Выбрать главу

Rhand gebaarde zijn vriend stil te zijn. De man met het scherpe gezicht hield zijn lamp hoger en keek achterdochtig op hen neer.

Het duurde even voor baas Hoogtoren stuurs zei: ‘De pont steekt bij dag over. Niet ‘s nachts. Nooit ’s nachts. En zeker niet in deze mist. Kom terug als de zon op is en de mist verdwenen.’

Hij maakte aanstalten om zich om te draaien, maar Lan greep hem bij zijn pols. De veerman deed al kwaad zijn mond open. Goud glinsterde in het licht van de lamp toen de zwaardhand een aantal munten een voor een uittelde in de hand van de andere man. Hoogtoren likte zijn lippen toen de munten rinkelden en munt na munt boog hij zich dieper over zijn hand alsof hij niet kon geloven wat hij zag.

‘En evenveel,’ zei Lan, ‘als we veilig aan de andere kant komen. Maar we vertrekken nu!’

‘Nu?’ Kauwend op zijn onderlip schoof het fretachtige mannetje zijn voeten heen en weer; hij tuurde de dichte nachtmist in en knikte opeens. ‘Goed. Nou, laat mijn pols dan los, want ik moet mijn halers wekken. Je denkt toch niet dat ik de pont zelf ga overtrekken, wel?’

‘Ik wacht bij de pont,’ zei Lan op vlakke toon. ‘Maar niet zo lang.’ Hij liet de veerman los.

Baas Hoogtoren drukte de hand met munten tegen zijn borst, knikte instemmend en duwde haastig de deur dicht.

12

Over de Taren

Lan kwam de trap af, zei dat iedereen moest afstijgen en hem met de paarden aan de hand door de mist moest volgen. Weer moesten ze erop vertrouwen dat de zwaardhand wist waar hij heen ging. De mist kringelde rond Rhands knieën, verborg zijn voeten en maakte alles onzichtbaar wat verder dan een voet lag. De mist was niet zo dicht als buiten het stadje, maar hij kon zijn metgezellen nauwelijks onderscheiden.

Nog steeds verstoorden alleen zij de stilte van de nacht. Er waren wat meer verlichte vensters dan voorheen, maar de dikke mist maakte er meestal vage vlekken van en vaak was dat wazige schijnsel dat omgeven werd door grijs alles wat ze konden zien. Andere huizen die wat beter zichtbaar waren, leken te drijven op een zee van wolken of doemden onverwachts uit de mist op, terwijl de naburige huizen verborgen bleven, zodat ze het enige huis in een leegte hadden kunnen zijn.

Rhand bewoog stijf door de pijn van de lange rit en vroeg zich af of er niet een manier was om de rest van de weg naar Tar Valon te lopen. Natuurlijk, op dat moment was lopen niet veel beter dan rijden, maar toch waren zijn voeten zowat het enige stukje van zijn lichaam dat niet beurs was. En lopen was hij tenminste gewend. Slechts eenmaal sprak iemand zo luid dat Rhand het duidelijk kon horen. ‘Jij moet het afhandelen,’ zei Moiraine als antwoord op een niet-gehoorde vraag van Lan. ‘Hij zal zich toch al te veel herinneren, dat valt niet te vermijden. Maar als hij zich ook mij nog goed herinnert...’

Rhand verschikte mopperend zijn doorweekte mantel over zijn schouder en bleef dicht bij de anderen. Mart en Perijn liepen binnensmonds te mopperen en hielden hun verwensingen nauwelijks in als ze hun tenen tegen iets onzichtbaars stootten. Thom Merrilin mopperde ook, woorden als ‘warm maal’ en ‘haard’ en ‘kruidenwijn’ drongen tot Rhand door, maar noch de zwaardhand noch de Aes Sedai lette erop. Egwene liep zwijgend mee, met rechte rug en opgeheven hoofd. Haar aarzelende bewegingen verraadden echter dat ze net als de anderen niet gewend was aan het rijden.

Ze kreeg haar avontuur, dacht hij nors, en zolang het duurde, betwijfelde hij of ze op kleinigheden als mist, vocht of kou zou letten. Je kon de dingen van twee kanten bekijken, leek hem, het hing er vanaf of je het avontuur zocht of dat het je werd opgedrongen. In de verhalen zouden een galop door een koude mist, een achtervolging door een Draghkar en het Licht mocht weten wat nog meer heel spannend klinken. Mogelijk vond Egwene het spannend; hij voelde zich alleen maar klam en had het koud, en hij was blij dat er weer wat huizen om hem heen stonden, zelfs al stonden die in Tarenveer. Onverwachts botste hij in de mist tegen iets groots en warms op: de hengst van Lan. De zwaardhand en Moiraine waren blijven staan en de anderen in de groep deden hetzelfde. Ze gaven hun paarden klopjes, waarmee ze ook zichzelf geruststelden. De mist was hier wat dunner, dun genoeg om elkaar wat beter te kunnen zien, maar nog te dik om bijzonderheden te kunnen onderscheiden. Hun voeten waren nog verborgen door de lage mistgolven als in een grijze overstroming. De huizen leken allemaal opgeslokt te zijn.

