‘Ik hoop dat je weet dat je moest vergeten dat je ons een poosje geleden hebt doorgelaten, baas Avin,’ zei Lan, die een munt in de vrije hand van de man drukte. ‘En ook dat je ons nu weer binnenlaat.’
‘Dat hoeft niet, meester Andra. Dat is niet nodig. U hebt me genoeg gegeven toen u de stad verliet. Meer dan genoeg.’ Desondanks liet Avin de munt even handig verdwijnen als een speelman. ‘Heb het niemand verteld, en zal dat ook niet doen. Zeker niet aan die Witmantels,’ besloot hij met een snauw. Hij tuitte zijn lippen om te spugen, gluurde even naar Moiraine en slikte het toch maar door.
Rhand knipperde met zijn ogen, maar bleef zwijgen. De anderen deden hetzelfde, hoewel het Mart veel moeite leek te kosten. Kinderen van het Licht, dacht Rhand verwonderd. Verhalen over de Kinderen, verteld door kramers en kooplui en hun lijfwachten, liepen uiteen van bewondering tot haat, maar allen waren het erover eens dat de Kinderen uit Amador de Aes Sedai evenzeer haatten als ze Duistervrienden haatten. Hij vroeg zich af of dit nog meer ellende betekende.
‘Zijn er Kinderen in Baerlon?’ wilde Lan weren.
‘Nou en of.’ De poortwachter bleef maar knikken. ‘Kwamen dezelfde dag dat u wegging, als ik het me goed herinner. D’r is hier niemand die ze mag. Meesten laten ’t niet merken, natuurlijk.’
‘Hebben ze gezegd waarom ze hier zijn?’ vroeg Moiraine gespannen.
‘Waarom ze hier zijn, vrouwe?’ Avin was zo verrast dat hij vergat te knikken. ‘Natuurlijk zeiden ze waarom... O, dat ben ik vergeten, u bent het land in geweest. Waarschijnlijk hebt u alleen maar schapen horen blaten. Ze zeggen dat ze hier zijn om wat er aan de hand is in Geldan. De Draak, weet u, eh, de man die zich de Draak noemt. Ze zeggen dat die kerel het kwaad oproept — dat geloof ik wel – en ze zijn hier om het uit te roeien, maarre... hij zit daarginds in Geldan, niet hier. Gewoon een smoes om hun neus in andermans zaken te steken, denk ik. Op sommige voordeuren is al een Drakentand gezet.’ Deze keer spuugde hij wel.
‘Hebben ze dan al grote moeilijkheden veroorzaakt?’ vroeg Lan, maar Avin schudde heftig van nee.
‘Niet dat ze niet zouden willen, denk ik, maar de landvoogd vertrouwt ze net zomin als ik. Hij wil er niet meer dan een stuk of tien binnen de muur hebben en daar zijn ze me toch kwaad over. De rest heeft een kamp even verder naar het noorden, hoor ik. Maar ze zorgen er wel voor dat de boeren iedereen achterdochtig aankijken. Die luitjes die hier binnenkomen, stappen alleen maar rond in die witte mantels en trekken hun neus op voor eerlijk volk. Wandel in het Licht, zeggen ze. Het lijkt wel een bevel. Meer dan eens bijna ’n vechtpartij gehad met de wagenrijders, de mijnwerkers en smelters en zo, zelfs met de wacht, maar de landvoogd wil het allemaal vredig houden en dat is het tot nog toe wel geweest. Als ze op het kwaad jagen, zeg ik maar, waarom zitten ze dan niet in Saldea? Er zijn daar problemen, heb ik gehoord. Of in Geldan? Daar is een grote veldslag geweest, zeggen ze. Echt groot.’
Moiraine zuchtte zacht, ‘ik heb gehoord dat er Aes Sedai naar Geldan gingen.’
‘Hebben ze gedaan, vrouwe,’ Avins hoofd begon weer te knikken. ‘Ze zijn inderdaad naar Geldan gegaan en daarmee begon die strijd, naar ik gehoord heb. Ze zeggen dat er een paar Aes Sedai gedood zijn. Misschien wel allemaal. Ik weet dat sommige luitjes niets op hebben met Aes Sedai, maar ik zeg: wie moet er anders een valse Draak tegenhouden? Nou? En die verdoemde dwazen die maar denken dat ze Aes Sedai-mannen of zoiets zijn. Hoe zit het daarmee? Natuurlijk, sommigen beweren – niet de Witmantels, let wel, en niet ik, maar sommige luitjes – dat die kerel misschien echt de Herrezen Draak is. Ik hoor dat-ie dingen kan. De Ene Kracht gebruiken. D’r zijn er duizenden die hem volgen.’
‘Wees geen dwaas,’ snauwde Lan en Avins gezicht vertrok pijnlijk, ‘ik zeg toch alleen maar wat ik gehoord heb? Alleen wat ik gehoord heb, meester Andra. Ze zeggen, sommigen zeggen, dat hij zijn leger naar het oosten en zuiden voert, naar Tyr.’ Zijn stem werd veelzeggend. ‘Ze zeggen dat hij zijn soldaten het Volk van de Draak heeft genoemd.’
