Выбрать главу

De kokkin bleef staan en slaagde erin haar schort uit zijn hand te trekken. ‘Nou, goed dan. Goed.’ Ze klemde het schort met beide handen vast, maar deed het nog niet om. ‘Als je wilt dat ik vanmiddag iets klaar heb, kun je maar beter weggaan en mij mijn gang laten gaan. Het mag dan jouw herberg zijn, dit is mijn keuken. Of wil jij koken?’ Ze deed of ze hem het schort wilde geven.

Baas Fits stapte met opgeheven handen achteruit. Hij deed zijn mond open, bleef toen staan en keek voor het eerst rond. De keukenhulpjes negeerden de kokkin en de herbergier nog steeds en Rhand begon omstandig de inhoud van zijn jaszakken na te kijken, hoewel er behalve Moiraines munt weinig meer in zat dan enkele koperstukken en een handvol rommeclass="underline" zijn zakmes en een wetsteen, twee boogkoorden en een stuk touw waarvan hij had gedacht dat het nog van pas zou komen.

‘Ik weet zeker, Sara,’ zei baas Fits zorgvuldig, ‘dat alles als gewoonlijk weer voortreffelijk zal zijn.’ Hierna wierp hij nog een achterdochtige blik op het keukenpersoneel en verliet toen de keuken met alle waardigheid die hij op kon brengen.

Sara wachtte tot hij weg was voor ze bruusk haar schort weer strikte en vervolgens Rhand aankeek. ‘Ik neem aan dat je iets wilt eten, niet? Nou, kom maar verder.’ Ze schonk hem een snelle grijns. ‘Ik bijt niet, heus niet, en denk maar niet aan wat je niet had mogen zien. Ciel, pak wat brood, kaas en melk voor die jongen. Dat is het enige wat er nog is. Ga zitten, jong. Je vrienden zijn allemaal al weg, behalve eentje, ik hoorde dat hij zich niet goed voelde. Ik denk zo dat jij ook wel weg zult willen.’

Een dienstmeid bracht een blad terwijl Rhand een kruk bijtrok. Hij begon te eten terwijl de kokkin verderging met deeg kneden, maar ze kon haar zwijgen niet lang volhouden.

‘Je moet niet zo zwaar tillen aan wat je net zag. Baas Fits is echt een goede man, hoewel de beste mannen wel een gebruiksaanwijzing kunnen gebruiken. Dat volk binnen, met hun klachten, maakt hem prikkelbaar en waar hebben ze eigenlijk over te klagen? Willen ze dan liever levende ratten vinden in plaats van dode? Hoewel het niks voor Cirri is om zijn klus niet af te maken. En ruim tien nog wel? Cirri zou er nooit zoveel in de herberg laten, zeker niet. Dit is een schoon huis en de ratten hebben geen reden hier te komen. En stuk voor stuk hadden ze een gebroken rug.’ Ze schudde haar hoofd over het vreemde van dat alles.

Het brood met kaas werd as in Rhands mond. ‘Een gebroken rug?’

De kokkin zwaaide met een handvol meel. ‘Denk aan leukere dingen, dat doe ik tenminste wel. We hebben een speelman binnen, weet je dat? Zit momenteel in de gelagkamer. Maar kwam jij gisteravond niet gelijk met hem binnen? Jij bent er een van vrouw Alys, niet? Dacht ik al. Ik zal waarschijnlijk niet naar zijn voorstelling kunnen luisteren, niet met een herberg die zo afgeladen is, de meesten ook nog van dat schorriemorrie uit de mijnen.’ Ze gaf het deeg een bijzonder harde stomp. ‘Niet het soort dat we anders binnenlaten, maar ja, het stikt ervan in de stad. Het had erger kunnen zijn, veronderstel ik. Nee, ik heb al sinds de herfst geen speelman meer gezien en...’

Rhand at werktuiglijk, maar hij proefde niets en luisterde niet meer naar wat de kokkin zei. Dode ratten met een gebroken rug. Hij at snel door, stamelde zijn dank toen hij uitgegeten was en haastte zich de keuken uit. Hij moest met iemand praten.

De gelagkamer van De Bok en Leeuw had weinig gemeen met die van De Wijnbron. Hij was tweemaal zo breed en driemaal zo lang en hoog. Op de muren waren kleurrijke afbeeldingen geschilderd van ornamentele gebouwen met tuinen vol hoge bomen en fleurige bloemen. In plaats van een grote schouw brandde hier in iedere muur een haardvuur en talloze tafels vulden de kamer, waar vrijwel iedere stoel, bank en kruk bezet was.