Behoedzaam leidde Rhand Wolk wat naar voren en hoorde verrast dat zijn laarzen over houten planken schraapten. De aanlegplaats van de veerboot. Hij liep voorzichtig achteruit en trok de grijze mee. Hij had gehoord waar de pier van Tarenveer op leek: een brug die nergens heen leidde, alleen naar de veerboot. De Taren was, naar men zei, breed en diep, met verraderlijke stromingen die zelfs de sterkste zwemmer onder konden trekken. Veel breder dan de Wijnvloed, veronderstelde hij. En als de mist daar nog bijkwam... Hij was opgelucht dat hij weer gras onder zijn voeten voelde.

Een fel ‘Ssst!’ van Lan weerklonk scherp in de mist. De zwaardhand gebaarde naar hen terwijl hij naast Perijn sprong en de mantel van de jongen opzij sloeg, waardoor de grote bijl zichtbaar werd. Gehoorzaam maar niet-begrijpend gooide Rhand zijn eigen mantel over zijn schouder om zijn zwaard te tonen. Toen Lan snel naar zijn paard terugliep, verschenen er dansende lichtjes in de mist en naderden er gedempte voetstappen.

Zes mannen in eenvoudige kledij met gesloten gezichten volgden baas Hoogtoren. Hun fakkels verjoegen een stuk van de mist om hen heen. Toen ze bleven staan, kon de hele groep uit Emondsveld gemakkelijk worden gezien, de meesten omringd door een grijze muur die dikker leek door het erin weerkaatste fakkellicht. De veerman keek hen onderzoekend aan; hij hield zijn smalle hoofd schuin en snoof met zijn neus als een wezel die de lucht van een val opsnuift.

Lan leunde schijnbaar op zijn gemak tegen zijn zadel, maar een hand rustte veelzeggend op het lange gevest van zijn zwaard. Hij leek op een gespannen metalen veer.

Rhand nam snel de houding van de zwaardhand over – tenminste voor zover het de hand op het zwaard betrof. Hij dacht niet dat hij die dodelijk lijkende ontspannenheid kon nabootsen. Ze zouden gaan lachen als ik het probeerde.

Perijn verschoof zijn bijl in de leren lus en plantte zijn voeten opzettelijk stevig neer. Mart legde een hand op zijn pijlkoker, hoewel Rhand niet zeker was in welke staat het boogkoord was na die vochtige nacht. Thom Merrilin stapte gewichtig naar voren, stak een lege hand op en draaide die langzaam om. Opeens draaide hij met een zwierig gebaar een dolk tussen zijn vingers rond. Het heft klapte in zijn handpalm en onverwachts begon hij nonchalant zijn nagels bij te snijden.

Moiraine liet een zacht en opgetogen gelach horen. Egwene klapte alsof ze een opvoering op het festival had gezien, hield op en keek verlegen, hoewel haar mond niettemin nog steeds een glimlach vertoonde.

Hoogtoren leek het absoluut niet te waarderen. Hij staarde Thom strak aan en schraapte toen luid zijn keel. ‘Ik heb horen zeggen dat er bij de oversteek nog meer goud zou zijn.’ Hij keek weer rond met een stuurse, sluwe blik. ‘Wat jullie me zojuist hebben gegeven, ligt veilig, vat je? Je kunt er je hand niet op leggen.’

‘De rest van het goud,’ zei Lan hem, ‘krijg je als we aan de andere kant zijn.’ De leren buidel aan zijn riem rinkelde toen hij er even aan schudde.

Heel even schoten de ogen van de veerman erheen, maar uiteindelijk knikte hij. ‘Laten we dan maar beginnen,’ mompelde hij en hij stapte de kade op, gevolgd door zijn zes helpers. De mist verscheen weer; de grijze tentakels sloten zich achter hen en vulden snel de plekken waar ze hadden gelopen. Rhand haastte zich om hen bij te houden. Het veer zelf was een houten pont met hoge boorden en een laadklep die omhooggehaald kon worden om de steven af te sluiten. Touwen zo dik als een mannenpols liepen aan beide kanten langs de boot. Ze waren bevestigd aan stevige palen op het einde van de kade en verdwenen in de nacht over de rivier. De knechten van de veerman staken hun fakkels in ijzeren klemmen aan de boorden, wachtten terwijl iedereen zijn paard aan boord bracht en trokken toen de laadklep op. Het dek kraakte onder hoeven en schuifelende voeten en de veerboot deinde door haar lading op en neer.