Выбрать главу

Plotseling was hij niet langer in het kale land, viel hij niet meer. Zijn laarzen pletten wintergrauw gras; het leken wel bloemen. Hij lachte bijna bij het zien van de bladerloze bomen en struiken, verspreid over de zachtglooiende vlakte die hem nu omringde. In de verte verrees een enkele berg met een gebroken, gespleten top, maar die berg bracht geen vrees of wanhoop. Het was gewoon een berg, hoewel hij onwezenlijk aandeed, want verder waren er geen bergen zichtbaar.

Een brede rivier stroomde langs de berg en op een eiland in het midden van die rivier verrees een stad als uit een speelmansverhaal, een stad omringd door hoge muren die wit en zilverachtig straalden onder de warme zon. In een mengeling van opluchting en vreugde ging hij op weg naar de muren. Op de een of andere manier wist hij dat hij daarachter veiligheid en rust zou vinden.

Toen hij dichterbij kwam, onderscheidde hij hoog oprijzende torens, waarvan er vele verbonden waren door wonderbaarlijke voetbruggen die de open hemel overspanden. Hoge bruggen bogen zich van beide rivieroevers naar de eilandstad. Zelfs van een afstand kon hij het kantachtige steenwerk in de overspanningen zien, schijnbaar te fragiel om de snelle stroom te weerstaan. Voorbij die bruggen was het veilig. Een toevluchtsoord.

Plotseling trok er een kilte door zijn botten, een ijzige klamheid zette zich op zijn huid vast en de lucht om hem heen werd ranzig en bedompt. Zonder om te kijken rende hij weg van de achtervolger die met vorstvingers over zijn rug streek en aan zijn mantel trok. Hij rende weg van die licht opslorpende gestalte met het gezicht dat... Hij kon zich het gezicht niet herinneren, alleen als een gruwel. Hij weigerde zich het gezicht te herinneren. Hij rende, en de grond gleed onder zijn voeten voorbij, rollende heuvels en platte vlakten... en hij wilde janken als een hond die dol werd. De stad trok zich voor hem terug. Hoe harder hij rende, hoe verder de witte glanzende muren en het toevluchtsoord zich terugtrokken. Ze werden kleiner en kleiner, tot er slechts een bleke vlek aan de horizon overbleef. De koude hand van zijn achtervolger greep zijn kraag. Als die vingers hem raakten, wist hij, zou hij krankzinnig worden. Of erger. Veel erger. Juist toen hij dit besefte, struikelde hij en viel...

‘Neee! gilde hij.

... en hij kreunde toen straarstenen de lucht uit zijn longen persten. Verwonderd stond hij op. Hij stond op een toegangsweg naar een van die prachtige bruggen die hij eerder had gezien, die de rivier overspanden. Glimlachende mensen liepen hem aan beide kanten voorbij, mensen die in zoveel verschillende kleuren waren gekleed dat ze hem deden denken aan een akker vol veldbloemen. Sommigen van hen spraken hem aan, maar hij begreep hen niet, hoewel de woorden klonken alsof dat wel zou moeten. Maar de gezichten stonden vriendelijk en de mensen gebaarden hem verder te gaan, over de brug met zijn ingewikkelde metselwerk, verder naar de glanzende, met zilver doorschoten muren en de torens erachter. Naar de veiligheid, waarvan hij wist dat die daar zou zijn.

Hij sloot zich aan bij de massa die over de brug de stad in stroomde door geweldige poorten in hoge zuiverwitte muren. Daarbinnen was een wonderbaarlijk land waar zelfs het gewoonste bouwsel een paleis leek. Het was alsof de bouwers was opgedragen steen, mortel en tegel te nemen en schoonheid te scheppen die je de adem benam. Er was geen gebouw, geen monument, of hij bleef er met uitpuilende ogen naar staren. Muziek zweefde door de straten, in honderden verschillende liederen en vermengde zich met het geroezemoes van de menigte om een grootse vreugdevolle harmonie te scheppen. De geuren van zoet reukwater en scherpe kruiden, van verrukkelijk voedsel en duizenden bloemen warrelden rond alsof iedere heerlijke geur van de wereld hier verzameld was.

