Met een schok zat Rhand kaarsrecht overeind. Hij snakte naar adem en rilde met opengesperde ogen. Tham lag nog te slapen. Langzaam werd zijn ademhaling rustiger. Half verbrande houtblokken gloeiden in de haard in een bed van steenkool dat rond het rooster was op gebouwd; iemand had het vuur bijgehouden terwijl hij sliep. Bij zijn voeten lag een deken, die was gevallen toen hij wakker werd. De zelfgemaakte baar was ook verdwenen en hun mantels hingen bij de deur.
Hij veegde met een onvaste hand het koude zweet van zijn gezicht en vroeg zich af of het noemen van de Duistere in een droom zijn aandacht net zo zou trekken als wanneer je het hardop deed.
De schemering verduisterde het venster, de maan stond al hoog aan de hemel, rond en vol, en de avondsterren schitterden boven de Mistbergen. Hij had de hele dag geslapen. Hij wreef over een zere plek in zijn zij. Klaarblijkelijk had hij geslapen terwijl het gevest van het zwaard in zijn ribben porde. Als je dat optelde bij een lege maag en de gebeurtenissen van de vorige nacht, was het geen wonder dat hij die nachtmerrie had gehad.
Zijn maag rommelde en hij stond stijfjes op en liep naar de tafel waar vrouw Alveren het blad had neergezet. Hij trok de witte doek weg. Ondanks de tijd die hij had geslapen, was de vleessoep nog warm, evenals het knapperige brood. Daar had vrouw Alveren de hand in gehad: het blad was vervangen. Als zij eenmaal had besloten dat je een warme maaltijd nodig had, rustte ze niet voor die in je maag zat.
Hij lepelde wat soep naar binnen en nam nog net de moeite wat vlees en kaas tussen twee stukken brood te leggen voor hij die in zijn mond propte. Grote happen nemend liep hij terug naar het bed.
Vrouw Alveren had klaarblijkelijk Tham eveneens verzorgd. Hij was uitgekleed en zijn kleren hingen nu schoon en netjes opgevouwen over het nachtkastje. De deken was tot aan zijn kin opgetrokken. Toen Rhand het voorhoofd van zijn vader aanraakte, deed Tham zijn ogen open.
‘Ah, daar ben je, jongen. Marin zei dat je er was, maar ik kon niet eens overeind komen om je te zien. Ze zei dat je te moe was om je alleen re wekken omdat ik je wilde zien. Zelfs Bran kan niet om haar heen als ze zich iets voorgenomen heeft.’
Thams stem klonk zwak, maar zijn ogen stonden helder en vast. De Aes Sedai had gelijk, dacht Rhand. Met rust zou hij weer helemaal de oude worden.
‘Wilt u iets eten? Vrouw Alveren heeft een blad met eten achtergelaten.’
‘Ik heb al gegeten... als je het zo mag noemen. Ik mocht alleen maar soep. Een man moet wel nachtmerries krijgen als hij alleen maar soep in...’ Tham haalde een hand onder de sprei vandaan en raakte het zwaard aan dat Rhand droeg. ‘Dus het was geen droom. Toen Marin me zei dat ik ziek was, dacht ik dat ik... Maar met jou is alles goed. Dat is het belangrijkste. Hoe staat het met de boerderij.’
Rhand haalde diep adem. ‘De Trolloks hebben de schapen gedood. Ik denk ook dat ze de koe hebben gestolen en het huis moet een grote schoonmaak krijgen.’ Hij kon een zwak glimlachje opbrengen. ‘Wij hadden meer geluk dan anderen. Ze hebben het halve dorp in brand gestoken.’
Hij vertelde Tham alles wat er was gebeurd, althans het grootste deel. Tham luisterde aandachtig en stelde indringende vragen, zodat Rhand ook moest vertellen over zijn terugkeer uit het bos naar de boerderij en daarmee ook het verhaal van de Trollok die hij had gedood. Hij moest vertellen dat Nynaeve had gezegd dat Tham stervende was om uit te leggen waarom de Aes Sedai hem had verzorgd en niet de Wijsheid. Tham zette grote ogen op toen hij hoorde dat er een Aes Sedai in Emondsveld was. Maar Rhand vond het niet nodig over elk detail van zijn reis naar Emondsveld te vertellen of over zijn angst of over de Myrddraal op de weg. En zeker niet over zijn nachtmerries toen hij in de stoel sliep. En hij zag ook geen enkele reden Thams koortsige ijlen te noemen. Nog niet. Het verhaal van Moiraine kon hij echter niet omzeilen.
‘Nou, dat is een verhaal waarop een speelman trots zou zijn,’ mompelde Tham toen hij alles gehoord had. ‘Wat zouden Trolloks van jongens als jij willen? Of de Duistere? Het Licht sta ons bij.’
