‘En ik zeg je dat het niks anders is,’ hield Perijn vol.
‘Maar dat moet wel. We zijn per slot van rekening helemaal ten noorden van de Taren.’
‘Stil, jullie,’ gromde Lan. ‘We willen niet gezien worden, weet je nog? Deze kant op.’ Hij wendde zijn paard naar het westen om tussen de bomen rond de boerderij te trekken.
Toen Rhand omkeek leek het hem dat Perijn gelijk had. De boerderij zag er vrijwel hetzelfde uit als de boerderijen rond Emondsveld. Hij zag een kleine jongen water putten en oudere jongens die achter een ijzeren hek schapen hoedden. Er was zelfs een rookschuur voor tobak. Maar Mart had ook gelijk. We zijn ten noorden van de Taren. Het moet anders zijn.
Ze stopten elke keer voordat het donker werd, om een plek te kiezen die schuin afliep voor de waterafvoer en beschut lag tegen de wind, die zelden geheel ging liggen en alleen van richting veranderde. Hun kampvuur was altijd klein en je zag het enkele stappen verder al niet meer. Zodra de thee klaar was, werden de vlammen gedoofd en de sintels begraven.
Bij hun eerste stop begon Lan, voor de zon onder was, de jongens te leren hoe ze met hun wapens moesten omgaan. Hij begon met de boog. Nadat hij Mart op honderd pas drie keer een knoest ter grootte van een mannenhoofd had zien raken in de gegroefde schors van een dode lederbladboom, kwamen de anderen aan de beurt. Perijn deed Marts wapenfeit na en Rhand, die de vlam en de leegte had opgeroepen, die lege kalmte waardoor hij één werd met de boog, of de boog met hem, plantte zijn drie pijlen zo dicht opeen dat de punten elkaar vrijwel raakten. Mart gaf hem een goedkeurende klap op zijn schouder.
‘Als jullie nou allemaal bogen hadden,’ zei de zwaardhand droogjes, ‘en als de Trolloks beloofden niet zo dichtbij te komen dat je de boog niet meer kan gebruiken...’ De grijns op hun gezichten verdween snel.
Lan vervolgde: ‘Maar laat me eens zien wat ik jullie kan leren voor het geval ze wél dichterbij komen.’
Hij liet Perijn zien hoe hij de bijl met het grote blad kon gebruiken. Een bijl heffen tegen een gewapend iemand leek in niets op hout hakken of wild rondzwaaien. Hij gaf de smidsgezel een reeks oefeningen: versperren, opvangen en toeslaan. Rhand moest met zijn zwaard dezelfde soort oefeningen doen. Niet het wilde gespring en de uithalen die Rhand in gedachten had, maar vloeiende bewegingen die in elkaar overliepen. Bijna een dans.
‘De kling bewegen is niet voldoende,’ zei l.an, ‘hoewel sommigen dat denken. Je geest hoort erbij, dat is het voornaamste. Maak je geest leeg, schaapherder. Laat haat en vrees en al het andere gaan. Ban ze uit. Jullie twee, luister ook mee. Je kunt het gebruiken als je met een bijl vecht, met de boog, met een speer of een vechtstok, zelfs met je blote handen.’
Rhand staarde hem aan. ‘De vlam en de leegte,’ zei hij verwonderd, ‘dat bedoelt u toch? Mijn vader heeft me dat geleerd.’
De zwaardhand keek hem met een ondoorgrondelijke blik aan. ‘Houd het zwaard vast zoals ik je heb laten zien, schaapherder. Ik kan een uit de modder getrokken dorpeling niet in één uur veranderen in een zwaardmeester, maar misschien kan ik voorkomen dat hij zijn eigen voet afhakt.’
Rhand zuchtte en hield het zwaard met beide handen rechtop voor zich. Moiraine keek uitdrukkingsloos toe, maar de volgende avond zei ze Lan door te gaan met de lessen.
Het avondeten was altijd hetzelfde als in de middag en ochtend: uitgerezen brood met kaas en gedroogd vlees, behalve dat ze er ’s avonds hete thee bij hadden in plaats van water om het weg te spoelen. En Thom vermaakte hen ’s- avonds. Lan wilde niet dat de speelman op zijn harp of fluit speelde – het was niet nodig het land op te schrikken, zei de zwaardhand – maar Thom jongleerde en vertelde verhalen. Mara en de drie dwaze koningen of een van de honderd geschiedenissen van Anla de Wijze Raadsvrouwe of iets met roem en avontuur zoals De Grote Jacht op de Hoorn, en elk verhaal eindigde goed met een vreugdevolle thuiskomst.
Maar al was het land rond hen vredig, al verscheen er geen Trollok tussen de bomen en geen Draghkar tussen de wolken, voor Rhand leek het of zij er zelf in slaagden de spanning te vergroten, telkens als hij leek te verslappen.
