Выбрать главу

Even later verscheen Moiraine uit de nacht; ze bleef staan en bekeek de sluimerende vormen aandachtig. Maanlicht vormde een stralenkrans om haar heen. Rhand sloot zijn ogen en ademde gelijkmatig. Hij bleef ingespannen luisteren naar naderende voetstappen. Niets. Toen hij zijn ogen weer opendeed, was ze verdwenen.

Toen de slaap eindelijk kwam, was die onrustig en vol dromen waarin alle mannen in Emondsveld beweerden dat ze de Herrezen Draak waren en alle vrouwen net als Moiraine een blauwe steen in het haar droegen. Daarna probeerde hij nooit meer om Moiraine en Egwene af te luisteren.

De zesde dag van de trage reis brak aan. De bleke zon rees langzaam naar de boomtoppen, terwijl een handvol dunne hoge wolken naar het noorden dreef. De wind woei even iets harder en Rhand trok zijn mantel dichter om zich heen terwijl hij in zichzelf mopperde. Hij vroeg zich af of zij ooit in Baerlon zouden aankomen. De afstand die ze vanaf de rivier hadden gereisd, was al groter dan van Tarenveer naar de Witte Rivier, maar Lan zei dat het maar een kort stuk was telkens wanneer het hem werd gevraagd; nauwelijks een reis te noemen. Rhand voelde zich verloren.

Voor hen verscheen Lan uit het bos, teruggekeerd van een van zijn verkenningstochten. Hij trok de teugels aan en reed verder naast Moiraine, zijn hoofd naar haar toe gebogen.

Rhand vertrok zijn gezicht, maar stelde geen vragen. Lan weigerde gewoon te luisteren naar dat soort vragen.

Van de anderen leek alleen Egwene Lans terugkeer te hebben opgemerkt, zo gewend waren ze intussen aan deze regeling, maar ook zij hield zich in. De Aes Sedai mocht dan wel doen alsof Egwene de Emondsvelders leidde, maar dat betekende niet dat ze iets te zeggen had als de zwaardhand zijn verslag deed. Perijn droeg nu Marts boog en hij was gehuld in een nadenkend stilzwijgen, een stilzwijgen dat hen allen meer en meer overviel naarmate ze verder van Tweewater wegtrokken. Het langzame tempo van de paarden gaf Mart de kans met drie kleine stenen te jongleren terwijl Thom Merrilin aandachtig toekeek. Ook de speelman had hun iedere avond lessen gegeven, net als Lan.

Lan was klaar met wat hij Moiraine te zeggen had en ze draaide zich om in haar zadel om de anderen aan te kunnen kijken. Rhand probeerde niet re verstarren toen haar ogen langs hem heen gleden. Bleven ze wat langer op hem rusten dan op de anderen? Hij had het enge gevoel dat ze wist wie er die nacht in het donker had staan luisteren.

‘He, Rhand,’ riep Mart. ‘Ik kan het nu met vier!’ Rhand wuifde als antwoord zonder op te kijken, ‘ik zei je dat ik het eerder met vier zou kunnen dan jij. Ik... Kijk nou eens!’

Ze waren over een lage heuvel gekomen en aan hun voeten lag Baerlon, ongeveer een span achter de zwarte bomen en de langer wordende avondschaduwen. Rhand snakte naar adem en probeerde tegelijk te grijnzen en zijn mond niet open te laten vallen.

Een houten muur van bijna twintig voet omringde de stad, met op regelmatige afstand een wachttoren. Daarbinnen glinsterden dakpannen en leistenen daken in de ondergaande zon en stegen rookpluimen uit de schoorstenen op. Honderden schoorstenen. Er was geen rietdak te zien. Een brede weg liep uit de stad naar het oosten en een andere naar het westen, elk met minstens tien wagens en tweemaal zoveel ossenkarren die naar de palissade trokken. Verspreid rond de stad lagen boerderijen, de meeste in het noorden en slechts een paar bij het bos in het zuiden, maar wat Rhand betrof hadden die net zo goed niet hoeven bestaan. Het is groter dan Emondsveld, Wachtheuvel en Devenrtt, en misschien ook Tarenveer samen!

‘Dus dat is een stad,’ zuchtte Mart en hij boog zich over de paardenhals naar voren om te kijken.

Perijn kon slechts zijn hoofd schudden. ‘Hoe kunnen zoveel mensen op een plek bij elkaar wonen?’

Egwene zat slechts stil te staren.

Thom Merrilin wierp een blik op Mart, keek wanhopig en blies zijn snorpunten weg. ‘Stad!’ snoof hij.

‘En jij, Rhand?’ vroeg Moiraine, ‘wat denk jij nu je Baerlon voor het eerst ziet?’

