Выбрать главу

‘Mijn verontschuldigingen, vrouw Alys, dat ik u zo lang liet wachten, maar met zoveel mensen in de herberg is het nog een wonder dat we iemand kunnen bedienen. Ik vrees ook dat het eten niet is wat het zou moeten zijn. Alleen kip en wat knollen en kekererwten en wat kaas voor toe. Nee, het is gewoon niet wat het zou moeten zijn. Ik wil me echt verontschuldigen.’

‘Een feestmaaltijd,’ Moiraine glimlachte, ‘in deze moeilijke tijden, echt een feestmaaltijd, baas Fits.’

Weer boog de herbergier. Zijn toefjes haar die alle kanten op staken alsof hij er voortdurend met zijn handen doorheen woelde, maakten van de buiging iets komisch, maar zijn grijns was zo aardig dat iedereen met hem mee zou lachen, en niemand zou hem uitlachen.

‘Mijn dank, vrouw Alys. Mijn dank.’ Toen hij rechtop ging staan, fronste hij en veegde met een punt van zijn schort een denkbeeldig stofje van de tafel. ‘Het is uiteraard niet wat ik u een jaar geleden zou hebben voorgezet. Verre van dat. De winter, ja. De winter. Mijn kelders raken leeg en de markt biedt ook niets. Maar wie kan het de boeren verwijten? Wie? Met geen mogelijkheid valt te zeggen wanneer zij weer een oogst kunnen binnenhalen. Absoluut niet te zeggen. En de wolven kregen het lams- en rundvlees dat voor de eettafel was bestemd en...’

Plotseling leek hij te beseffen dat dit nauwelijks een gesprek was waar zijn gasten op zaten te wachten. ‘Wat draaf ik weer door. Vol ouwe koeien, dat ben ik. Ouwe koeien. Mari, Cinda, laat deze mensen in vrede eten.’ Hij maakte wegwuivende gebaren naar de vrouwen en toen ze de kamer uitrepten, draaide hij zich om voor een nieuwe buiging. ‘Ik hoop dat u smakelijk eet, vrouw Alys. Laat het me weten als u nog iets nodig hebt, dan zal ik het brengen. Het is een genoegen u en meester Andra te bedienen. Een genoegen.’ Hij boog nogmaals diep en was weg, de deur zacht achter zich sluitend.

Lan had onder dit alles sloom tegen een muur gehangen alsof hij half in slaap was. Nu sprong hij op en was met twee grote passen bij de deur. Hij drukte een oor tegen een deurpaneel en luisterde gespannen dertig tellen, rukte toen de deur open en keek de gang in. ‘Ze zijn weg,’ zei hij ten slotte en hij sloot de deur. ‘We kunnen veilig praten.’

‘Ik weet dat u zei niemand te vertrouwen,’ zei Egwene, ‘maar als u de herbergier verdenkt, waarom blijven we dan hier?’

‘Ik verdenk hem niet meer dan iemand anders,’ antwoordde Lan. ‘Maar tot we in Tar Valon zijn, verdenk ik iedereen. Daar ben ik maar half zo achterdochtig.’

Rhand begon te glimlachen en dacht dat de zwaardhand een grapje maakte. Toen besefte hij dat er geen spoortje humor op Lans gezicht viel af te lezen. Hij zou écht mensen in Tar Valon verdenken. Was het wel ergens veilig?

‘Hij overdrijft,’ zei Moiraine sussend tegen hen. ‘Baas Fits is een goede man, eerlijk en te vertrouwen. Maar hij praat graag en met de beste wil ter wereld kan hij iets aan verkeerde oren toevertrouwen. En ik ben nog nooit in een herberg geweest waar de helft van de meiden niet aan deuren luistert en meer tijd aan roddelen besteedt dan aan bedden opmaken. Kom, laten we gaan zitten voor het eten koud wordt.’

Ze zochten een plaats aan tafel. Moiraine zat aan het hoofd en Lan aan het andere eind van de tafel en een tijdlang was iedereen meer bezig met het vullen van zijn bord dan met praten. Het was misschien geen echt feestmaal, maar na bijna een week brood en gedroogd vlees smaakte het wel als een feestmaal.

Na enige tijd vroeg Moiraine: ‘Wat heb je in de gelagkamer gehoord?’

Messen en vorken bevroren en alle ogen richtten zich op de zwaardhand.

‘Maar weinig goed nieuws,’ antwoordde Lan. ‘Avin had gelijk, tenminste, als er waarheid zit in praatjes. Er is een veldslag in Geldan geweest en Logain was de overwinnaar. Er doen vele verhalen de ronde, maar op dat punt zijn ze allemaal gelijk.’

Logain? Dat moest de valse Draak zijn. Het was voor het eerst dat Rhand de naam van de man hoorde. Lan klonk bijna alsof hij hem kende.

