ons willen? We zijn maar boeren, schaapherders.’

‘Op die vraag is in Tweewarer geen antwoord te vinden,’ zei Moiraine kalm, ‘maar het antwoord is belangrijk. Dat kunnen we wel opmaken uit het feit dat hier voor het eerst in tweeduizend jaar Trolloks zijn gezien.’

‘Veel verhalen gaan over overvallen van Trolloks,’ zei Rhand koppig. ‘We hebben er hier gewoon nog nooit een gehad. Zwaardhanden vechten voortdurend tegen Trolloks.’

Lan snoof. ‘Jongen, ik verwacht dat ik in de Verwording tegen Trolloks moet vechten, maar niet hier, niet bijna zeshonderd span naar het zuiden. Zo’n zware overval als die van vannacht verwacht ik in Shienar of in een ander Grensland.’

‘In een van jullie,’ zei Moiraine, ‘of in alledrie is er iets wat de Duistere vreest.’

‘Dat... is onmogelijk.’ Rhand strompelde naar het venster en keek naar het dorp, waar de mensen tussen de bouwvallen aan het werk waren. ‘Wat er ook gebeurd is, dat is gewoon onmogelijk.’

Iets op de Brink trok zijn aandacht. Hij staarde ernaar en besefte toen dat het de geblakerde stomp van de Lenteboom was. Een mooie Beltije, meteen marskramer, een speelman en vreemdelingen. Hij huiverde en schudde heftig zijn hoofd. ‘Nee. Nee, ik ben een schaapherder. De Duistere kan geen belangstelling voor mij hebben.’