De molenaar gluurde door een venster van de gelagkamer en draaide zich toen met een knik om. Hier lijkt alles in orde.’ De anderen stelden zich in twee slordige rijen achter hem op en de groep marcheerde de nacht in alsof ze op de maat van drie verschillende trommen liepen.
‘Twee Trolloks van de Dha’vol peuzelen die op als ontbijt,’ mompelde Lan toen het geluid van hun laarzen was weggestorven, ‘maar ze hebben oren en ogen.’ Hij draaide zijn hengst. ‘Kom.’
Langzaam en stil leidde de zwaardhand hen terug over het erf, de oever af, tussen de wilgen door en de Wijnvloed in. Dicht bij de Wijnbron was het koude, snelle water dat glinsterend rond de paardenbenen kringelde, al diep genoeg om tegen de zolen van de ruiterlaarzen te klotsen.
Toen ze er op de andere oever uitklommen, volgde de rij paarden onder Lans vaardige leiding een route die hen zo ver mogelijk van de dorpshuizen weghield. Van tijd tot tijd bleef Lan staan en gebaarde hen stil te zijn, hoewel niemand anders iets had gehoord of gezien. Maar iedere keer dat hij dat deed, kwam er een groep dorpelingen en boeren voorbij. Langzaam trokken ze naar de noordelijke grens van het dorp.
Rhand tuurde in het donker naar de hoge nokken van de huizen en probeerde ze in zijn geheugen te griffen. Een mooie avonturier ben ik, dacht hij. Hij was nog niet eens het dorp uit en had nu al heimwee. Maar hij hield niet op met rondkijken.
Ze passeerden de laatste boerderijen aan de rand van het dorp en trokken het land in, evenwijdig aan de Noorderweg die naar Tarenveer leidde. Rhand bedacht dat de nachthemel nergens zo mooi kon zijn als boven Tweewater. Het diepe zwart leek zich eindeloos uit te spreiden en ontelbare sterren glinsterden als kristallen lichtpuntjes. De maan was vrijwel helemaal vol en leek zo dichtbij dat hij hem bijna aan kon raken. Als hij zijn arm uitstak dan...
Een zwarte vorm schoof langzaam voor de zilverachtige bol van de maan. Rhand rukte onwillekeurig aan de teugels van de grijze.
Een vleermuis, dacht hij zwakjes, maar hij wist dat het niet zo was. Vleermuizen waren ’s avonds heel gewoon. Ze joegen in de schemering op vliegen en bijters. De vleugels van dat schepsel mochten dan dezelfde vorm hebben, maar ze bewogen met de trage machtige slag van een roofvogel. En het was op jacht. De manier waarop het in grote bogen rondeirkelde, liet daar geen twijfel over bestaan. Het ergste was de grootte. Een vleermuis die zo groot tegen de maan afstak, zou je bijna aan kunnen raken. Hij probeerde te schatten hoe hoog dat ding moest zijn en hoe groot. Het lijf moest wel zo groot zijn als dat van een mens en de vleugels... Het schoof weer voor de maan langs en wervelde opeens omlaag om in de nacht te worden opgenomen.
Hij had niet beseft dat Lan naar hem was teruggereden tot de zwaardhand hem bij zijn arm greep. ‘Waar zit je naar te staren, jongen? We moeten verder.’ De anderen wachtten achter Lan.
Rhand verwachtte half en half te horen dat zijn vrees voor de Trolloks zijn gezond verstand had overvleugeld, maar hij vertelde wat hij had gezien. Hij hoopte dat Lan het af zou doen als een vleermuis of als gezichtsbedrog.
Lan gromde een woord, het klonk alsof hij er een vieze smaak aan overhield. ‘Draghkar.’ Egwene en zijn vrienden zochten zenuwachtig in alle richtingen de hemel af, maar de speelman kreunde zachtjes.
‘Ja,’ zei Moiraine. ‘Op iets beters hoef je niet te hopen. En als de Myrddraal een Draghkar onder zijn bevel heeft, zal hij weldra weten waar wij zijn, als hij het al niet weet. We moeten zo snel mogelijk door het open veld trekken. We kunnen Tarenveer nog vóór de Myrddraal bereiken. Hij en zijn Trolloks zullen niet zo gemakkelijk als wij aan de andere kant van de rivier komen.’
‘Een Draghkar?’ vroeg Egwene. ‘Wat is dat?’
Thom Merrilin gaf haar hees antwoord. ‘In de oorlog die de Eeuw der Legenden beëindigde, werden ergere dingen dan Trolloks of Halfmannen geschapen.’