‘De Aes Sedai?’ vroeg Moiraine kalm en Lan schudde het hoofd. ‘Ik weet het niet. Sommigen zeggen dat ze allemaal zijn gedood, sommigen zeggen geen enkele.’ Hij snoof. ‘Sommigen zeggen zelfs dat ze naar Logain zijn overgelopen. Niets of niemand is betrouwbaar en daarom wilde ik niet te veel belangstelling tonen.’

‘Inderdaad,’ zei Moiraine, ‘weinig goed nieuws.’ Ze haalde diep adem en richtte haar aandacht weer op het eten. ‘Wat heb je over onze omgeving gehoord?’

‘Nu heb ik beter nieuws. Geen vreemde gebeurtenissen, geen vreemdeling in de buurt die een Myrddraal zou kunnen zijn, zeker geen Trolloks. En de Witmantels zijn druk bezig het landvoogd Adan moeilijk te maken omdat hij niet wil meewerken. Ze zullen niets anders opmerken, tenzij wij ons bekendmaken.’

‘Goed,’ zei Moiraine, ‘dat stemt overeen met wat de badmeid zei. Roddels hebben wel enig voordeel. Nou,’ ze keerde zich naar het hele gezelschap, ‘we hebben nog een lange weg voor ons, maar de afgelopen dagen zijn ook niet licht geweest, dus stel ik voor hier vannacht en morgennacht te blijven en overmorgen vroeg te vertrekken.’

De Emondsvelders grijnsden: voor het eerst in een stad! Moiraine glimlachte, maar zei toch: ‘Wil meester Andra hier nog iets over zeggen?’

Lan bekeek koel de grinnikende gezichten. ‘Ik vind het goed, als ze voor de verandering er eens aan denken wat ik ze op het hart heb gedrukt.’

Thom blies zijn snor op. ‘Dorpsvolk loslaten in een... een stad?’ Hij snoof weer en schudde het hoofd.

Omdat de herberg zo vol zat, konden ze maar drie kamers krijgen; één voor Moiraine en Egwene en twee voor de mannen. Rhand werd ingedeeld bij Lan en Thom, op de derde verdieping achter, vlak onder de uitstekende dakbalken, met een raampje dat op het erf uitkeek. De nacht was al gevallen en de lampen van de herberg beschenen een stuk van het erf. Het was een kleine kamer en het extra bed dat er voor Thom was neergezet, maakte hem nog kleiner, hoewel alle drie de bedden smal waren. En hard ook, ontdekte Rhand toen hij zich op het zijne liet neervallen. Zeker niet de beste kamer.

Thom bleef net lang genoeg om zijn fluit en harp uit te pakken en verdween toen weer, grootse gebaren oefenend. Lan ging met hem mee.

Het was vreemd, dacht Rhand terwijl hij een gemakkelijker houding op het bed probeerde te vinden. Een week geleden zou hij als een speer naar beneden zijn gevlogen om een speelman te zien optreden, zelfs al zou het niet meer dan een gerucht zijn geweest. Maar hij had Thom nu al bijna een week lang horen vertellen, en Thom zou er morgenavond ook zijn en de avond daarna. Het warme bad had knopen in zijn spieren losgemaakt waarvan hij had gedacht dat ze altijd zouden blijven zitten en zijn eerste warme maaltijd na een week had hem soezerig gemaakt. Slaperig vroeg hij zich af of Lan Logain, de valse Draak, echt kende. Van beneden klonk gedempt geschreeuw toen de gelagkamer Thoms binnenkomst begroette, maar Rhand was al diep in slaap.

Afgezien van Rhand was de stenen gang leeg en vol schaduwen. Hij kon niet zeggen waar het schamele licht vandaan kwam; aan de grijze wanden hingen geen kaarsen of lampen, helemaal niets wat de oorzaak van die zwakke gloed kon zijn. De lucht was stil en klam, en ergens in de verte druppelde water met een holle echo. Waar dit ook was, het was niet de herberg. Fronsend wreef hij over zijn voorhoofd. Herberg? Zijn hoofd deed pijn en gedachten waren moeilijk vast te houden. Er was iets over... een herberg? De gedachte was alweer weg, wat het ook geweest was.

Hij likte langs zijn lippen en wilde dat hij iets te drinken had. Hij had een verschrikkelijke dorst, zijn keel voelde stofdroog aan. Het gedruppel dreef hem tot een beslissing. Hlij liet zich leiden door zijn dorst en ging op weg naar dat gestage drup-drup-drup. De gang strekte zich voor hem uit, zonder een enkele zijgang, zonder enige zichtbare verandering. De ruwe deuren waren het enige dat opviel. Met vaste tussenpozen doemden ze op, in paren. Het hout van de deuren was versplinterd en droog, ondanks de vochtige lucht. De schaduwen trokken zich voor hem terug en bleven schaduwen, en het gedruppel kwam niet dichterbij. Na een lange tijd besloot hij een van die deuren te proberen. Ze ging gemakkelijk open en hij stapte een grauwstenen vertrek binnen.