Gasten met een pijp tussen de tanden en een pul in de hand hadden allemaal hun aandacht op dezelfde man in het vertrek gericht: Thom, die in het midden boven op een tafel stond. Zijn bonte mantel lag over een stoel vlak bij hem. Zelfs baas Fits zat stil en deed niets met de zilveren pul in zijn ene of de vaatdoek in zijn andere hand. ‘... trappelend, zilveren hoeven en trotse, gebogen nekken,’ declameerde Thom terwijl hij er op de een of andere manier in slaagde niet slechts een ruiter te paard te verbeelden, maar zelfs een ruiter in een lange stoet. ‘Zijden manen slierten langs opgeheven hoofden. Duizenden wapperende banieren trekken regenbogen in een eindeloze hemel. Een honderdtal schetterende trompetten doet de lucht huiveren en trommen roffelen als de donder. Golf na golf rollen de toejuichingen van de duizenden toeschouwers over de toppen van daken en torens van Illian, barsten en breken ongehoord rond de duizend oren van ruiters wier ogen en harten stralen voor hun heilige queeste. De Grote Jacht op de Hoorn rijdt uit, rijdt om de Hoorn van Valere te zoeken, de Hoorn die de helden van voorbije Eeuwen zal oproepen uit hun graven om te strijden voor het Licht...’

Dit was wat de speelman Lage Zang had genoemd, die nachten rond het vuur op hun rit naar het noorden. Verhalen, had hij gezegd, werden in drie stemmen verteld: Hoge Zang, Lage Zang en Gewoon. Dat laatste betekende dat je ze vertelde zoals je de buurman over de oogst vertelde. Thom vertelde wel verhalen in het Gewoon, maar hij liet niet na zijn verachting hierover te tonen.

Rhand deed de deur dicht zonder naar binnen te gaan en zocht steun tegen de muur. Hij zou nu van Thom geen raad kunnen krijgen. Moiraine – wat zou zij doen als ze het wist?

Hij werd zich ervan bewust dat voorbijgangers hem aankeken en besefte dat hij zachtjes stond te mompelen. Hij streek zijn jas glad en richtte zich op. Hij moest met iemand praten. De kokkin had gezegd dat een van zijn vrienden was achtergebleven. Hij moest zich bedwingen om niet te gaan hollen.

Toen hij op de deur roffelde van de kamer waar de andere twee jongens hadden geslapen en zijn hoofd om de deur stak, was alleen Perijn binnen, nog in bed en onaangekleed. Hij draaide zijn hoofd om, kerk Rhand aan en sloot opnieuw zijn ogen. Marts boog en pijlkoker stonden in een hoek.

‘Ik hoorde dat je je niet goed voelde,’ zei Rhand. Hij kwam binnen en ging op Marts bed zitten, ik wilde alleen wat praten, ik...’ Hij besefte dat hij niet wist hoe hij moest beginnen. ‘Als je ziek bent...’ zei hij, half overeind komend, ‘misschien kun je beter gaan slapen. Ik ga wel weg.’

‘Ik weet niet of ik ooit nog zal slapen,’ zuchtte Perijn. ‘Ik had een boze droom, als je het weten wilt, en kon niet meer in slaap komen. Mart zal het je gauw genoeg vertellen. Hij lachte vanmorgen toen ik hem vertelde dat ik te moe was om met hem mee naar buiten te gaan, maar hij heeft ook gedroomd. Ik heb het grootste deel van de nacht naar hem liggen luisteren; hij lag maar te woelen en te mompelen en je kunt mij niet wijsmaken dat hij goed heeft geslapen.’ Hij drukte zijn arm over zijn ogen. ‘Licht, wat ben ik moe. Misschien krijg ik wel zin om op te staan, als ik hier nog wat langer blijf liggen. Mart zal eindeloos blijven zaniken als ik door een droom de kans laat lopen om Baerlon te bekijken.’

Rhand liet zich weer langzaam op het bed zakken. Hij bevochtigde zijn lippen en zei toen sneclass="underline" ‘Maakte hij een rat dood?’

Perijn liet zijn arm zakken en staarde hem aan. ‘Jij ook?’ zei hij uiteindelijk. Toen Rhand knikte, zei hij: ‘Ik wou dat ik weer thuis was.

‘Hij zei me... hij zei... Wat moeten we doen? Heb je het Moiraine verteld?’

‘Nee. Nog niet. Misschien doe ik het wel niet. Ik weet niet. Wat vind jij?

‘Hij zei... Bloed en as, Rhand, ik weet het ook niet.’ Perijn duwde zich met zijn elleboog omhoog. ‘Denk jij dat Mart dezelfde droom had? Hij lachte wel, maar het klonk gemaakt, en hij keek gek toen ik vertelde dat ik niet had kunnen slapen door een droom.’

‘Misschien wel,’ zei Rhand. Hij voelde zich schuldig over zijn opluchting dat hij niet de enige bleek te zijn. ‘Ik was van plan aan Thom raad te vragen. Hij heeft veel van de wereld gezien. Jij vindt... jij vindt toch ook, hè, dat we het niet aan Moiraine moeten vertellen?’