Zoals die ochtend dat Egwene wakker werd en haar vlecht begon uit te kammen.
Rhand keek vanuit zijn ooghoeken toe terwijl hij zijn dekens oprolde. Iedere avond als het vuur werd gedoofd, zocht iedereen zijn dekens op, behalve Egwene en de Aes Sedai. De twee vrouwen gingen altijd op enige afstand zitten en praatten dan een uur of twee, om pas terug te keren als de anderen sliepen. Egwene kamde haar vlecht uit – honderd slagen telde hij – terwijl hij Wolk opzadelde en zijn zadeltassen en dekenrol achter zijn zadel bevestigde. Toen stak ze haar kam weg, zwierde het losse haar over haar schouders en trok de kap van haar mantel op.
Geschrokken vroeg hij: ‘Wat doe je nou?’ Ze keek hem zonder te antwoorden van opzij aan. Het was voor het eerst in twee dagen dat hij iets tegen haar had gezegd, besefte hij, sinds die nacht in de boomgrot aan de oever van de Taren, maar dat weerhield hem niet. ‘Je hele leven heb je gewacht om je haar in een vlecht te dragen en nu geef je dat zomaar op? Waarom? Omdat zij geen vlecht draagt?’
‘Aes Sedai vlechten hun haar niet,’ zei ze enkel. ‘Tenminste niet tenzij ze het willen.’
‘Jij bent geen Aes Sedai. Jij bent Egwene Alveren uit Emondsveld en de vrouwenkring zou een toeval krijgen als ze je nu konden zien.’
‘Bemoei je niet met zaken van de vrouwenkring, Rhand Altor. Ik wórd een Aes Sedai zodra ik in Tar Valon ben.’
Hij snoof. ‘Zodra je in Tar Valon bent. Waarom? Licht, maak me dat eens duidelijk. Jij bent geen Duistervriend.’
‘Dus jij vindt Moiraine Sedai een Duistervriend? Nou?’
Ze plantte zich met gebalde vuisten voor hem en hij dacht bijna dat ze hem zou slaan.
‘Nadat ze het dorp heeft gered? Nadat ze je vader heeft gered?’
‘Ik weet niet wat zij is, maar hoe dan ook, het zegt niets over die anderen. De verhalen...’
‘Word volwassen, Rhand! Vergeet de verhalen en gebruik je ogen.’
‘Mijn ogen zagen dat ze de veerboot liet zinken! Ontken dat maar eens! Als jij eenmaal een idee in je hoofd hebt, geef je geen duimbreed toe, zelfs niet als iemand je erop wijst dat je probeert over water te lopen. Als je niet zo’n door het Licht verblinde dwaas was, zou je inzien...’
‘O, ik ben een dwaas? Laat mij jou enkele dingen duidelijk maken, Rhand Altor! Jij bent de koppigste, grootste schaapskop...!’
‘Proberen jullie iedereen binnen tien span te wekken?’ vroeg de zwaardhand.
Rhand bleef met open mond staan. Hij probeerde nog iets uit te brengen en besefte opeens dat hij had staan schreeuwen. Ze hadden allebei staan schreeuwen.
Egwenes gezicht werd rood tot aan haar haarwortels en ze draaide zich om met een gemompeld ‘Mannen!’ dat zowel voor de zwaardhand als Rhand bedoeld leek.
Behoedzaam keek Rhand het kamp rond. Iedereen keek naar hem, niet alleen de zwaardhand. Mart en Perijn, met witte gezichten. Thom, gespannen, alsof hij klaarstond om weg te hollen of te vechten. En Moiraine. Het gezicht van de Aes Sedai was uitdrukkingsloos, maar haar ogen leken zich in de zijne te boren. Wanhopig probeerde hij zich te herinneren wat hij had gezegd over Aes Sedai en Duistervrienden.
‘Tijd om te vertrekken,’ zei Moiraine. Ze wendde zich naar Aldieb en Rhand huiverde alsof hij uit een val was ontsnapt. Hij vroeg zich af of het waar was.
Twee nachten later, bij een laag vlammend vuur, zei Mart terwijl hij de laatste kruimels kaas van zijn vingers likte: ‘Weet je, ik denk dat we ze voorgoed hebben afgeschud.’ Lan was in de nacht verdwenen voor een laatste wachtronde. Moiraine en Egwene hadden zich afgezonderd voor een van hun gesprekken. Thom zat half te doezelen met zijn pijp en de jongens hadden het vuur voor hen alleen. Perijn zat doelloos met een takje in het opgebrande hout te porren en antwoordde: ‘Als we ze kwijt zijn, waarom blijft Lan dan op verkenning uit gaan?’ Rhand draaide, bijna in slaap, zijn rug naar het vuur.