‘Denkt u dat ze loog? Meester Alveren zei dat ze de waarheid sprak toen ze zei dat er maar twee boerderijen waren aangevallen. En over de huizen van baas Lohan en baas Cauton.’
Tham bleef even stil liggen voor hij zei: ‘Vertel me wat ze zei. Let op, precies wat ze zei, zoals ze het vertelde.’
Rhand dacht diep na. Wie herinnerde zich nu ooit precies wat hij had gehoord? Hij beet op zijn lip, krabde op zijn hoofd en stukje bij beetje kwam het eruit, zo goed als hij het zich herinnerde. ‘Ik kan verder niets meer bedenken,’ besloot hij. ‘Van sommige dingen ben ik niet zeker of ze het niet een tikkeltje anders zei, maar het komt er in ieder geval in de buurt.’
‘Het is goed genoeg. We moeten het ermee doen, niet? Kijk, jongen, Aes Sedai zijn handig. Ze liegen niet, tenminste niet echt, maar de waarheid van een Aes Sedai is niet altijd de waarheid die je denkt te horen. Je moet voor haar oppassen, beloof me dat.’
‘Natuurlijk beloof ik dat. Ik ken de verhalen toch?’ antwoordde Rhand. ‘Ik ben geen kind meer.’
‘Nee, dat zal wel niet.’ Tham zuchtte diep en haalde toen geërgerd zijn schouders op. ‘Maar het zou het beste zijn als ik met je meeging. De wereld buiten Tweewater is niet met Emondsveld te vergelijken.’
Hier was een mogelijkheid Tham te vragen naar de wereld daarbuiten en de rest, maar Rhand liet het rusten. In plaats daarvan keek hij Tham met open mond aan. ‘En dat zegt u zomaar? Ik dacht dat u het me uit m’n hoofd zou praten. Ik dacht dat u wel honderd redenen zou aanvoeren om niet te gaan.’ Hij besefte dat hij had gehoopt dat Tham wel honderd redenen zou hebben, goede redenen. ‘Misschien geen honderd,’ zei Tham snuivend, ‘maar ik heb er wel enkele bedacht. Ze stellen alleen niet zoveel voor. Als de Trolloks je achtervolgen, ben je in Tar Valon veiliger dan je hier ooit kunt zijn. Maar denk aan je belofte goed op te passen. Aes Sedai doen dingen om hun eigen redenen en dat zijn niet altijd de redenen die jij denkt.’
‘De speelman zei ook al zoiets,’ merkte Rhand langzaam op.
‘Dan weet hij waarover hij praat. Je moet goed luisteren, diep nadenken en niet zomaar wat zeggen. Dat is een goede raad voor alles wat je buiten Tweewater doet, maar helemaal bij Aes Sedai. En ook bij de zwaardhanden. Vertel Lan iets en je hebt het aan Moiraine verteld. Als hij een zwaardhand is, dan heeft hij een sterke binding met haar. Dat is even zeker als de zon die vanochtend opkwam; hij zal weinig geheimen voor haar hebben.’
Rhand wist maar weinig van de binding tussen een Aes Sedai en een zwaardhand, hoewel ze een belangrijke rol speelde in elk verhaal over zwaardhanden dat hij kende. Het had iets te maken met de Kracht,een soort geschenk aan de zwaardhand, of misschien een of andere ruil. De zwaardhanden hadden er volgens de verhalen allerlei voordelen van. Ze herstelden sneller dan andere mensen en konden langer zonder voedsel, water of slaap. Naar verluidt zouden ze Trolloks kunnen bespeuren als ze dichtbij genoeg waren, en ook andere schepsels van de Duistere. Dat verklaarde waarom Lan en Moiraine als eersten het dorp hadden kunnen waarschuwen voor de aanval. Over wat Aes Sedai uit de binding wonnen, zwegen de verhalen, maar hij kon niet geloven dat zij er geen voordeel uit haalden.
‘Ik zal goed oppassen,’ beloofde Rhand weer. ‘ik zou alleen graag willen weten waarom. Ik begrijp er niets van. Waarom ik? Waarom wij?’
‘Ik wou dat ik het ook wist, jongen. Bloed en as, ik wou dat ik het wist.’ Tham zuchtte diep. ‘Nou ja, het heeft geen zin een dooier weer terug te stoppen in de schaal, veronderstel ik. Moet je al gauw vertrekken? Ik zal over een dag of twee wel uit bed mogen en dan kunnen we aan een nieuwe kudde gaan denken. Orwen Dotriet heeft wat goed vee en misschien wil hij dat wel kwijt nu de weilanden zo kaal zijn, net als Jon Tan misschien.’
‘Moiraine... de Aes Sedai zei dat je in bed moest blijven. Ze had het over weken.’
Tham wilde wat zeggen, maar Rhand ging door. ‘En ze heeft met vrouw Alveren gepraat.’