Выбрать главу

‘Probeer me maar niet bang te maken,’ zei ze. ‘Ik ga mee.’

Rhand kende die toon. Hij had die niet meer gehoord sinds ze had besloten dat boompje klimmen iets voor kinderen was, maar hij herinnerde hem zich maar al te goed. ‘Als je denkt dat een achtervolging door Trolloks leuk is,’ begon hij, maar Moiraine onderbrak hem.

‘Hier hebben we geen tijd voor. We moeten bij het aanbreken van de dag zo ver mogelijk weg zijn. Als we haar achterlaten, Rhand, kan ze het dorp in opschudding brengen voor we een span verder zijn en dat zou de Myrddraal zeker waarschuwen.’

‘Dat zou ik niet doen,’ verweerde Egwene zich.

‘Ze kan op het paard van de speelman rijden,’ zei de zwaardhand. ‘Ik zal zoveel achterlaten dat hij een ander kan kopen.’

‘Dat zal niet gaan,’ klonk Thom Merrilins galmende stem vanaf de hooizolder. Lans zwaard kwam ditmaal helemaal uit zijn schede en hij stak het niet terug terwijl hij naar de speelman opkeek.

Thom gooide een dekenrol omlaag, slingerde toen zijn kist met de fluit en harp op zijn rug en hing uitpuilende zadeltassen over zijn schouder. ‘Ik kan in dit dorp verder niets meer doen. Daar komt bij dat ik nog nooit in Tar Valon heb opgetreden. En hoewel ik gewoonlijk in m’n eentje reis, heb ik na vannacht geen enkel bezwaar tegen gezelschap.’

De zwaardhand keek Perijn grimmig aan en Perijn bewoog onrustig, ‘Ik dacht niet aan de hooizolder,’ mompelde hij.

Toen de lange benen van de speelman de ladder van de hooizolder afklauterden, sprak Lan stijf en formeeclass="underline" ‘Is dit ook een deel van het Patroon, Moiraine Sedai?’

‘Alles is een deel van het Patroon, oude vriend,’ antwoordde Moiraine zachtjes. ‘Wij hebben het niet voor het zeggen. Maar we zullen zien.’

Thom zette zijn voeten op de stalvloer en draaide zich bij de ladder om terwijl hij stro van zijn lapjesmantel borstelde. ‘Feitelijk’ zei hij op normale toon, ‘zou je kunnen zeggen dat ik zelfs sta op reizen in gezelschap. Ik heb vele uren achter vele kroezen bier zitten nadenken over mijn laatste levensdag. De kookpot van een Trollok staat me niet aan.’ Hij keek naar Lans zwaard. ‘Dat hoeft niet. Ik ben geen aangesneden kaas.’

‘Baas Merrilin,’ zei Moiraine, ‘we moeten snel weg en er wachten ons vrijwel zeker grote gevaren. De Trolloks zijn ergens buiten en we reizen ’s nachts. Weet u zeker dat u niet ons mee wilt reizen?’

Thom keek hen allen spottend aan met een glimlach op zijn gezicht. ‘Als het niet te gevaarlijk is voor het meisje, kan het voor mij ook niet al te gevaarlijk zijn. Bovendien, welke speelman wil niet wat gevaar trotseren om in Tar Valon op te kunnen treden?’

Moiraine knikte en Lan stopte zijn zwaard terug. Rhand vroeg zich opeens af wat er gebeurd was als Thom van gedachten was veranderd of als Moiraine niet had geknikt. De speelman begon zijn paard op te zadelen, alsof zulke gedachten nooit bij hem waren opgekomen, maar Rhand merkte dat hij meermalen een blik op Lans zwaard wierp.

‘Goed,’ zei Moiraine. ‘Welk paard voor Egwene?’

‘De paarden van de kramer zijn even slecht als de Durraners,’ antwoordde de zwaardhand zuur. ‘Sterke, maar trage trekkers.’

‘Bela,’ zei Rhand, een blik van Lan opvangend die hem deed wensen dat hij zijn mond had gehouden. Maar hij wist dat hij Egwene toch niet kon tegenhouden; hij kon nu maar beter helpen. ‘Bela is misschien niet zo snel als de andere paarden, maar ze is sterk. Ik berijd haar soms. Ze houdt ons best bij.’

Lan keek in Bela’s hok en mompelde binnensmonds. ‘Ze is misschien wat beter dan de andere,’ zei hij eindelijk. ‘Ik veronderstel dat we geen andere keuze hebben.’

‘Dan zullen we het met haar moeten doen,’ zei Moiraine. ‘Rhand, zoek een zadel voor Bela. Snel nu! We hebben al te lang gedraald.’

Rhand koos haastig een zadel en een deken uiy het tuighok en haalde toen Bela uit haar hok. De merrie keek slaperig verbaasd om toen hij het zadel op haar rug legde. Hij reed altijd ongezadeld; ze was niet gewend aan een zadel. Hij maakte kalmerende geluidjes terwijl hij de zadelriem aanhaalde en ze aanvaardde het vreemde ding met niet meer dan het schudden van haar manen.

