Выбрать главу

‘We zijn ze daarginds bij Tarenveer kwijtgeraakt.’ Mart lag op zijn rug met ineengevouwen handen onder zijn hoofd naar de door de maan verlichte hemel te staren. ‘Als ze ons tenminste echt achtervolgden.’ ‘jij denkt dat de Draghkar op ons joeg omdat hij ons aardig vond?’ vroeg Perijn.

‘Ik zeg: laten we ons geen zorgen meer maken over Trolloks en zo,’ ging Mart verder alsof Perijn niets had gezegd, ‘en laten we eens bedenken wat we van de wereld kunnen zien. We zijn op de plaatsen waar de verhalen vandaan komen. Hoe zou een echte stad eruitzien?’

‘We gaan naar Baerlon,’ zei Rhand slaperig, maar Mart snoof. ‘Baerlon is best, maar ik heb die oude kaart van meester Alveren gezien. Als we vanuit Caemlin naar het zuiden afbuigen, leidt de weg helemaal naar lllian en nog verder.’

‘Wat is er zo bijzonder aan lllian?’ vroeg Perijn gapend.

‘Ten eerste,’ gaf Mart terug, ‘zit lllian niet vol Aes...’

Er viel een stilte en Rhand was opeens klaarwakker. Moiraine was vroeg terug. Egwene stond naast haar, maar het was de Aes Sedai, staande aan de rand van de lichteirkel, die hun aandacht vasthield. Mart lag nog op zijn rug en staarde haar met open mond aan. Moiraines ogen vingen het licht van het vuur als donkere, glanzende stenen. Opeens vroeg Rhand zich af hoe lang ze er al had gestaan.

‘De jongens waren net...’ begon Thom, maar Moiraine praatte er gewoon overheen.

‘Enkele dagen rust en jullie willen er al mee ophouden.’ Haar kalme, vlakke stem vormde een scherpe tegenstelling met haar ogen. Een dag of twee rust en jullie zijn Winternacht al vergeten.’

‘We zijn het niet vergeten,’ zei Perijn. ‘Alleen...’ De Aes Sedai verhief nog steeds haar stem niet, maar onderbrak hem abrupt, zoals ze de speelman tot zwijgen had gebracht: ‘Voelen jullie het allemaal zo? Jullie willen met alle geweld weglopen naar lllian en alles over de Trolloks, Halfmannen en Draghkar vergeten?’

Ze liet haar ogen over de jongens glijden – die stenen glinstering, gevoegd bij die alledaagse toon in haar stem, maakte Rhand nog ongeruster – maar ze gaf niemand de kans iets te zeggen. ‘De Duistere is op jullie uit, op een van jullie of op alledrie, en als ik jullie zomaar ergens heen laat gaan, zal hij je te pakken nemen. Wat de Duistere ook wil, ik zal het bestrijden, dus luister goed en weet dat het waar is: voor ik jullie aan de Duistere gun, zal ik jullie zelf vernietigen.’

Het was haar stem, die zo gewoon klonk, die Rhand overtuigde. De Aes Sedai zou precies doen wat ze zei, als ze dacht dat het nodig was. Het kostte hem die nacht veel moeite om in slaap te komen en hij was niet de enige. Zelfs het gesnurk van de speelman klonk pas heel lang na het uitdoven van de laatste gloed. Deze keer bood Moiraine geen hulp aan.

Die nachtelijke gesprekken tussen Egwene en de Aes Sedai werden een teer punt voor Rhand. Telkens als ze in de duisternis verdwenen en zich van de anderen afzonderden om alleen te zijn, vroeg hij zich af wat ze zeiden en wat ze deden. Wat spookte de Aes Sedai uit met Egwene?

Op een nacht wachtte hij tot de anderen waren gaan liggen en Thom lag te snurken als een zaag die zich in een eiken knoest beet. Hij glipte weg met zijn deken om zich heen geklemd. Gebruikmakend van elke handigheid die hij bij het jagen op konijnen had opgedaan, schoof hij door de maanschaduwen tot hij in elkaar gedoken bij de voet van een hoge lederbladboom zat, vol met taaie, brede bladeren, en voldoende dichtbij om Moiraine en Egwene te horen, die daar op een omgevallen stam zaten met een kleine lantaarn.

‘Vraag,’ zei Moiraine, ‘en als ik het nu kan vertellen, zal ik dat doen. Begrijp wel dat er nog veel is waar je niet klaar voor bent, dingen die je niet kunt leren tot je andere zaken kent, die weer iets anders nodig hebben dat je eerst moet leren. Maar vraag wat je wilt.’

‘De Vijf Krachten,’ zei Egwene langzaam. ‘Aarde, Wind, Vuur, Water en Geest. Het lijkt niet eerlijk dat mannen het sterkste waren in het leiden van Aarde en Vuur. Waarom hebben zij de sterkste Krachten gekregen?’

