Выбрать главу

Heel even staarde Hoogtoren naar het goud dat in het fakkellicht in Lans hand glinsterde, toen zakten zijn schouders omlaag en schoten zijn ogen naar de anderen die hij had overgezet. De Emondsvelders stonden als vage gestalten in de mist te wachten. Met een angstige, onduidelijke kreet griste de veerman de munten uit lans hand, draaide zich snel om en rende de mist in. Zijn halers volgden hem op de voet en hun fakkels werden snel in de mist opgeslokt terwijl ze stroomopwaarts verdwenen.

‘Er is niets meer wat ons hier ophoudt,’ zei de Aes Sedai alsof er niets vreemds was gebeurd. Ze leidde haar witte merrie verder weg van de pier, de oever op.

Rhand staarde naar de verborgen rivier. Het kon toeval zijn. Geen draaikolken, zei hij, maar... Opeens zag hij dat alle anderen weg waren. Haastig klauterde hij de zacht glooiende oever op.

In drie stappen vervaagde de zware mist tot niets. Hij stond stokstijf stil en keek om. Boven de oever van de rivier leek een dichte grijze muur te zweven, maar waar hij stond straalde een wolkeloze hemel, nog donker, hoewel het heldere maanlicht aangaf dat de dageraad niet ver weg was.

De zwaardhand en de Aes Sedai overlegden net buiten de mistgrens naast hun paarden. De anderen stonden een eindje verder in een groepje; zelfs in de maanverlichte duisternis was hun gespannenheid voelbaar. Alle ogen waren op Lan en Moiraine gericht en behalve Egwene hield iedereen zich afzijdig, alsof ze niet konden kiezen of het beter was om het tweetal kwijt te raken of om dicht bij hen te blijven. Rhand rende de laatste paar stappen naar Egwene toe. Wolk meevoerend en ze grinnikte naar hem. Hij dacht niet dat de glans in haar ogen alleen door het maanlicht kwam.

‘De mist volgt de rivier alsof ze één zijn,’ zei Moiraine tevreden. ‘Er zijn nog geen tien vrouwen in Tar Valon die dat zonder hulp kunnen. Laat staan op de rug van een galopperend paard.’

‘Ik wil niet klagen, Moiraine Sedai,’ zei Thom en hij klonk vreemd bezorgd voor zijn doen, ‘maar zou het niet beter zijn als de mist ons nog wat langer zou verhullen? Laten we zeggen tot aan Baerlon? Als die Draghkar aan deze kant van de rivier zoekt, zijn we alles kwijt wat we gewonnen hebben.’

‘Draghkar zijn niet zo slim, Merrilin,’ zei de Aes Sedai droogjes.

‘Vreeswekkend en dodelijk gevaarlijk, en met scherpe ogen, maar met weinig hersens. Hij zal de Myrddraal zeggen dat deze kant van de rivier helder is, maar dat de rivier zelf in beide richtingen mijlenver is toegedekt. De Myrddraal weet hoeveel inspanning mij dat kost. Hij zal moeten overwegen of we langs de rivier ontsnappen en dat zal hem ophouden. Hij zal zijn inspanningen moeten verdelen. De mist zal lang genoeg standhouden, zodat hij nooit zeker kan weten of we niet ten minste voor een deel per boot reizen. Ik had in plaats daarvan de mist wat verder in de richting van Baerlon kunnen uit strekken, maar dan had de Draghkar de rivier in enkele uren kunnen bekijken en zou de Myrddraal precies weten waar we heen gingen.’

Thom maakte een puffend geluid en schudde het hoofd. ‘Mijn verontschuldigingen, Moiraine Sedai. Ik hoop dat ik u niet heb beledigd.’

‘Eh, Moi... eh Aes Sedai.’ Mart zweeg en slikte hoorbaar. ‘Het veer... eh... hebt u... ik bedoel... Ik begrijp niet hoe...’ Zijn stem stierf weg en de stilte was zo diep dat het hardste geluid dat Rhand hoorde zijn eigen ademhaling was.

Ten slotte sprak Moiraine en haar scherpe stem vulde de stilte. ‘Jullie willen allemaal verklaringen, maar als ik al mijn daden aan jullie moet uitleggen, zou ik nergens anders tijd voor hebben.’ In het maanlicht leek de Aes Sedai groter te worden en bijna dreigend boven hen uit te rijzen. ‘Weet dit: het is mijn bedoeling jullie veilig naar Tar Valon te brengen. Dat is het enige dat jullie hoeven te weten.’

‘Als we hier blijven staan,’ bracht Lan naar voren, ‘hoeft de Draghkar de rivier niet af te zoeken. Als ik me goed herinner...’ Hij leidde zijn paard verder langs de oever.

De beweging van de zwaardhand leek iets te doorbreken en Rhand haalde diep adem. Hij hoorde anderen herzelfde doen, zelfs Thom, en herinnerde zich een oud spreekwoord: het is beter een wolf in zijn oog te spugen dan een Aes Sedai te dwarsbomen. Toch was de spanning verminderd. Moiraine torende niet meer hoog boven hen uit, ze reikte amper tot zijn schouder.

