Выбрать главу

Moiraine stapte meteen naar binnen en trok Aldieb achter zich aan. Lan gebaarde de anderen te volgen en sloot de rij, waarna hij de poort achter zich dichtdeed.

Aan de andere kant van de schutting was het erf van een herberg. Een luid gerammel en gekletter klonk uit de keuken van het gebouw, maar wat hem trof, was dat alles zo groot was. Het erf was tweemaal zo groot als dat van Herberg De Wijnbron, en het huis zelf was drie verdiepingen hoog. Meer dan de helft van de vensters was in de invallende schemering verlicht. Hij was verbaasd dat deze stad zoveel vreemdelingen kon herbergen.

Ze waren amper het erf opgekomen of drie mannen met vuile voorschoten verschenen onder de brede poortboog van de enorme stal. Een ervan, een magere kerel, de enige zonder mestvork in zijn handen, kwam wild zwaaiend op hen af.

‘Hé! Hé! Je kan hier niet naar binnen! Omlopen naar de voorkant!’ Lans hand ging weer naar zijn beurs, maar op dat ogenblik haastte een andere man, even omvangrijk als meester Alveren, zich de herberg uit. Toefjes haar piekten boven zijn oren uit en zijn sneeuwwitte schort gaf even duidelijk als een uithangbord aan dat hij de herbergier was.

‘In orde, Mut,’ zei de dikke man. ‘Het is in orde. Deze mensen worden verwacht. Zorg maar voor hun paarden en zorg er goed voor.’

Mut tikte nors met zijn knokkels tegen zijn voorhoofd en gebaarde toen zijn twee makkers hem te helpen. Rhand en de anderen maakten snel hun zadeltassen en dekenrollen los, terwijl de herbergier zich tot Moiraine richtte. Hij maakte een diepe buiging en toonde een oprechte glimlach.

‘Welkom, vrouw Alys. Welkom. Het is goed u weer te zien, zowel u als meester Andra. Heel goed. Uw aangename gesprekken werden gemist. Ja, inderdaad. Ik moet zeggen dat ik bezorgd was, toen ik hoorde dat u het land in trok en zo. Nou ja, ik bedoel in tijden als deze, nu het weer zo vreemd is en wolven ’s nachts aan de poorten huilen...’ Opeens sloeg hij met beide handen op zijn ronde buik en schudde zijn hoofd. ‘Hoor mij nou, sta ik hier maar te kletsen en laat u niet eens binnen. Kom. Kom. Een warme maaltijd en een warm bed, daar zult u naar verlangen en de beste van Baerlon zijn hier te vinden. De allerbeste.’

‘En een heet bad, naar ik aanneem, baas Fits?’ vroeg Moiraine en Egwene viel haar vurig bij: ‘O ja!’

‘Een bad?’ zei de herbergier. ‘Natuurlijk, het beste en heetste in Baerlon. Kom binnen. Welkom in De Bok en Leeuw. Welkom in Baerlon.’

14

De Bok en Leeuw

Binnen was de herberg even druk als de buiten opgevangen geluiden deden vermoeden, drukker nog. De Edmondsvelders volgden baas Fits door de achterdeur naar binnen, waar ze zich door een voortdurende stroom mannen en vrouwen in lange schorten heen moesten dringen, die schalen voedsel en dienbladen met drankjes boven hun hoofd hielden. Het personeel mompelde snel een verontschuldiging als het in de weg liep, maar bleef geen ogenblik staan. Een van de mannen nam haastig de orders van baas Fits op en verdween op een holletje.

‘Ik ben bang dat de herberg bijna vol is,’ zei de herbergier tegen Moiraine. ‘Bijna tot de nok. In iedere herberg in de stad is ’t hetzelfde. Met zo’n winter als we net hadden... tja, zodra de weg vrij was, konden ze uit de bergen komen en toen werden we overstroomd – ja dat is het woord – overstroomd door de mannen van de mijnen en ovens, die allemaal de verschrikkelijkste verhalen vertelden. Wolven, en nog erger. Het soort verhalen dat mannen vertellen als ze de hele winter opgesloten hebben gezeten. Ik kan me niet voorstellen dat er nog iemand daarboven zit, zoveel hebben we er nu hier. Maar wees niet bang. Het mag dan wat vol zijn, maar ik zal mijn best doen voor u en meester Andra. En ook voor uw vrienden natuurlijk.’ Hij wierp een nieuwsgierige blik op Rhand en de anderen. Afgezien van Thom verried hun kledij dat ze boeren waren en de speelmansmantel van Thom maakte hem ook een merkwaardige reisgezel voor ‘vrouw Alys’ en ‘meester Andra’. ‘Ik zal mijn best doen, daar kunt u zeker van zijn.’

