Выбрать главу

Toen renden ze als beesten voor een bosbrand weg, met geen ander doel dan ontsnappen. Naar het noorden en het zuiden vluchtten ze. Duizenden verdronken bij hun poging de Tarendrelle zonder hulp van de Gruwheren over te steken en ze verwoestten de bruggen over de Manetherendrelle in hun angst voor wat hen mogelijk achtervolgde. Waar ze mensen zagen, moordden en brandden zij, maar de vlucht was hun enige drang. Tot er ten slotte geen enkele Trollok meer in Manetheren was. Ze waren verspreid als stof in de wind. De uiteindelijke wraak kwam langzamer, maar hij kwam, toen ze door andere volken werden opgejaagd, door andere legers, in andere landen. Geen van hen die op Aemons Veld moordden, bleef in leven. Maar voor Manetheren was de prijs hoog. Eldrene had meer van de Ene Kracht naar zich toe getrokken dan een mens ooit zonder hulp kon geleiden. Toen de generaals van de vijand stierven, stierf zij ook en het vuur dat haar verteerde, verteerde de lege stad Manetheren, zelfs de stenen ervan, tot op de rots van de bergen. Maar het volk was gered.

Niets was er van hun boerderijen over, niets van hun dorpen, niets van hun grootse stad. Sommigen zullen gedacht hebben dat hen niets anders restte dan te vluchten naar een ander land, waar ze opnieuw konden beginnen. Maar dat spraken ze niet uit. Nooit eerder was er zo’n hoge prijs in bloed en hoop betaald als zij hadden betaald voor hun land, en nu waren zij met die grond verbonden door banden sterker dan staal. Andere oorlogen zouden hen in de komende jaren teisteren, tot ten slotte hun hoekje van de wereld was vergeten en zijzelf oorlog en oorlogsgeweld waren vergeten. Nooit herrees Manetheren. Haar hemelhoge spitsen en klaterende fonteinen werden een droom die langzaam vervaagde in de geest van het volk. Maar de mannen en vrouwen, hun kinderen en hun kindskinderen behielden het land dat het hunne was. Zij behielden het toen de lange eeuwen het waarom uit hun geheugen hadden gespoeld. Zij behielden het, tot op de dag van vandaag, tot aan jullie dagen. Ween om Manetheren, ween om wat voor altijd verloren ging.’

De vlammen aan Moiraines staf doofden en ze liet hem zakken alsof hij honderd pond woog. Een lange tijd bleef het huilen van de wind het enige geluid. Toen duwde Peet Alcaar zich langs de Kopins.

‘Ik weet het zo net nog niet met uw verhaal,’ zei de boer langzaam. ‘Ik ben geen doorn in de voet van de Duistere, zal het waarschijnlijk ook nooit zijn. Maar mijn Wil kan weer lopen dankzij u en daarom schaam ik me dat ik hier ben. Ik weet niet of u het mij kunt vergeven, maar hoe het ook zij, ik ga. En wat mij betreft, mag u zolang in Emondsveld blijven als u maar wilt.’

Na een snelle knik met zijn hoofd, bijna een buiging, baande hij zich een weg door de menigte. Anderen mompelden toen ook wat, boden beschaamd hun verontschuldigingen aan voor ook zij een voor een wegglipten. De Kopins keken opnieuw zuur en nors naar de gezich ten om hen heen en verdwenen zonder een woord in de nacht. Bili Kongar was al eerder dan zijn neven verdwenen.

Lan trok Rhand achteruit en sloot de deur. ‘Laten we gaan, jongen.’ De zwaardhand liep naar achter. ‘Kom mee, allebei. Snel!’

Rhand aarzelde en wisselde een vragende blik met Mart. Toen Moiraine het verhaal vertelde, hadden zelfs de Durraners van meester Alveren hem niet kunnen wegtrekken, maar nu hield iets anders hem tegen. Nu begon het echt; hij moest de herberg verlaten en de zwaardhand volgen... Hij probeerde zich te vermannen; zijn besluit stond vast. Hij had geen andere keus dan te gaan, maar hij zou naar Emondsveld terugkomen, hoe ver zijn reis ook zou zijn, hoe lang hij ook zou duren.

‘Waar wacht je op?’ vroeg Lan in de deuropening achter in de gelagkamer. Mart schrok op en haastte zich naar hem toe.

