Выбрать главу

13

Keuzes

Voor ze gingen slapen, ging Moiraine bij iedereen langs; ze knielde neer en legde haar handen op hun hoofd. Lan gromde dat hij er geen behoefte aan had en dat ze haar kracht niet moest verspillen, maar hij deed geen poging haar tegen te houden. Egwene onderging de ervaring gretig, Mart en Perijn waren er duidelijk bang van, maar ook bang om er nee tegen te zeggen. Thom ontweek de handen van de Aes Sedai, maar ze greep zijn grijze hoofd met een blik die geen tegenspraak duldde. De speelman fronste nijdig, maar ze glimlachte spottend toen ze haar handen weghaalde. Hij fronste nog wat nijdiger, maar zag er wel opgefrist uit. Net als de anderen.

Rhand had zich teruggetrokken in een nis, waardoor hij, naar hij hoopte, over het hoofd gezien zou worden. Toen hij eenmaal tegen de houten wirwar van takken aanleunde, vielen zijn ogen zowat dicht, maar hij dwong zich te blijven kijken. Hij drukte een vuist tegen zijn mond om een geeuw te onderdrukken. Een beetje slaap, een uur of twee, en hij zou weer in orde zijn. Maar Moiraine vergat hem niet. Hij kromp ineen toen hij haar koele vingers op zijn gezicht voelde en zei: ‘Ik hoef...’ Zijn ogen sperden zich verwonderd open. De moeheid zakte uit hem weg als water dat heuvelafwaarts stroomt. Pijn en beurse plekken ebden weg tot een vage herinnering en verdwenen. Hij staarde haar met open mond aan. Ze glimlachte slechts en trok haar handen terug.

‘Het is gebeurd,’ zei ze en doordat ze met een vermoeide zucht opstond, werd hij eraan herinnerd dat zij het niet voor zichzelf kon doen. Voordat ze bij het vuur ging liggen, dronk ze inderdaad alleen wat thee en weigerde het brood met kaas dat Lan haar probeerde op te dringen. Ze scheen in slaap te vallen zodra ze haar mantel om zich heen had geslagen.

Behalve Lan vielen alle anderen in slaap waar ze zich maar konden uitstrekken. Rhand kon zich niet voorstellen waarom. Hij had het gevoel dat hij al een hele nacht in een goed bed had doorgebracht.

Zodra hij echter achteroverleunde tegen de houten muur, werd hij door slaap overmand. Toen Lan hem na een uur wakker porde, leek het net of hij drie dagen had gerust.

De zwaardhand maakte iedereen wakker, behalve Moiraine, en hij smoorde streng elk geluid dat haar kon storen. Hij stond hen maar een kort verblijf toe in de beschutte boomgrot. Voor de zon echt boven de bomen uitkwam, waren alle sporen uitgewist en waren ze opgestegen. Ze trokken naar het noorden, naar Baerlon, langzaam rijdend om de paarden te sparen. Er lagen kringen om de ogen van de Aes Sedai, maar ze zat kaarsrecht en stevig in het zadel.

Nog steeds hing er een dikke mist boven de rivier achter hen, een grijze muur die de inspanningen van de zwakke zon weerstond om hem op te lossen en die Tweewater voor hun ogen verborg. Totdat de mistbank uit het zicht verdween, bleef Rhand onder het rijden omkijken, hopend op een laatste blik, al was het maar op Tarenveer.

‘Ik had nooit gedacht dat ik ooit zo ver van huis zou gaan,’ zei hij toen de bomen uiteindelijk zowel de mist als de rivier verborgen. ‘Weten jullie nog dat Wachtheuvel al ver weg leek?’ Dat was twee dagen geleden. Het lijkt wel een eeuwigheid.

‘Over een maand of twee zijn we terug,’ zei Perijn op vermoeide toon. ‘Stel je voor wat we dan allemaal kunnen vertellen.’

‘Zelfs Trolloks kunnen ons niet eeuwig blijven achtervolgen,’ zei Mart. ‘Bloed en as, dat kunnen ze niet.’ Hij ging met een diepe zucht verzitten, maar zat zo ineengezakt in zijn zadel dat hij er blijkbaar zelf geen woord van geloofde.

‘Mannen!’ snoof Egwene. ‘Hebben ze eindelijk het avontuur waar ze altijd over opscheppen, en nu praten ze alweer over naar huis gaan.’

Ze hield het hoofd fier omhoog, maar Rhand hoorde een trilling in haar stem nu Tweewater uit het zicht was verdwenen.

