Выбрать главу

Hoogtoren mompelde binnensmonds en gromde dat ze de paarden rustig moesten houden en in het midden moesten blijven, uit de buurt van de halers. Hij brulde zijn knechten toe en liep te schelden toen ze de veerboot gereedmaakten voor de overtocht, maar de mannen deden hun werk met tegenzin, wat hij ook zei. Hij was zelf ook niet met hart en ziel aan het werk, want vaak maakte hij zijn bevelen niet eens af en stak hij zijn fakkel omhoog om de mist in te turen. Uiteindelijk hield hij helemaal op met schreeuwen en liep naar de boeg, waar hij de mist in staarde die boven de rivier hing. Hij bewoog niet meer tot een van de halers zijn arm aanraakte; toen schoot hij overeind en keek woest om.

‘Wat? O, ben jij het? Klaar? Werd tijd. Nou man, waar sta je op te wachten?’ Hij zwaaide met beide armen, niet lettend op de fakkel en het gehinnik van de paarden die achteruit bewogen. ‘Gooi los! Laat vieren! Halen!’ De man sjokte terug om de bevelen uit te voeren en Hoogtoren tuurde opnieuw de mist in en wreef onrustig met zijn hand over de voorkant van zijn jas.

De veerboot schokte toen de trossen loskwamen en de sterke stroom haar greep, en schokte opnieuw toen de veertouwen haar tegenhielden. De halers, drie aan elke kant, grepen het touw aan de boeg beet en begonnen moeizaam naar achteren te lopen, onrustig mompelend toen ze de in het grijs gehulde rivier opvoeren.

De kade verdween in de omringende mist. Een paar flarden dreven over het veer tussen de flakkerende fakkels. De pont schommelde langzaam in de stroming. Alleen de gestage stap van de halers, naar voren om het touw te grijpen en al trekkend naar achter, gaf aan dat ze bewogen. Niemand sprak. De dorpsgenoten bleven zo veel mogelijk midden in de boot. Ze hadden gehoord dat de Taren veel breder was dan de beken die zij gewend waren en in gedachten maakte de mist de rivier oneindig breed.

Na een poosje ging Rhand dichter bij Lan staan. Rivieren die een mens niet kon doorwaden of overzwemmen of waarvan je zelfs de andere oever niet kon zien, waren zenuwslopend voor iemand die nooit iets breders of diepers dan een plas in het Waterwold had gezien. ‘Zouden ze echt hebben geprobeerd ons te beroven,’ vroeg hij zachtjes. ‘Hij gedroeg zich meer of hij bang was dat wij hém zouden beroven.’

De zwaardhand wierp een blik op de veerman en zijn knechten – niemand leek te luisteren – voor hij op even zachte toon antwoordde: ‘Met zo’n mist om je in te verbergen, tja, als hun daden verborgen kunnen blijven, doen ze soms dingen met vreemdelingen die ze nooit openlijk zouden uithalen. En hoe sneller zij geneigd zijn een vreemdeling kwaad te doen, hoe eerder ze zelf denken dat een vreemde hén kwaad zal doen. Deze kerel... ik denk dat hij zijn eigen moeder nog als stoofvlees aan de Trolloks zou verkopen als hij genoeg geld kreeg. Het verhaast me een beetje dat je ernaar vraagt. Ik heb gehoord hoe ze in Emondsveld praten over de mensen van Tarenveer.’

‘Jawel, maar... Nou ja, iedereen zegt... Maar ik had nooit gedacht dat ze echt...’ Rhand besloot dat hij beter kon ophouden te denken dat hij enig idee had hoe de mensen buiten zijn eigen dorp waren. ‘Hij vertelt de Schim misschien dat we met het veer zijn overgestoken,’ zei hij ten slotte. ‘Misschien zet hij na ons de Trolloks over.’ Lan grinnikte droogjes. ‘Een vreemdeling beroven is één ding, met een Halfman een handeltje sluiten is iets heel anders. Kun je je echt voorstellen dat hij Trolloks overzet, nog wel in deze mist, ook al wordt hem nog zoveel goud geboden? Of dat hij met een Myrddraal praat, als hij de keus heeft? Alleen de gedachte al doet hem een maand op de loop gaan. Ik denk niet dat we ons veel zorgen hoeven te maken over Duistervrienden in Tarenveer. Hier niet. We zijn veilig... voorlopig tenminste. In ieder geval voor dit stel. Pas op.’