‘Namen zeggen weinig,’ zei Moiraine kalm. Mocht er iets zijn geweest wat haar ongerust maakte, dan liet ze daar uiterlijk niets van merken. ‘Je kunt je muildier Volk van de Draak noemen, als je wilt.’
‘Denk van niet, vrouw Alys,’ grinnikte Avin. ‘Niet met de Witmantels in de buurt, echt niet. Ik denk ook niet dat iemand anders zo’n soort naam aardig zou vinden. Ik begrijp wat u bedoelt, maar... o nee, vrouwe. Niet mijn muilezel.’
‘Ongetwijfeld een wijze beslissing,’ zei Moiraine. ‘Kom, we moeten verder.’
‘En maakt u zich geen zorgen, vrouwe,’ zei Avin met een diepe hoofdknik, ‘ik heb niemand gezien.’ Hij sprong naar de poort en begon die met snelle rukken dicht te trekken. ‘Heb niemand gezien en heb niets gezien.’ De poort klapte dicht en hij trok met een touw de sluitbalk omlaag. ‘Feitelijk, vrouwe, is deze poort in geen dagen open geweest.’
‘Het Licht schijne op je, Avin,’ zei Moiraine.
Ze liep de straat in en ging hen voor. Rhand keek eenmaal om en zag dat Avin nog steeds voor de poort stond. Hij leek grinnikend een munt op te poetsen met een puntje van zijn mantel.
De weg voerde door smerige straten, amper twee wagens breed en zonder mensen, langs pakhuizen en langs een hoge houten schutting.
Rhand liep een tijdlang naast de speelman. ‘Thom, wat is dat allemaal over Tyr en het Volk van de Draak? Tyr is toch een stad diep in het zuiden, aan de Zee der Stormen?’
‘De Karaethon reeks.’ zei Thom.
Rhand knipperde met zijn ogen. De voorspellingen van de Draak. ‘Niemand vertelt de... die verhalen in Tweewater. Niet in Edmondsveld in ieder geval. De Wijsheid zou ze levend villen, wed ik.’
‘Zij wel, lijkt me’ zei Thom droogjes. Hij wierp een snelle blik op Moiraine, die vooraan liep met Lan, zag dat ze hem niet kon horen en ging verder. ‘Tyr is de grootste haven aan de Zee der Stormen en de Steen van Tyr is de vesting die de haven bewaakt. Men zegt dat de Steen de eerste vesting is die na het Breken van de Wereld is gebouwd en in al die jaren is hij nooit gevallen, hoewel verschillende legers het hebben geprobeerd. Een van de voorspellingen luidt dat de Steen van Tyr nooit zal vallen tot het Volk van de Draak naar de Steen komt. Een andere voorspelling zegt dat de Steen van Tyr nooit zal vallen tot het Onberoerbare Zwaard zal worden geheven door de hand van de Draak.’ Thom maakte een grimas. ‘De val van de Steen zal een van de beste bewijzen zijn dat de Draak is herrezen. Moge de Steen staan tot ik stof ben.’
‘Het zwaard dat niet kan worden aangeraakt?’
‘Zo staat het geschreven. Ik weet niet of het echt een zwaard is. Maar wat het ook is, het ligt in het Hart van de Steen, de binnenste veste van de burcht. Alleen de hoogheren van Tyr mogen er naar binnen en ze praten nooit over wat daar ligt. Zeker niet tegen een speelman.’
Rhand fronste. ‘De Steen kan niet vallen tot de Draak het zwaard heft, maar hoe kan hij dat, tenzij de Steen al gevallen is? Neemt men aan dat de Draak een hoogheer van Tyr is?’
‘Daar is weinig kans op,’ zei de speelman droogjes. ‘Tyr haat alles wat met de Ene Kracht te maken heeft, nog meer dan Amador. En Amador is het bolwerk van de Kinderen van het Licht.’
‘Hoe kan de voorspelling dan vervuld worden?’ vroeg Rhand. ‘Ik zou het best vinden als de Draak nooit herrijst, maar een voorspelling die niet vervuld kan worden, vind ik onzin. Het klinkt als een verhaaltje dat bedoeld is om mensen te laten denken dat de Draak nooit zal herrijzen. Ja toch?’
‘Je stelt verschrikkelijk veel vragen, jongen,’ zei Thom. ‘Een voorspelling die gemakkelijk vervuld wordt, is eigenlijk niet veel waard, vind je niet?’ Opeens klaarde zijn stem op. ‘Nou we zijn er. Waar dat ook mag zijn.’
Lan was blijven staan voor een manshoge schutting die precies hetzelfde was als alle andere schuttingen waar ze langsgekomen waren. Hij porde met het lemmet van zijn dolk tussen twee planken, gromde toen tevreden en drukte. Een deel van de schutting zwaaide als een poort naar buiten. Feitelijk was het een poort, zag Rhand, een die eigenlijk alleen van binnen kon worden geopend. De metalen klink die Lan met zijn dolk had opgetild, liet dat zien.