De straat waarover hij de stad binnenkwam, was breed en geplaveid met gladde grijze steen, en strekte zich recht voor hem uit naar het hart van de stad. Aan het eind verrees een toren die groter en hoger was dan elke andere in de stad, een toren zo wit als pas gevallen sneeuw. In die toren waren de veiligheid en de kennis die hij zocht. Maar de stad was zoveel mooier dan hij ooit had kunnen dromen. Het zou toch zeker niet erg zijn als hij een korte tijd wachtte voor hij naar de toren ging? Hij liep een smallere straat in waar kunstenmakers rondzwierven tussen straatventers van vreemde vruchten.

Aan het eind van de straat stond een sneeuwwitte toren. Dezelfde toren. Nog heel even, dacht hij, en hij ging een volgende hoek om. Ook hier stond aan het eind de witte toren. Koppig sloeg hij weer af, en nog eens, en iedere keer vielen zijn ogen op de albasten toren. Hij draaide zich om, wilde ervan wegrennen, maar stond glijdend stil.

Vóór hem was de witte toren. Hij was bang om over zijn schouders te kijken, bang dat de toren ook daar zou staan.

De gezichten om hem heen waren nog vriendelijk, maar vervuld van verslagen hoop, hoop die hij vernietigd had. Toch gebaarden de mensen hem verder te gaan, gebaarden smekend naar de toren. Hun ogen glansden in wanhopige nood en alleen hij kon die vervullen, alleen hij kon hen redden.

Goed dan, dacht hij. Hij wilde per slot van rekening toch al naar de toren.

Meteen bij de eerste stap verdween de teleurstelling in de ogen om hem heen en sierde een glimlach elk gezicht. Ze trokken met hem mee en kleine kinderen strooiden bloemblaadjes op zijn weg. Hij keek verward om en vroeg zich af voor wie die bloemen waren, maar achter hem zag hij slechts meer glimlachende mensen die hem gebaarden verder te gaan. Die moeten voor mij zijn, dacht hij en hij vroeg zich af waarom dat opeens helemaal niet vreemd meer leek. Maar de verwondering verdween al snel; alles was zoals het behoorde te zijn.

Toen begon iemand te zingen, vervolgens viel een tweede stem in, tot iedere stem zich verhief in een glorieus gezang. Hij kon de woorden nog steeds niet begrijpen, maar een tiental harmonieën verweefde zich en verkondigde vreugde en redding. Muzikanten mengden zich onder de toestromende mensen en voegden fluiten, harpen en trommels in vele soorten toe aan de lofzang, en alle liederen die hij eerder had gehoord, versmolten met elkaar. Meisjes dansten om hem heen, legden slingers van zoet ruikende bloesems om zijn schouders en vlochten die vast. Ze glimlachten hem toe en hun verrukking groeide met iedere stap die hij nam. Hij moest wel teruglachen. Zijn voeten popelden om mee te dansen en terwijl hij eraan dacht, danste hij, maakte de juiste passen alsof hij ze al vanaf zijn geboorte kende. Hij hield zijn hoofd achterover en lachte, zijn voeten waren lichter dan ooit tevoren, dansend met... Hij wist de naam niet meer, maar het leek niet van belang.

Het is je bestemming, fluisterde een stem in zijn hoofd en de fluistering was een leidraad in de grote lofzang.

Als een blaadje op een golf droeg de menigte hem mee toen ze een geweldig plein in het midden van de stad op stroomden. Voor het eerst zag hij dat de witte toren oprees uit een groots paleis van bleek marmer, meer gebeeldhouwd dan gebouwd, met rondgaande muren, prachtige koepels en ranke spitsen die naar de hemel wezen. Hij snakte bewonderend naar adem bij de aanblik van dit alles. Brede trappen van zuiver witte steen leidden van het plein omhoog en aan de voet van die treden hielden de mensen halt, maar hun gezang steeg nog steeds hoger. De aanzwellende stemmen lieten zijn voeten zweven. Je bestemming, fluisterde de stem, doordringend nu, gretig. Hij danste niet meer, maar bleef evenmin staan. Hij beklom zonder aarzeling de treden. Hier hoorde hij.

De zware deuren boven aan de trappen waren overdekt met versieringen, met houtsnijwerk zo ingewikkeld en verfijnd dat hij zich niet kon voorstellen dat een mes zo kunstig kon snijden. De dubbele poorten zwaaiden open en hij ging naar binnen. Ze sloten zich achter hem met een dreunende klap.

‘We hebben op je gewacht,’ siste de Myrddraal.