Hoogtoren keek niet langer vooruit de mist in, maar had zich omgedraaid. Met zijn spitse gezicht naar voren en de fakkel omhoog keek hij strak naar Lan en Rhand, alsof hij hen voor het eerst duidelijk zag. Dekplanken kraakten onder de voeten van de halers en zo nu en dan klonk er hoefgeschraap. Opeens kromp de veerman ineen alsof hij besefte dat zij zagen hoe hij stond te kijken. Hij veerde op en draaide zich om om de verre oever te zoeken of wat hij dan ook zocht in de mist.

‘Zeg niets meer,’ zei Lan zo zachtjes dat Rhand hem haast niet verstond. ‘Dit zijn boze dagen om te praten over Trolloks, Duistervrienden of de Vader van de Leugen als vreemde oren je kunnen horen. Zulk gepraat kan erger kwaad brengen dan een op je deur gekraste Drakentand.’

Rhand had geen zin meer om verder te vragen. Hij voelde zich zelfs bedrukter dan ervoor. Duistervrienden! Alsof Schimmen, Trolloks en Draghkar al niet genoeg waren. En een Trollok kon je tenminste nog herkennen.

Opeens doemden de vage omtrekken van palen op in de mist voor hen. Het veer bonkte tegen de andere oever en de halers haastten zich het vaartuig snel vast te leggen en de voorste laadklep met een klap te vieren, terwijl Mart en Perijn luid verkondigden dat de Taren niet half zo breed was als ze hadden gehoord. Lan leidde zijn hengst de boot af, gevolgd door Moiraine en de anderen. ‘Toen Rhand als laatste Wolk achter Bela meevoerde, hoorden ze de boze stem van baas Hoogtoren: ‘Hé, hoor eens, hé! Waar is mijn goud?’

‘Het zal betaald worden.’ Moiraines stem klonk ergens uit de mist. Rhands laarzen stampten van de laadklep op een houten plankier. ‘En een zilveren mark voor ieder van je mannen,’ voegde de Aes Sedai eraan toe, ‘voor de snelle overtocht.’

De veerman aarzelde, zijn hoofd naar voren of hij gevaar rook, maar toen het zilver genoemd werd, kwamen de halers tot leven. Sommigen bleven even staan voor een fakkel, maar voor Hoogtoren iets kon zeggen, klosten ze allemaal de laadklep over. Met een stuurse grimas volgde de veerman zijn bemanning.

Wolks hoeven ploften dof in de mist toen Rhand behoedzaam over het plankier liep. De grijze mist was hier even dicht als aan de overkant van de rivier. Aan het begin van de pier stond de zwaardhand munten rond te delen, omringd door de fakkels van Hoogtoren en zijn knechten. Alle anderen, behalve Moiraine, stonden iets verderop in een groepje bezorgd te wachten. De Aes Sedai keek naar de rivier, hoewel Rhand niet begreep wat ze kon zien. Huiverend trok hij zijn doorweekte mantel dicht. Nu was hij echt buiten Tweewater en het leek veel verder weg dan de breedte van een rivier.

‘Daar,’ zei Lan en hij overhandigde een laatste munt aan Hoogtoren. ‘Zoals afgesproken,’ Hij stak zijn geldbuidel niet weg en de man met het frettengezicht keek er begerig naar.

De pier trilde en kraakte luid. Hoogtoren sprong overeind en hij keerde zich om naar de in mist gehulde veerboot. De fakkels aan boord vormden een paar vage, wazige lichtpunten. De pier kreunde en onder donderend gekraak van splijtend hout sprongen de twee lichten omhoog en draaiden toen rond. Egwene slaakte een onhoorbare kreet en Thom vloekte.

‘Hij is los!’ krijste Hoogtoren. Hij greep zijn halers beet en duwde hen naar het eind van de pier. ‘Het veer is los, stommelingen! Erheen! Erheen!’

De halers struikelden enkele stappen in de richting van de boot. De flauwe lichten op het veer wentelden sneller en sneller. De mist boven hen wervelde en werd in een spiraal weggezogen. De pier trilde. Het gekraak en gesplinter van hout vulden de lucht toen de veerboot in stukken begon te breken.

‘Draaikolk,’ zei een van de halers, zijn stem een en al afschuw. ‘Draaikolken in de Taren?’ Hoogtorens stem klonk leeg. ‘Nog nooit een draaikolk...’

‘Een ongelukkig voorval.’ Moiraines stem klonk hol in de mist die een schaduw van haar maakte terwijl ze zich van de rivier afwendde.

‘Ongelukkig,’ beaamde Lan vlak. ‘Zo te zien zullen jullie een poos niemand anders meer over de rivier kunnen zetten. Een slechte zaak dat jullie je vaartuig in onze dienst hebben verloren.’ Hij haalde opnieuw wat munten uit de beurs, die hij nog in zijn hand hield. ‘Dit zal het vergoeden.’