Moiraine en Lan deden geen enkele poging hen gerust te stellen; ze repten er met geen woord over dat ze natuurlijk zouden terugkomen. Rhand dacht maar liever niet na over wat dat inhield. Hoe uitgerust hij ook was, hij zat nog zo vol met twijfels dat hij er niet nog meer wilde oproepen. Voorovergebogen in zijn zadel begon hij te dagdromen over hoe hij samen met Tham de schapen had verzorgd in een weiland met hoog weelderig gras terwijl de leeuweriken de lentemorgen bezongen. En over een uitstapje naar Emondsveld, en over Beltije zoals het was geweest. Het dansen op de Brink, waar de enige zorg was om niet te struikelen over je eigen voeten. Het lukte hem zich er heel lang in te verliezen.

De reis naar Baerlon duurde bijna een week. Lan mopperde over de traagheid van hun reis, maar hij bepaalde zelf de snelheid en dwong de anderen zich eraan te houden. Met zichzelf en zijn hengst Mandarb – hij zei dat het in de Oude Spraak ‘Kling’ betekende – was hij niet zo zuinig. De zwaardhand reed tweemaal zover als zij. Met zijn steeds van kleur veranderende mantel achter hem aan wapperend, galoppeerde hij vooruit om de streek te verkennen, of hij reed terug om hun sporen uit te wissen, ieder die trachtte wat sneller te gaan dan een wandelpas, kreeg echter scherpe vermaningen over de zorg voor hun dieren of snerende opmerkingen over hoe ze het te voet zouden redden als de Trolloks zouden verschijnen. Zelfs Moiraine spaarde hij niet als ze haar witte merrie wat aanspoorde. Aldieb heette de merrie, in de Oude Spraak ‘Westenwind’, de wind van de voorjaarsregens.

De verkenningen van de zwaardhand leverden geen enkel spoor op van een achtervolging of hinderlaag. Hij vertelde alleen Moiraine wat hij zag, fluisterend, zodat hij niet afgeluisterd kon worden, en de Aes Sedai lichtte de anderen in voor zover zij dat nodig vond. In het begin keek Rhand even vaak om als vooruit. Hij was niet de enige. Perijn voelde vaak even aan zijn bijl en Mart reed aanvankelijk met een aangelegde pijl. Maar het land achter hen toonde geen enkel spoor van Trolloks of gestalten in zwarte mantels en de hemel bleef leeg en verstoken van Draghkar. Langzamerhand begon Rhand te denken dat ze misschien echt waren ontsnapt.

Ze konden zich niet echt goed schuilhouden, zelfs niet in de dichtste delen van de bossen. De winter heerste ten noorden van de Taren even streng als in Tweewater. Bosjes dennen, sparren en lederbladbomen, en hier en daar wat kruidhout of laurier lagen verspreid in een woud van kale, grijze takken. Zelfs de vlierbessen droegen geen bladeren. Slechts hier en daar waren groene scheuten zichtbaar in de bruine graslanden die door de wintersneeuw waren platgedrukt. Ook de hier groeiende planten waren voornamelijk brandnetels, ruige distels en stinkkruid. Op de kale bosgrond lagen in de schaduw nog steeds resten sneeuw en onder de lage takken van de naaldbomen lagen sneeuwhopen. Iedereen hield zijn mantel goed dicht, want het schrale zonlicht bood geen enkele warmte en de nachtkou drong diep door. Er vlogen hier nog minder vogels dan in Tweewater; zelfs de raven ontbraken.

Ondanks het kalme tempo was het geen ontspannende rit. De Noorderweg – Rhand bleef hem zo noemen, hoewel hij vermoedde dat die hier, ten noorden van de Taren, anders heette – liep nog steeds bijna recht naar het noorden, maar op aandringen van Lan hielden ze zich niet echt aan de weg. Hun pad slingerde even vaak door het woud als over de verharde zandweg. Als ze een dorp of een boerderij of enig teken van menselijk leven tegenkwamen, maakten ze een om weg om niet gezien te worden, al kwam het heel weinig voor. Afgezien van de weg zag Rhand die hele eerste dag geen bewijs dat er ooit mensen in deze bossen waren geweest. Hij bedacht dat zelfs als hij naar de voet van de Mistbcrgen was getrokken, hij meer menselijke behuizingen zou hebben gezien dan op deze dag.

De eerste boerderij die hij zag – een groot vakwerkhuis met een flinke schuur, met hoge rieten daken en een stenen schoorsteen waaruit een rookpluim kringelde – kwam als een verrassing.

‘Die is niet anders dan bij ons thuis,’ zei Perijn. Hij keek fronsend naar de verre gebouwen, amper zichtbaar tussen de bomen. Er liepen mensen rond op het erf die de reizigers tot dusver niet hadden opgemerkt.

‘Natuurlijk is het anders,’ zei Mart. ‘Maar we zijn nog te veraf om het te zien.’