Выбрать главу

Zodra hij in het zadel zat, galoppeerden ze verder de weg af, langs de koepelvormige heuvel. Honden blaften in het dorp; ze waren niet onopgemerkt voorbijgegaan. Of zouden de honden de Trolloks ruiken? dacht Rhand. Al gauw verdwenen zowel het geblaf als de dorpslichten in de nacht achter hen.

Ze galoppeerden dicht bijeen. De paarden stootten elkaar telkens bijna aan. Lan beval hen zich te verspreiden, maar niemand wilde zelfs maar voor even alleen zijn in de nacht. Hoog boven hen klonk een schreeuw. De zwaardhand gaf het op en liet hen op een kluitje verder draven.

Rhand reed vlak achter Moiraine en Lan. De grijze wilde zich met alle geweld tussen de zwarte van de zwaardhand en de slanke merrie van de Aes Sedai dringen. Egwene en de speelman snelden naast hem voort, terwijl daarachter zijn vrienden elkaar verdrongen. Wolk, aangespoord door de kreten van de Draghkar, rende uitzinnig verder en Rhand kon niets doen om hem langzamer te laten lopen, zelfs al had hij dat gewild. Toch kon de grijze geen stap dichter bij de voorste twee paarden komen.

De Draghkar schreeuwde nog eens uitdagend in de nacht. Bela draafde moedig mee met gestrekte nek en met haar staart en manen wapperend in de wind. Ze sloot zich bij iedere pas van de grotere paarden aan. De Aes Sedai moest nog iets meer hebben gedaan dan enkel haar vermoeidheid weghalen.

In het maanlicht vertoonde Egwenes gezicht een opgewonden lach van verrukking. Haar vlecht wapperde als de manen van haar paard en Rhand wist zeker dat de glans in haar ogen niet alleen van de maan kwam. Hij bleef met open mond naar haar kijken tot een bijter naar binnen vloog en hem een hoestbui bezorgde.

Lan moest iets hebben gevraagd, want Moiraine riep opeens boven de wind en het hoefgeroffel uit: ‘Ik kan het niet! Zeker niet op de rug van een galopperend paard. Ze zijn moeilijk te doden, zelfs als je ze kunt zien. We moeten verder en er maar het beste van hopen.’ Ze galoppeerden door een mistflard, dun en niet hoger dan de knieën van de paarden. Wolk rende er in twee sprongen doorheen en Rhand keek om, zich afvragend of hij het zich had verbeeld. De nacht was toch zeker te koud voor mist. Opnieuw schoot een rafelige grijze flard aan een kant voorbij, groter dan de eerste. Hij leek te groeien alsof er mist uit de grond spoot. Boven hen krijste de Draghkar van woede. Mist omhulde de ruiters kort en was weer weg, kwam opnieuw op en verdween achter hen. De ijzige mist liet een vochtige kilte op Rhands gezicht en handen achter. Toen doemde een bleekgrijze muur voor hen op en werden ze opeens omhuld door mistsluiers die zo dicht waren dat het hoefgetrappel dof werd gesmoord en het gekrijs uit de lucht door een muur leek te komen. Rhand kon nog net de gestalten van Egwene en Thom Merrilin naast zich onderscheiden.

Lan hield niet in. ‘Er is maar één plek waar we heen kunnen,’ riep hij. Zijn stem klonk hol en leek uit alle richtingen te komen.

‘Myrddraal zijn sluw,’ zei Moiraine. ‘Ik zal zijn eigen sluwheid tegen hem gebruiken.’ Ze galoppeerden zwijgend verder.

Grote mistbanken maakten zowel grond als hemel onzichtbaar, zodat de ruiters, die nu zelf in schaduwen waren veranderd, door nachtelijke wolken schenen te zweven. Zelfs de benen van hun eigen paarden leken verdwenen.

Rhand verschoof in zijn zadel en dook in elkaar voor die ijzige mist. Weten dat Moiraine dingen kon doen, zelfs zien wat ze aan het doen was, was één ding, maar daardoor helemaal nat en koud worden was iets anders. Hij besefte dat hij zijn adem inhield en noemde zichzelf een driedubbel overgehaalde idioot. Hij kon niet de hele weg naar Tarenveer afleggen zonder adem te halen. Ze had de Ene Kracht op Tham gebruikt en hij leek in orde. Ondanks dat moest hij zichzelf ertoe zetten in en uit te ademen. De lucht was zwaar, maar verder niet anders dan in elke andere mistnacht, zij het wat kouder. Dat hield hij zich voor, maar eigenlijk geloofde hij het niet.