‘Ik veronderstel dat we met even kunnen rusten,’ zei Perijn hoopvol. Zijn opmerking eindigde in een geeuw. Egwene hing half tegen Bela aan en zuchtte moe.

Rhand realiseerde zich dat die zucht het eerste geluid was dat op een klacht van haar leek. Misschien beseft ze nu dat dit toch geen spannend avontuurtje is. Toen herinnerde hij zich berouwvol dat hij de vorige dag wél had geslapen en zij niet. ‘We hebben rust nodig, Moiraine Sedai,’ zei hij. ‘Tenslotte hebben we de hele nacht doorgereden.’

‘Dan stel ik voor te bekijken wat Lan voor ons heeft,’ zei Moiraine. ‘Kom.’

Ze ging hen voor, verder de oever op, het bos achter de rivier in. Kale takken versterkten de schaduwen. Een goede honderd pas van de Taren kwamen ze bij een donkere heuvel naast een open plek. Hier had een overstroming lang geleden een hele groep bomen om laten vallen. Ze waren samengespoeld tot een groot verward geheel, een ogenschijnlijk stevige massa van stammen, takken en wortels. Moiraine bleef staan en opeens verscheen er een lichtje laag bij de grond, ergens onder de hoop bomen.

Een fakkelstompje werd naar buiten gestoken en Lan kroop de heuvel uit en richtte zich op. ‘Geen ongewenste gasten,’ vertelde hij Moiraine. ‘En het hout dat ik achterliet, is nog droog, dus heb ik een klein vuur aangelegd. We kunnen rusten in de warmte.’

‘U had al verwacht dat we hier zouden stoppen?’ zei Egwene verrast.

‘Dit leek een waarschijnlijke plaats,’ antwoordde Lan. Ik ben graag voorbereid, voor het geval dat.’

Moiraine nam de fakkel van hem over. ‘Kunnen jullie de paarden verzorgen? Als jullie klaar zijn, zal ik zien wat ik aan ieders vermoeidheid kan doen. Maar nu wil ik eerst met Egwene praten. Egwene?’

Rhand zag hoe de twee vrouwen bukten en onder de grote stapel boomstammen kropen. Daar zat een lage opening, amper groot genoeg om doorheen te komen. Het licht van de fakkel verdween. Lan had voedselzakken en een kleine hoeveelheid haver meegenomen, maar hij hield de anderen tegen toen ze hun paarden wilden afzadelen. In plaats daarvan haalde hij de kluisters tevoorschijn die hij ook had ingepakt, ‘zonder zadel zouden ze beter kunnen rusten, maar als we hier snel weg moeten, hebben we misschien geen tijd om ze te zadelen.’

‘Ze zien er niet uit alsof ze rust nodig hebben,’ zei Perijn, terwijl hij een haverzak over de mond van zijn paard probeerde te schuiven. Het dier wierp zijn hoofd omhoog voordat Perijn de banden om kon schuiven. Rhand had ook problemen met Wolk en pas na drie keer lukte het hem de zak over de neus van de grijze te schuiven.

‘Ze hebben wel rust nodig,’ zei Lan. Hij richtte zich op van het kluisteren van zijn hengst. ‘O, ze kunnen nog best draven. Ze zullen zo hard mogelijk draven, als we ze hun gang laten gaan, tot ze van uitputting neervallen, een uitputting die ze nog nooit hebben gevoeld. Ik had liever dat Moiraine Sedai het niet had gedaan, maar het was nodig.’ Hij klopte op de hals van zijn hengst en het paard boog het hoofd, alsof hij de liefkozing van de zwaardhand beantwoordde. ‘We moeten het de komende dagen langzaamaan doen, tot ze hersteld zijn. Langzamer dan ik zou willen. Maar als we geluk hebben, zal het genoeg zijn.’

‘Is dat...’ Mart slikte hoorbaar. ‘Bedoelt ze dat? Over onze moeheid?’ Rhand gaf Wolks nek een klopje en staarde in het niets. Ondanks wat ze voor Tham had gedaan, wilde hij niet dat de Aes Sedai de Kracht op hem gebruikte. Licht, ze heeft vrijwel toegegeven dat ze het veer liet zinken.

‘Zoiets.’ Lan grinnikte droogjes. ‘Maar jullie hoeven niet bang te zijn dat je je dood rent. Tenzij alles veel erger wordt dan het nu is. Zie het maar als een extra nacht slaap.’

De schrille schreeuw van de Draghkar weerkaatste opeens van boven de mistige rivier. Zelfs de paarden verstarden. Het gekrijs klonk opnieuw, dichterbij, en opnieuw, en het boorde als naalden in Rhands schedel. Toen stierven de kreten weg tot ze geheel verdwenen. ‘Gelukkig,’ zuchtte Lan. ‘Hij zoekt de rivier af naar ons.’ Hij haalde snel zijn schouders op en klonk opeens weer koel. ‘Laten we naar binnen gaan. Ik kan wel wat hete thee gebruiken en iets om mijn maag te vullen.’