Rhand staarde naar de drukte om hen heen en probeerde een botsing met de keukenhulpen te voorkomen, al leek het gevaar wel mee te vallen. Hij moest telkens aan meester Alveren en zijn vrouw denken, die De Wijnbron leidden met soms wat hulp van hun dochters. Mart en Perijn rekten belangstellend hun hals naar de gelagkamer, waaruit telkens een golf van gelach, gezang en joviaal geschreeuw opklonk wanneer de brede deur aan het einde van de gang open zwaaide. De zwaardhand mompelde iets over nieuwtjes beluisteren en verdween door de zwaaideur, waar hij in een golf van vrolijkheid werd opgenomen.

Rhand wilde hem eigenlijk wel volgen, maar had liever eerst een bad. Hij verlangde naar gezelschap en gelach, maar wilde iedereen wel schoon onder ogen komen. Mart en Perijn voelden blijkbaar hetzelfde; Mart stond zich voortdurend te krabben.

‘Baas Fits,’ zei Moiraine. ‘Ik heb begrepen dat er Kinderen van het Licht in Baerlon zijn. Kunnen er moeilijkheden komen?’

‘O, maakt u zich daarover maar geen zorgen, vrouw Alys. Ze halen weer hun gewone streken uit. Beweren dat er een Aes Sedai in de stad is.’ Moiraine trok een wenkbrauw op en de herbergier stak zijn dikke handen op. ‘Maakt u zich geen zorgen. Ze hebben het eerder geprobeerd. Er is geen Aes Sedai in Baerlon en de landvoogd weet dat. De Witmantels denken dat als zij met een Aes Sedai voor de dag komen, met een of andere vrouw van wie zij zeggen dat ze een Aes Sedai is, dat de mensen hen dan allemaal binnen de muren zullen laten. Tja, sommigen zouden dat doen. Sommigen wel. Maar de meeste mensen weten wat de Witmantels willen uithalen en steunen de landvoogd. Niemand wil dat een onschuldige oude vrouw het slachtoffer wordt, alleen maar om de Kinderen een aanleiding te geven voor een malle heksenjacht.’

‘Blij dat te horen,’ zei Moiraine droogjes. Ze legde haar hand op zijn arm. ‘Is Min nog hier? Ik wil met haar praten, als ze er is.’

Het antwoord van baas Fits ging voor Rhand verloren doordat er knechten kwamen die hen naar de baden brachten. Moiraine en Egwene verdwenen met een gezette vrouw die hartelijk glimlachte en een arm vol handdoeken droeg. De speelman, Rhand en zijn vrienden werden opgewacht door een kleine, donkerharige man die Ara heette en die ze mochten volgen.

Rhand probeerde van Ara wat meer over Baerlon te weten te komen, maar de man zei amper meer dan twee woorden, behalve om Rhand te vertellen dat hij een wat raar accent had. De eerste blik op de badkamer verdreef echter elke gedachte aan praten in Rhands hoofd.

Een tiental grote, koperen badkuipen stond in een kring op de tegelvloer, die licht afliep naar een afvoer in het midden van de grote bakstenen kamer. Op de kruk achter elke kuip lagen een keurig opgevouwen dikke handdoek en een groot stuk gele zeep. Langs de ene muur werden grote, zwarte, ijzeren waterketels boven het vuur verwarmd. In de muur ertegenover voegden fel brandende houtblokken in een diepe haard hun warmte toe aan het behaaglijke karakter van het badvertrek.

‘Bijna net zo goed als De Wijnbron thuis,’ zei Perijn, trouw aan Emondsveld, maar niet aan de waarheid.

Thom lachte blaffend en Mart gniffelde. ‘Klinkt alsof we zonder het te weten een Kopin hebben meegenomen.’

Rhand schudde zijn mantel af en trok zijn kleren uit, terwijl Ara vier kuipen vulde. Rhand koos een badkuip uit en de andere drie bleven niet achter. Toen ze hun kleren allemaal op de kruk hadden gelegd, gaf Ara ieder een grote emmer heet water en een schepkom. Daarna ging hij op een kruk bij de deur zitten, leunde met over elkaar geslagen armen tegen de muur en leek in zijn eigen gedachten te verzinken.

Er werd maar weinig gesproken terwijl ze zich inzeepten en zeven dagen vuil afspoelden met kommen dampend water. Daarna lieten ze zich in de kuipen zakken om lekker lang te weken; Ara had het water zo heet gemaakt dat ze langzaam en met verrukte zuchten aan de hitte moesten wennen. De lucht in de kamer werd heet en mistig. Heel lang klonk er geen ander geluid dan af en toe een lange ontspannen zucht toen stijve spieren zich ontspanden en een kilte waarvan ze gedacht hadden dat die blijvend was, wegtrok uit hun botten.