‘Die boog is een echt wapen,’ zei Lan opeens. Hij legde een arm over het zadel van zijn grote zwarte paard en keek hen ernstig aan. ‘Net als die slingers waarmee ik dorpsjongens heb gezien. Het maakt niet uit dat jullie ze eigenlijk voor niets anders gebruiken dan de konijnenjacht of om een wolf van de schapen te verjagen. Alles kan een wapen zijn in de handen van de man of vrouw die de moed en de wil heeft om het zo te gebruiken. Zelfs als er geen Trolloks zijn, kun je dat maar beter goed in je oren knopen voor we Emondsveld en Tweewater verlaten, als je Tar Valon levend wilt bereiken.’
Zijn gezicht en zijn stem waren koud als de dood en hard als een ruw gehakte grafsteen. Hun glimlach verdween en hun tong bevroor.
Perijn maakte een grimas en trok zijn mantel weer over de bijl. Mart staarde naar zijn voeten en schoof met zijn tenen het stro over de vloer. De zwaardhand gromde en ging verder met het nakijken van het tuig. De stilte bleef nog even hangen.
‘Dit lijkt allemaal niet erg op de verhalen,’ zei Mart ten slotte.
‘Ik weet het niet,’ zei Perijn zuur. ‘Trolloks, een zwaardhand, een Aes Sedai, wat wil je nog meer?’
‘Aes Sedai,’ fluisterde Mart en het klonk of hij het opeens koud had.
‘Geloof jij haar, Rhand?’ vroeg Perijn. ‘Ik bedoel, wat zouden Trolloks van ons willen?’
Tegelijk gluurden ze naar de zwaardhand. Lan leek helemaal op te gaan in de zadelriemen van de witte merrie, maar toch schoof het drietal naar de staldeur toe, weg van Lan. Ze staken hun hoofden bij elkaar en praatten zachtjes.
Rhand schudde zijn hoofd. ‘Ik weet het niet, maar ze had gelijk met die boerderijen van ons, dat die als eerste werden aangevallen. Hier in het dorp vielen ze ook als eerste het huis van baas Lohan en de smidse aan. Ik heb het de dorpsmeester gevraagd. Je kunt net zo goed geloven dat ze achter ons aan zitten als achter iemand of iets anders.’ Opeens besefte hij dat zijn vrienden hem aanstaarden.
‘Heb jij het de dorpsmeester gevraagd?’ vroeg Mart ongelovig. ‘Moiraine Sedai zei dat we het niemand mochten vertellen’
‘Ik heb hem niet gezegd waarom ik het vroeg,’ protesteerde Rhand.
‘Bedoel je dat jullie tegen niemand iets gezegd hebben? Dat jullie niemand verteld hebben dat je wegging?’
Perijn haalde verdedigend zijn schouders op. ‘Moiraine Sedai zei: tegen niemand.’
‘We hebben briefjes neergelegd,’ zei Mart. ‘Voor thuis. Ze zullen ze morgen wel vinden. Hé Rhand, mijn moeder denkt dat Tar Valon na Shayol Ghul het ergste is wat er bestaat.’ Hij lachte kort om te laten merken dat hij er anders over dacht. Het klonk niet erg overtuigend. ‘Ze zou me al in de kelder opsluiten als ze geloofde dat ik er over droomde daarheen te gaan.’
‘Baas Lohan is zo koppig als steen,’ voegde Perijn eraan toe, ‘en vrouw Lohan is nog erger. Als je haar in de overblijfselen van het huis had zien graven, terwijl ze maar bleef zeggen dat ze hoopte dat de Trolloks terug zouden komen, zodat ze die te lijf kon gaan...’
‘Drakenvuur, Rhand,’ zei Mart. Ik weet dat zij een Aes Sedai is en zo, maar de Trolloks waren echt hier. Ze zei dat we het niemand mochten vertellen. Als een Aes Sedai al niet weet wat ze hieraan kan doen, wie dan wel?’
‘Ik weet het niet.’ Rhand wreef over zijn voorhoofd. Hij had hoofdpijn en hij kon die droom maar niet vergeten. ‘Mijn vader gelooft haar. Nou ja, hij Stemde ermee in dat we moesten gaan’
Opeens stond Moiraine in de deuropening. ‘Je hebt met je vader over deze reis gepraat?’ Ze was van top tot teen in het donkergrijs gekleed en haar rok had een split, zodat ze schrijlings kon rijden. De ring met het serpent was het enige goud dat ze nu droeg.
Rhand keek naar haar wandelstaf; ondanks de vlammen die hij had gezien, zag hij geen spoortje geblakerd hout, zelfs geen schroeiplekken. ‘Ik kon niet weggaan zonder het hem te laten weten.’
Ze keek hem even met opeengeklemde lippen aan voor ze zich tot de anderen wendde. ‘En hebben jullie ook besloten dat een briefje niet voldeed?’ Mart en Perijn verzekerden haar, door elkaar pratend, dat ze alleen briefjes hadden achtergelaten, precies zoals ze had gezegd. Ze knikte, gebaarde hen te zwijgen en keek Rhand scherp aan.