Moiraines ogen schoten zijn kant op toen hij sprak. Zelfs het duister kon de scherpte van haar blik niet verbergen.
Voor iemand nog meer vragen aan de speelman kon stellen, begon Lan aanwijzingen te geven. ‘We rijden nu naar de Noorderweg. Volg mij, als je leven je lief is. Houd me bij en blijf bij elkaar.’
Hij draaide zijn paard en de anderen galoppeerden zwijgend achter hem aan.
11
De weg naar Tarenveer
Op het ingeklonken zand van de Noorderweg gingen de paarden over in galop. Hun manen en staarten wapperden in het maanlicht toen ze zich met donderende hoeven in een gestaag ritme naar het noorden repten. Lan reed voorop; het zwarte paard en de ruiter in zijn schaduwmantel waren bijna onzichtbaar in de koude nacht. Moiraines witte merrie deed in snelheid niet voor de hengst onder en ze schoot als een bleke pijl door het donker. De anderen volgden daarachter, dicht bijeen, alsof ze aan een touw zaten dat de zwaardhand vasthield.
Rhand galoppeerde achteraan, vlak achter Thom Merrilin. De speelman hield zijn ogen strak op de weg vóór hen en keek niet één keer om. Als achter hen Trolloks opdoemden, of de Schim op dat stille paard, of dat vliegende wezen, de Draghkar, dan zou Rhand hen moeten waarschuwen.
Om de paar minuten keek hij om en zocht de duisternis af, terwijl hij zich vastklampte aan de teugels en manen van Wolk. De Draghkar... Erger dan Trolloks en Schimmen, had Thom gezegd. Maar de lucht was leeg en op de grond vonden zijn ogen slechts duisternis en schaduwen. Schaduwen waarin zich een heel leger kon verbergen. Nu de grijze de vrije teugel had gekregen, vloog het dier als een spook door de nacht. Wolk hield de hengst van Lan gemakkelijk bij en wilde zelfs nog sneller gaan. Hij wilde naast de zwarte komen en spande zich in om hem in te halen. Rhand moest hem stevig intomen om hem achter te houden. Wolk stribbelde tegen alsof hij dacht dat dit een wedstrijd was en bevocht hem met iedere stap. Rhand klemde zich aan zadel en teugels vast, iedere spier gespannen. Hij hoopte vurig dat zijn ros niet zou ontdekken hoe ongemakkelijk hij zich voelde. Als Wolk dat zou merken, dan zou hij zijn enige echte voordeel verliezen, hoe klein dat ook was.
Rhand bleef laag over Wolks nek gebogen en hield een waakzaam oog op Bela en haar berijdster. Toen hij had beweerd dat de ruigharige merrie de andere paarden kon bijhouden, had hij niet aan een wilde galop gedacht. Ze bleef echter meedraven en hij had niet gedacht dat ze dat kon. Lan had niet gewild dat Egwene mee zou gaan. Zou hij langzamer gaan rijden als Bela vermoeid begon te raken? Of zou hij haar gewoon achterlaten? De Aes Sedai en de zwaardhand vonden Rhand en zijn vrienden op de een of andere manier belangrijk, maar ondanks al Moiraines gepraat over het Patroon dacht hij niet dat ze Egwene daarin een rol zagen spelen.
Als Bela terugviel, zou hij ook terugvallen, wat Moiraine en Lan ook zouden zeggen. Terug naar de Schim en de Trolloks. Terug naar de Draghkar. Uit het diepst van zijn hart schreeuwde hij Bela zwijgend en wanhopig toe te rennen als de wind, probeerde hij haar zwijgend kracht toe te wensen. Ren! Zijn huid tintelde en zijn botten voelden alsof ze bevroren waren en bijna openspleten van de kou. Het Licht helpe haar, ren! En Bela rende.
Ze spoedden zich verder en verder door de nacht naar het noorden en hun besef van tijd verdween. Nu en dan flitsten de lichten van boerderijen op, maar die verdwenen weer even snel alsof ze slechts uit de verbeelding voortkwamen. Uitdagend hondengeblaf zwakte snel achter hen af of werd abrupt afgebroken als de hond besloot dat hij hen had weggejaagd. Ze snelden door een duisternis die alleen iets minder ondoordringbaar leek door waterig bleek maanlicht, een duisternis waarin bomen langs de weg zonder waarschuwing opdoemden en weer verdwenen. Verder werden ze omringd door het duister. Slechts een eenzame roep van een nachtvogel, verlaten en treurig, verstoorde het gestage hoefgetrappel.