Terwijl Rhand zichzelf ervan probeerde te overtuigen dat hij aan een geweldig avontuur begon, volgde hij hen door de donkere keuken naar het erf.

10

Afscheid

Een eenzame lantaarn hing aan een spijker in een stalpaal en verspreidde door zijn half dichte klepjes een vaag schijnsel. De meeste stalhokken waren in diepe schaduwen gehuld. Toen Rhand binnenkwam, vlak achter Mart en de zwaardhand, sprong Perijn overeind uit het ritselende stro. Hij had met zijn rug tegen een hokdeur gezeten. Een zware mantel golfde om hem heen.

Lan bleef amper staan om te vragen: ‘Heb je rondgekeken zoals ik je zei, smid?’

‘Ik heb gekeken,’ antwoordde Perijn. ‘Er is niemand, behalve wij. Waarom zou iemand zich hier verbergen...’

‘Waakzaamheid en een lang leven gaan hand in hand, smid.’ De zwaardhand liet snel zijn ogen door de diepe schaduwen van de stal en de hooizolder dwalen, waarna hij het hoofd schudde. ‘Geen tijd,’ mompelde hij, half tegen zichzelf. ‘Haast, zei ze.’

Alsof hij zijn eigen woorden opvolgde, stapte hij snel naar de vijf paarden die vastgebonden, opgetuigd en gezadeld achter in de lichtkring stonden. Twee ervan waren de zwarte hengst en de witte merrie die Rhand eerder had gezien. De andere waren niet zo groot of zo snel gebouwd, maar het waren de beste paarden in Emondsveld. Haastig maar zorgvuldig liep Lan gespen en gordelriemen na en de leren strengen waarmee de zadeltassen, waterzakken en dekenrollen achter de zadels waren vastgebonden.

Rhand wisselde zenuwachtige blikken uit met zijn vrienden en probeerde er uit alle macht uit te zien of hij echt graag wilde vertrekken.

Toen pas zag Mart het zwaard aan Rhands zij en wees ernaar. ‘Van plan zwaardhand te worden?’ Hij lachte, maar slikte zijn lach in na een vlugge blik op Lan. De zwaardhand leek het niet op te merken.

‘Of op zijn minst een wacht van een koopman?’ vervolgde Mart met een grijns die een klein beetje geforceerd leek. Hij hief zijn boog. ‘Het wapen van een eerlijk man is niet goed genoeg voor hem.’

Rhand wilde best met zijn zwaard pronken, maar Lans aanwezigheid weerhield hem. De zwaardhand keek niet eens zijn kant op, maar hij was er zeker van dat de man zich bewust was van alles wat er om hem heen gebeurde. In plaats daarvan zei hij op overdreven vlakke toon: ‘Kan van pas komen’ alsof een zwaard dragen eigenlijk heel gewoon was.

Perijn bewoog; hij probeerde iets onder zijn mantel te verbergen.

Rhand ving nog net een glimp op van een brede leren gordel om het middel van de smidsgezel, met de steel van een bijl die door een lus in de gordel gestoken was.

‘Wat heb je daar?’ vroeg hij.

‘Precies! Net een koopmanswacht, laat me niet lachen,’ joelde Mart.

Perijn fronste naar Mart en liet blijken dat hij al ruimschoots het mikpunt was geweest van grapjes. Toen zuchtte hij diep en sloeg zijn mantel opzij om de bijl te laten zien. Het was niet het gewone gereedschap van een houthakker. Een breed blad in de vorm van een halve maan aan de ene kant van de kop en een gebogen piek aan de andere kant maakten het al even buitenissig voor Tweewater als Rhands zwaard. Toch lag Perijns hand erop alsof de bijl hem vertrouwd was.

‘Baas Lohan heeft hem ongeveer twee jaar geleden gemaakt, voor de wachter van een wolkoper. Maar toen hij af was, wilde de man niet de afgesproken prijs betalen en baas Lohan wou niet lager gaan. Hij heeft hem aan mij gegeven toen...’ hij schraapte zijn keel en fronste nu even boos naar Rhand, ‘toen hij me ermee zag oefenen. Hij zei dat ik hem net zo goed kon houden, omdat hij er toch niets nuttigs van kon maken.’

‘Aan het oefenen,’ sniklachte Mart, maar hij stak verzoenend zijn handen op toen Perijn zijn hoofd ophief. ‘Wat je zegt. Het is maar goed dat een van ons weet hoe je een echt wapen moet gebruiken.’