Moiraine lachte. ‘Denk je dat, kind? Is er een rots zo hard dat wind en water hem niet kunnen slijten, een vuur zo sterk dat water het niet kan blussen of wind het niet kan uitblazen?’

Egwene zat even zwijgend met haar teen in de bosgrond te porren. ‘Zij... zij waren degenen die... die hebben geprobeerd de Duistere en de Verzakers te bevrijden, niet? De mannelijke Aes Sedai?’ Ze haalde diep adem en praatte snel door. ‘De vrouwen hadden er niets mee te maken. Het waren de mannen die gek werden en de wereld braken.’

‘Je bent bang,’ zei Moiraine grimmig. ‘Als je in Emondsveld was gebleven, zou je later Wijsheid zijn geworden. Dat was Nynaeves plan, niet? Of dan zou je in de vrouwenkring hebben gezeten en de zaken van Emondsveld hebben geregeld, terwijl de mannen van de dorpsraad dachten dat zij het deden. Maar jij hebt het ondenkbare gedaan. Je hebt Emondsveld verlaten. Tweewater verlaten, het avontuur gezocht. Je wilde het doen en tegelijkertijd ben je er bang voor. En koppig vecht je nu tegen die angst voordat die het van jou wint. Anders zou je mij niet hebben gevraagd hoe een vrouw een Aes Sedai wordt. Anders zou je de gewoonten en gebruiken van jouw dorp niet overboord hebben gegooid.’

‘Nee,’ protesteerde Egwene. ‘Ik ben niet bang. Ik wil echt een Aes Sedai worden.’

‘Voor jou zou het beter zijn als je bang was, maar ik hoop dat je je aan die overtuiging vastklampt. Weinig vrouwen hebben dezer dagen de vaardigheid om ingewijden te worden, en nog minder willen dat.’ Moiraines stem klonk of ze hardop zat te denken. ‘En zeker nooit twee in één dorp. Het oude bloed is inderdaad nog sterk in Twee water.’

In de schaduw bewoog Rhand. Een twijgie knapte onder zijn voet. Hij verstarde meteen, hield zwetend zijn adem in, maar geen van beide vrouwen keek op.

‘Twee?’ riep Egwene. ‘Wie nog meer.’ Is het Kari? Kari Tan? Lara Ayellin?’

Moiraine klakte geïrriteerd met haar tong en zei toen streng: ‘Vergeet wat ik zei. Haar pad is anders, ben ik bang. Houd je met je eigen zaken bezig. Het is geen gemakkelijk pad dat je hebt gekozen.’

‘Ik geef het niet op,’ zei Egwene.

‘Dat kan zijn. Maar je wilt nog steeds zekerheid hebben en die kan ik je niet geven, niet zoals jij die wilt.’

‘Ik begrijp liet niet.’

‘Jij wilt horen dat Aes Sedai goed en zuiver zijn, dat het die verdorven mannen uit de legenden zijn die het Breken van de Wereld veroorzaakten, niet de vrouwen. Nou, het waren de mannen, maar ze waren niet slechter dan andere mannen. Ze waren krankzinnig, niet slecht. De Aes Sedai die je in Tar Valon zult aantreffen, zijn mensen; niet anders dan elke andere vrouw, uitgezonderd de gave die ons bijzonder maakt. Ze zijn dapper en laf, sterk en zwak, vriendelijk en wreed, hartelijk en koud. Aes Sedai worden zal niet veranderen wat je bent.’

Egwene haalde diep adem. ‘Ik denk dat ik daar bang voor was, dat ik door de Kracht zou veranderen. Daarvoor en voor de Trolloks. En de Schim. En... Moiraine Sedai, in de naam van het Licht, waarom kwamen de Trolloks naar Emondsveld?’

De Aes Sedai draaide haar hoofd en ze keek recht naar Rhands schuilplaats. De adem stokte in zijn keel; haar ogen waren even hard als toen ze hen had bedreigd en hij had het gevoel dat ze door de dikke takken van de lederbladboom heen kon kijken. Licht, wat zal ze doen als ze merkt dat ik haar afluister?

Hij probeerde met de diepere schaduwen te versmelten. Terwijl zijn ogen op de vrouwen gericht bleven, haakte zijn voet achter een wortel. Hij kon nog net voorkomen dat hij in het dode struikgewas viel, wat hem meteen verraden zou hebben, want al die dode takken zouden als vuurwerk geknald hebben. Hijgend kroop hij op handen en voeten weg en hield zich met veel geluk en met alle mogelijke moeite zo stil mogelijk. Zijn hart klopte zo luid dat hij dacht zichzelf te verraden. Dwaas! Een Aes Sedai afluisteren!

Toen hij terug was bij de anderen, slaagde hij erin stil tussen hen in te glijden. Lan bewoog toen hij zich op de grond liet zakken en zijn deken optrok, de zwaardhand zocht met een zucht een betere houding. Hij had zich alleen maar omgedraaid in zijn slaap. Rhand liet zijn adem lang en zachtjes ontsnappen.