Lan spoorde hen aan vlak bij elkaar te blijven, zodat iedereen de gestalten van de anderen in die kille grijze mist kon zien. Toch hield de zwaardhand zijn hengst nog steeds niet in. Lan en Moiraine reden naast elkaar door de mist alsof zij duidelijk konden zien wat voor hen lag. De rest kon slechts in vertrouwen volgen. En hopen.

De schrille kreten die hen hadden opgejaagd, verzwakten terwijl ze verder galoppeerden en verdwenen toen, maar dat bood weinig troost. Bos en boerderijen, maan en weg waren versluierd en verborgen. Nog steeds blaften honden hol en ver in het grijze waas als ze langs boerderijen kwamen, maar afgezien van de doffe hoefslag van hun paarden was er niets te horen. Niets in die vormloze asgrijze mist veranderde, niets verried dat er tijd verstreek behalve de steeds erger wordende pijn in zijn dijen en rug.

Ze moesten al uren hebben gereden, bedacht Rhand. Zijn handen hielden de teugels zo strak vast dat hij niet eens zeker wist of hij ze los kon laten en hij vroeg zich af of hij ooit nog gewoon zou lopen. Hij keek maar één keer om. Achter hem snelden schaduwen in de mist mee, maar hij wist niet eens hoeveel. En hij wist niet of het Mart en Perijn waren. De kou en de damp doorweekten zijn mantel, jas en hemd en leken ten slotte zijn botten in te trekken. Alleen de wind op zijn gezicht en het rekken en strekken van het paard onder hem vertelden hem dat hij echt bewoog. Ze moesten al uren hebben gereden, inhouden!’ riep Lan opeens. ‘Trek de teugels aan.’

Rhand was zo verrast dat Wolk zich tussen Lan en Moiraine drong en hij pas na vijf passen de grote grijze kon stoppen en kon rondkijken.

Huizen doemden aan alle kanten uit de mist op, vreemd hoog in Rhands ogen. Hij had deze plaats nooit eerder gezien, maar er vaak beschrijvingen van gehoord. Die hoogte kwam door de roodstenen funderingen, nodig als in het voorjaar het smeltwater uit de Mistbergen de Taren deed overstromen. Ze waren in Tarenveer.

Lan dreef zijn zwarte strijdros langs hem heen. ‘Niet zo onstuimig, schaapherder.’

Rhand trok zich verlegen zwijgend terug tussen de anderen, toen ze verder het dorp in reden. Hij had weer een rood hoofd en was nu blij met de mist.

Een eenzame hond, onzichtbaar in de koude mist, blafte hen woedend toe en rende toen weg. Hier en daar doemde een verlicht venster op van iemand die vroeg opstond. Behalve de hond en het gedempte hoefgetrappel verstoorde geen enkel ander geluid het einde van de nacht.

Rhand had maar weinig mensen uit Tarenveer ontmoet. Hij probeerde zich het weinige te herinneren wat hij wist. Ze kwamen zelden langs in wat zij ‘de lagere dorpen’ noemden en liepen dan met opgetrokken neus rond alsof ze iets smerigs roken. De weinigen die hij had gezien, droegen vreemde namen als Heuveltop en Steenboot. Tarenveerders hadden allemaal de naam dat ze sluw en bedriegers waren. Geef een Tarenveerder een hand, zei men, en tel daarna je vingers.

Lan en Moiraine bleven staan voor een hoog, donker huis dat precies leek op elk ander huis in het dorp. Mist wervelde als rook rond de zwaardhand toen hij uit het zadel sprong en de trap beklom die naar de voordeur leidde, die zich op gelijke hoogte als hun hoofd bevond. Bovenaan hamerde Lan met zijn vuist op de deur.

‘Ik dacht dat we stil moesten zijn,’ mompelde Mart.

Lan ging door met bonzen. In het venster van de buurman verscheen licht en iemand schreeuwde boos naar Lan, maar de zwaardhand bleef met zijn vuist op de deur bonzen.

De deur werd abrupt opengegooid door een man in een nachthemd dat rond zijn blote benen fladderde. Een olielamp in zijn hand verlichtte een smal gezicht met scherpe trekken. Hij deed boos zijn mond open en liet hem open toen hij met uitpuilende ogen in de mist rondkeek. ‘Wat?’ zei hij. ‘Wat is dit?’ Kille grijze mistslierten krulden zijn huis in en hij stapte haastig opzij.

‘Baas Hoogtoren,’ zei Lan. ‘Net de man die ik nodig heb. We willen op uw pont de rivier over.’

‘Hij heeft van zijn leven geen hoge toren gezien,’ giebelde Mart.