Rhand zuchtte. Hij hoefde niet te vragen welke boerderijen. ‘Hebben ze hier in het dorp... Ik bedoel, kon u ergens uit opmaken wat ze wilden?’
‘Wilden, jongen? Ik weet niet wat ze wilden, behalve misschien ons allemaal vermoorden. Het gebeurde zoals ik je vertelde. De honden blaften en Moiraine Sedai en Lan renden door het dorp, en toen schreeuwde iemand dat het huis van baas Lohan en de smidse in brand stonden. Nou, toen laaiden de vlammen op uit het huis van Abel Cauton... wel vreemd. Het staat bijna midden in het dorp. Nou ja, en toen stonden de Trolloks vlak voor onze neus. Nee, ik denk niet dat ze iets bepaalds wilden.’ Hij liet een blaffend gelach horen en hield zich na een behoedzame blik op zijn vrouw weer in. Ze bleef naar Tham kijken. ‘Om je de waarheid te zeggen,’ vervolgde hij op zachtere toon, ‘ze leken haast even erg in de war als wij. Ik vraag me af of ze verwacht hadden hier een Aes Sedai of een zwaardhand aan te treffen.’
‘Ik denk van niet,’ zei Rhand met een grimas.
Als Moiraine hierover de waarheid had verteld, dan zou ze ook over de rest niet hebben gelogen. Even overwoog hij de dorpsmeester om raad te vragen, maar meester Alveren wist duidelijk even weinig van Aes Sedai als de andere dorpelingen. Bovendien wilde hij zelfs de dorpsmeester niet echt vertellen wat er volgens Moiraine aan de hand was. Hij wist niet of hij banger was om uitgelachen te worden dan om geloofd te worden. Hij wreef met zijn duim over het gevest van Thams zwaard. Zijn vader was in de buitenwereld geweest; hij moest meer van Aes Sedai weten dan de dorpsmeester. Maar als Tham echt buiten Tweewater was geweest, dan waren de woorden die hij in het Westwoud had geijld... Hij haalde beide handen door zijn haar en weigerde er verder over na te denken.
‘Je moet slapen, jongen,’ zei de dorpsmeester.
‘Ja, inderdaad,’ voegde vrouw Alveren eraan toe. ‘Je valt bijna om van de slaap.’
Rhand knipperde met zijn ogen en keek haar verrast aan. Het was nog niet eens tot hem doorgedrongen dat ze niet meer bij zijn vader stond. Hij had echt slaap nodig; de gedachte alleen al deed hem gapen.
‘Neem het bed in de kamer hiernaast maar;’ zei de dorpsmeester. ‘De haard is al aan.’
Rhand keek naar zijn vader. Tham was nog diep in slaap, waardoor hij opnieuw gaapte, ‘ik blijf liever hier, als u het niet erg vindt. Voor het geval hij wakker wordt.’
Zaken van het ziekbed behoorden tot het domein van vrouw Alveren en de dorpsmeester liet dat aan haar over. Ze aarzelde maar heel even voor ze knikte. ‘Maar laat hem uit zichzelf wakker worden. Als jij zijn slaap verstoort...’ Hij probeerde nog te zeggen dat hij zou doen wat ze zei, maar de woorden raakten verstrikt in een nieuwe geeuw. Ze schudde glimlachend het hoofd. ‘Je slaapt zelf binnen de kortste keren. Als je hier wilt blijven, maak het je dan gemakkelijk bij het haardvuur. En drink wat van die soep voor je wegdoezelt.’
‘Dat doe ik,’ zei Rhand. Hij vond alles goed, als hij maar in deze kamer mocht blijven. ‘En ik maak hem niet wakker.’
‘Denk eraan,’ zei vrouw Alveren streng maar niet onvriendelijk, ik zal wat dekens en een kussen brengen.’
Toen de deur eindelijk achter hen sloot, sleepte Rhand de enige stoel die de kamer rijk was naast het bed en ging zo zitten dat hij Tham kon zien. Vrouw Alveren had makkelijk praten over slapen – zijn kaken knapten toen hij een geeuw onderdrukte – maar hij kon nog niet slapen. Tham kon elk moment bijkomen en bleef misschien maar heel even wakker.
Rhand wilde daarop wachten.
Hij grimaste, zocht een andere houding en duwde het zwaardgevest uit zijn ribben. Hij voelde nog steeds een weerzin om iemand te vertellen wat Moiraine had gezegd, maar dit was Tham, zijn... Onbewust klemde hij vastberaden zijn kaken op elkaar. Mijn vader. Ik kan mijn vader alles zeggen.
Hij ging anders zitten en legde zijn hoofd tegen de rugleuning. Tham was zijn vader en niemand kon hem voorschrijven wat hij wel of niet aan zijn vader mocht vertellen. Hij hoefde alleen maar wakker te blijven tot Tham wakker werd. Hij hoefde alleen...