‘Gedane zaken zijn reeds in het Patroon verweven. Lan?’
‘De paarden zijn klaar,’ zei de zwaardhand, ‘en we hebben genoeg proviand om Baerlon te bereiken en nog wat meer als voorraad. We kunnen vertrekken wanneer we willen. Ik stel voor: nu.’
‘Niet zonder mij.’ Egwene glipte de stal binnen met in haar armen een in een sjaal gepakte bundel. Rhand struikelde bijna over zijn eigen voeten.
Lans zwaard was al half getrokken; toen hij zag wie het was, schoof hij het wapen terug. Zijn ogen verraadden niets. Perijn en Mart begonnen tegelijk te praten om Moiraine ervan te overtuigen dat ze Egwene niets hadden verteld. De Aes Sedai negeerde hen en keek enkel naar Egwene. Ze tikte met een vinger nadenkend tegen haar tanden. De kap van Egwenes donkerbruine mantel was opgeslagen, maar hij verborg de uitdagende blik waarmee ze Moiraine aankeek niet.
‘Ik heb alles bij me wat nodig is. Ook voedsel. En ik wil niet achtergelaten worden. Ik krijg waarschijnlijk nooit een tweede kans om de wereld buiten Tweewater te zien.’
‘Dit is geen gezellig uitstapje naar het Waterwold, Egwene,’ gromde Mart. Hij deed een stap naar achter toen ze hem vanonder haar samengetrokken wenkbrauwen aankeek.
‘Dankjewel, Mart. Ik zou het niet hebben geweten. Denken jullie dat jullie de enigen zijn die daarginds willen rondkijken? Ik heb er even lang van gedroomd als jullie en ik ben niet van plan deze kans te missen.’
‘Hoe heb je ontdekt dat we weggingen?’ wilde Rhand weten. ‘Je kunt trouwens niet met ons mee. We gaan niet weg omdat het zo leuk is. De Trolloks zitten ons achterna.’ Ze bekeek hem welwillend en hij werd rood.
‘Allereerst,’ zei ze geduldig, ‘zag ik Mart rondsluipen terwijl hij enorm zijn best deed om niet gezien te worden. Daarna zag ik dat Perijn probeerde die belachelijk grote bijl onder zijn mantel te verstoppen. Ik wist dat Lan een paard had gekocht en opeens vroeg ik me af waarom hij er nóg een nodig had. En als hij er één kon kopen, dan konden het er ook meer zijn. Ik telde dat op bij het stiekeme gedoe van Mart en Perijn – net twee stierkalfjes die deden alsof ze vossen waren – nou, en daar paste maar één antwoord op. Ik weet niet of ik verbaasd moet zijn jou hier aan te treffen, Rhand, na al je gepraat over dagdromen. Maar goed, als Mart en Perijn erbij betrokken waren, had ik kunnen weten dat jij ook van de partij zou zijn.’
‘Ik moet gaan, Egwene,’ zei Rhand. ‘Wij allemaal, anders komen de Trolloks terug.’
‘De Trolloks!’ Egwene lachte ongelovig. ‘Rhand, als je hebt besloten wat van de wereld te zien, goed, maar bespaar me alsjeblieft zo’n onzinverhaal.’
‘Het is waar,’ zei Perijn terwijl Mart begon: ‘De Trolloks...’
‘Genoeg,’ zei Moiraine kalm, haar stem sneed hun gepraat af als een scherp mes. ‘Heeft iemand anders hier iets van gemerkt?’ Haar stem was zacht, maar Egwene slikte en rechtte haar rug voor ze antwoord gaf.
‘Na vannacht kunnen ze alleen maar denken aan hoe ze alles weer moeten opbouwen en wat ze moeten doen als het weer gebeurt. Ze hebben nergens anders oog voor, tenzij je het onder hun neus wrijft. En ik heb niemand over mijn verdenkingen verteld. Niemand.’
‘Goed dan,’ zei Moiraine na een korte stilte. ‘Je mag met ons mee.’ Een verraste uitdrukking gleed over Lans gezicht, maar die verdween bijna meteen weer. Uiterlijk was hij weer onbewogen, maar zijn woorden klonken nijdig: ‘Nee, Moiraine!’
‘Het maakt nu deel uit van het Patroon, Lan.’
‘Dit is onzinnig,’ protesteerde hij. ‘Er is geen enkele reden voor haar om mee te gaan en alle reden om hier te blijven.’
‘Er is een reden,’ zei Moiraine kalm. ‘Deel van het Patroon, Lan.’ Het stenen gezicht van de zwaardhand verried niets, maar hij knikte langzaam.
‘Maar Egwene,’ zei Rhand, ‘de Trolloks zitten ons achterna. We zullen niet veilig zijn tot we in Tar Valon aankomen.’