Hij nam Egwenes bundel van haar over en bond die achter het zadel vast, terwijl zij Bela besteeg en haar rokken goed schikte. Die hadden geen split, zodat haar wollen kousen tot aan haar knieën zichtbaar waren. Ze droeg dezelfde zachtleren schoenen als de andere dorpsmeisjes. Die waren al absoluut ongeschikt voor een uitstapje naar Wachtheuvel, laat staan voor een reis naar Tar Valon. ‘Ik vind nog steeds dat je niet mee moet gaan’ zei hij. ‘Ik heb niets verzonnen over die Trolloks. Maar ik beloof je dat ik voor je zal zorgen.’

‘Misschien moet ik voor jou zorgen,’ antwoordde ze opgewekt. Zijn vermoeide blik deed haar glimlachen toen ze zich vooroverboog om zijn haar glad te strijken, ‘ik weet dat je me zult beschermen, Rhand. We zullen elkaar beschermen. Maar nu kun je maar beter op je paard klimmen.’

Alle anderen zaten reeds in het zadel op hem te wachten, besefte hij. Het enige paard zonder ruiter was Wolk, een groot grijs paard met zwarte manen en een zwarte staart dat van Jon Tan was, of liever: was geweest. Hij klom in het zadel, al ging het moeilijk omdat het paard zijn hoofd achteruit wierp en opzij danste toen Rhand zijn voet in de beugel zette en zijn zwaardschede tussen de benen van het paard verward raakte. Het was geen toeval dat zijn vrienden Wolk niet hadden gekozen. Baas Tan hield vaak wedstrijden met zijn vurige grijze tegen de paarden van kooplieden. Rhand wist zeker dat hij nog nooit had verloren, maar hij wist ook zeker dat Wolk het zijn berijder niet makkelijk maakte. Lan moest een enorme prijs hebben betaald, anders had de molenaar hem nooit verkocht. Toen hij in het zadel zat, werd het dansen van Wolk nog erger, alsof het dier graag wilde rennen. Rhand greep de teugels ferm beet en prentte zichzelf in dat het allemaal goed zou gaan. Als hij dat zelf maar geloofde, zou hij misschien ook het paard kunnen overtuigen.

Buiten kraste een uil in de nacht en de Emondsvelders veerden op voor ze beseften wat het was. Ze lachten zenuwachtig en keken elkaar beschaamd aan.

‘Hierna zullen veldmuizen ons nog de bomen in jagen,’ merkte Egwene met een beverig gegiechel op.

Lan schudde zijn hoofd. ‘Het had beter een wolf kunnen zijn.’

‘Wolven?’ riep Perijn uit en de zwaardhand keek hem onbewogen aan. ‘Wolven houden niet van Trolloks, smid, en Trolloks houden niet van wolven, of van honden, wat dat betreft. Als ik wolven hoor, weet ik zeker dat de Trolloks ons buiten niet op staan wachten.’ Hij reed de maanverlichte nacht in en liet zijn grote zwarte paard stapvoets gaan. Moiraine reed zonder enige aarzeling achter hem aan en Egwene bleef vlak naast de Aes Sedai. Rhand en de speelman vormden de achterhoede, achter Mart en Perijn.

Achter de herberg was het donker en stil en gevlekte maanschaduwen gleden over het erf. Het zachte geplof van de hoeven stierf snel weg, opgeslokt door de nacht. In de duisternis veranderde de mantel van de zwaardhand hem in een schaduw. Het was dat Lan de weg moest wijzen, anders waren ze in een kluitje om hem heen gaan rijden. Toen hij de poort van het erf naderde, bedacht Rhand dat ze niet gemakkelijk ongezien uit het dorp zouden kunnen komen. Uit veel vensters in het dorp straalde een bleekgeel licht, waarin zich vaak gestalten bewogen van dorpsgenoten die naar buiten keken om te zien wat deze nacht zou brengen. Geen van de dorpelingen wilde een tweede keer verrast worden.

In de diepe schaduwen naast de herberg, waar het erf overging in de weg, hield Lan opeens zijn paard in en gebaarde heftig naar hen dat ze stil moesten zijn.

Op de Wagenbrug stampten laarzen en hier en daar glinsterde maanlicht op metaal. De laarzen klakten de brug over, krasten in de steenslag en naderden de herberg. De groep in de schaduw maakte geen enkel geluid. Rhand vermoedde dat zijn vrienden te bang waren om geluid te maken. Net als hij.

De voetstappen hielden stil voor de herberg, in de grijze schaduw net buiten het vage licht van de vensters van de gelagkamer. Pas toen Jon Tan naar voren stapte, zag Rhand wie het waren. Jon droeg een speer op zijn stevige schouders en had een oud wambuis aan dat strak om zijn borst spande en helemaal was bezet met ijzeren maliën. Een tiental mannen uit het dorp en van de omliggende boerderijen stond achter hem, sommigen met helmen of oude stukken wapenrusting die generaties lang stof hadden verzameld op zolders. Ze droegen allemaal een speer, een houtbijl of een roestige piek.