9
Vertellingen van het Rad
Rhands hart bonsde als een razende tijdens het rennen en hij keek wanhopig naar de kale heuvels om zich heen. Dit was niet zomaar een gebied waar de lente laat kwam. Hier was de lente nog nooit geweest en hier zou het ook nooit lente worden. Er groeide niets in de koude aarde die onder zijn laarzen knerpte, nog geen polletje korstmos. Hij klauterde over rotsen die twee keer zo groot waren als hijzelf; stof bedekte het gesteente alsof er nooit een druppel regen op was gevallen. De zon was een gezwollen bloedrode bol, wreder dan op de heetste zomerdag en fel genoeg om zijn ogen te verblinden; ze stak dreigend af tegen een hemel die net een loden ketel was waarin scherpe zwarte en zilverkleurige wolken rolden en kolkten tot aan de verste verten. Maar onder die voortwentelende wolken bewoog geen briesje, nog geen zuchtje wind over het land, en ondanks de zon was de lucht zo koud als in het hart van de winter.
Rhand keek vaak om onder het rennen, maar hij kon zijn achtervolgers niet zien. Hij zag slechts verlaten heuvels en getande zwarte bergen, die hoge pluimen zwarte rook uitwalmden, die zich vermengden met de voortijlende wolken. Maar al kon hij zijn jagers niet zien, hij hoorde ze wel achter zich huilen; schorre stemmen schreeuwend in de opwinding van de jacht, jankend van vreugde over het bloed dat weldra zou gaan vloeien. Trolloks. Ze kwamen dichterbij en hij had vrijwel geen kracht meer.
Met wanhopige haast klauterde hij naar de top van een messcherpe heuvelrug en liet zich toen kreunend op zijn knieën zakken. Onder hem lag een loodrechte kale rotswand, een klif dat zich in een duizend voet diepe kloof stortte. Dampige nevels versluierden de bodem van de kloof en de dichte grijze oppervlakte rolde als grimmige golven af en aan, trager echter dan elke branding. Mistflarden gloeiden plotseling rossig op alsof in de diepte grote kampvuren opvlamden en doofden. Donderslagen rommelden in de diepten van het dal en bliksems kraakten door het grijs, haalden soms uit naar de hemel.
Het was niet het dal dat zijn kracht opzoog en de ontstane leegte vulde met machteloosheid. Te midden van de woedende dampen rees een berg omhoog, een berg groter dan alles wat hij ooit had gezien in de Mistbergen, een berg zo zwart als het verlies van alle hoop. Die dreigende zwarte rotstand, een dolk die in de hemel stak, was de oorzaak van zijn verlatenheid. Hij had hem nooit eerder gezien, maar hij kende hem. De herinnering sprong weg als kwik toen hij hem probeerde aan te raken, maar de herinnering bestond. Hij wist dat die er was.
Onzichtbare vingers raakten hem aan, trokken aan zijn armen en benen en probeerden hem naar de berg te slepen. Zijn lichaam bewoog, wilde gehoorzamen, maar zijn armen en benen verstijfden alsof hij dacht dat hij zijn vingers en tenen in de rots kon steken. Spookachtige koorden omsloten zijn hart, trokken aan hem, riepen hem naar de bergspits. Tranen stroomden over zijn gezicht en hij zakte op de grond. Hij voelde hoe zijn wil wegvloeide als water uit een kapotte kruik. Nog maar even en hij zou gaan waarheen hij werd geroepen.
Hij zou gehoorzamen, doen wat hem werd opgedragen. Plotseling ontdekte hij een nieuw gevoeclass="underline" boosheid. Duwen, trekken, hij was geen schaap dat in een kooi werd opgesloten! De boosheid balde zich samen tot een harde knoop en hij klampte zich eraan vast als aan een vlot in een overstroming.
Dien mij, fluisterde een stem in de stilte van zijn geest. Een bekende stem. Als hij goed genoeg luisterde, zou hij die stem zeker herkennen. Dien mij. Hij schudde zijn hoofd om de stem te verjagen. Dien mij! Hij balde zijn vuist tegen de zwarte berg. ‘Het Licht vertere je, Shai’tan!’
Plotseling lag de geur van de dood als een deken over hem heen. Een gestalte torende boven hem uit, in een mantel met de kleur van gedroogd bloed, een gestalte met een gezicht... Hij wilde het gezicht dat op hem neerkeek niet zien. Hij wilde niet aan dat gezicht denken. Het deed pijn eraan te denken, het verschroeide zijn geest tot sintels. Een hand reikte naar hem. Hij gaf er niet om of hij over de rand viel en gooide zichzelf opzij. Hij moest weg zien te komen. Ver weg. Hij viel, met zijn armen maaiend in de lucht; hij wilde het uitschreeuwen, maar vond geen adem.