‘Ik denk dat we ver van huis zijn,’ zei hij langzaam, wat een scherpe lach aan Mart ontlokte.

‘Je zult nog verder moeten gaan,’ zei Moiraine. ‘Veel verder. Maar een andere keus is er niet, behalve te vluchten, je te verbergen en opnieuw te vluchten voor de rest van je leven. Houd dat in gedachten als de reis moeilijk wordt. Je hebt geen keus.’

Rhand wisselde blikken uit met Mart en Perijn. Hij kon aan hun gezicht zien dat ze hetzelfde dachten. Hoe kon ze doen of ze nog een keus hadden na wat ze had gezegd? De Aes Sedai heeft voor ons gekozen.

Moiraine ging verder alsof hun gezichten geen boekdelen spraken. ‘Hier begint het gevaar weer. Let op je woorden binnen die muren. Praat vooral niet over Trolloks, Halfmannen of iets dergelijks. Je mag zelfs niet eens denken aan de Duistere. Sommigen in Baerlon zullen zelfs nog minder liefde koesteren voor Aes Sedai dan de mensen van Emondsveld en mogelijk zijn er zelfs Duistervrienden.’ Egwene snakte naar adem en Perijn mompelde iets binnensmonds. Marts gezicht verbleekte, maar Moiraine vervolgde kalm: ‘We moeten zo weinig mogelijk de aandacht trekken.’ Lan verruilde zijn mantel met de veranderende groen- en grijstinten voor een donkerbruine, gewonere mantel, al was die mooi gesneden en geweven. Zijn veranderende mantel vormde nu een grote bult in een zadeltas. ‘We gebruiken hier niet onze eigen namen,’ ging Moiraine verder, ‘ik sta hier bekend als Alys en Lan is Andra. Onthoud dat goed. Laten we de poort binnengaan voor de nacht valt. Van zonsondergang tot zonsopgang zijn de poorten van Baerlon dicht.’

Lan ging voorop, de heuvel af en door het bos naar de houten palissade. De weg liep langs een zestal boerderijen – geen ervan lag dichtbij, en de mensen die er werkten, leken de reizigers niet op te merken – en eindigde bij een stevige houten poort die met brede banden van zwart ijzer was versterkt. Ze zat potdicht, al was de zon nog niet helemaal onder.

Lan reed tot vlak bij de muur en gat een ruk aan een gerafeld touw dat naast de poort hing. Aan de andere kant van de houten stammen hoorden ze een bel klingelen. Ineens verscheen er een verschrompeld gezicht onder een verfomfaaide muts boven op de omheining. Het tuurde omlaag tussen de afgehakte punten van de stammen, zo’n drie pas boven hun hoofd.

‘Wat moet dat allemaal hé? Het is te laat op de dag om de poort te openen. Te laat, zeg ik. Rij maar om naar de Wittebrugpoort, als je nog...’ Moiraines merrie stapte naar een plek waar de man boven de palissade haar beter kon zien. Zijn rimpels verdiepten zich tot een glimlach rond een gebit vol gaten en hij leek heen en weer geslingerd te worden tussen praten en zijn plicht doen. ‘Ik wist niet dat u het was, vrouwe. Wacht, ik kom meteen beneden. Wacht maar. Ik kom. Ik kom eraan!’

Het hoofd verdween, maar Rhand kon nog steeds gedempt geroep horen dat ze moesten wachten en dat hij eraan kwam. Met een geweldig gekraak zwaaide de duidelijk weinig gebruikte rechterpoort langzaam naar buiten en bleef net ver genoeg openstaan om één paard tegelijk door te laten. De poortwachter stak zijn hoofd in het gat, flitste weer zijn half tandeloze glimlach en sprong uit de weg. Moiraine volgde Lan, met Egwene vlak achter haar.

Rhand liet Wolk achter Bela aan stappen en zag dat hij was terechtgekomen in een smalle straat, omzoomd door lange houten schuttingen en pakhuizen, hoog, zonder vensters en met stevig afgesloten deuren. Moiraine en Lan stonden te praten met de rimpelige poortwachter, dus steeg Rhand ook af.

De kleine man droeg een vaak verstelde mantel en jas, hield zijn muts in de hand gefrommeld en knikte telkens als hij praatte. Hij gluurde naar de anderen die achter Lan en Moiraine afstapten en schudde zijn hoofd. ‘Dorpsvolk.’ Hij grinnikte. ‘Nee maar, vrouw Alys, gaat u boeren met stro in het haar verzamelen?’ Toen viel zijn blik op Thom Merrilin. ‘Jij bent geen schapenboer. Ik weet nog dat ik je enkele dagen geleden doorliet, ja, inderdaad. Ze hielden niet van je speeltjes, hè, speelman?’