Выбрать главу

Perijn liet zich terugvallen op zijn kussen. ‘Jij kent de verhalen over de Aes Sedai ook. Denk je dat we Thom kunnen vertrouwen? Is er eigenlijk wel iemand die we kunnen vertrouwen? Rhand, als we dit alles overleven, als we ooit weer thuiskomen en je hoort mij iets zeggen over weggaan uit Emondsveld, al is het maar naar Wachtheuvel, wil je me dan een schop geven? Goed?’

‘Zo mag je niet praten,’ zei Rhand. Hij liet een glimlach op zijn gezicht verschijnen en maakte die zo opgewekt mogelijk. ‘Natuurlijk komen we weer thuis. Vooruit, sta op. We zijn in een stad en we hebben de hele dag om die te bekijken. Waar zijn je kleren?’

‘Ga jij maar. Ik wil liever nog even blijven liggen.’ Perijn legde zijn arm weer over zijn ogen. ‘Ga maar vooruit. Ik vind je over een paar uurtjes wel.’

‘Je weet wat je mist,’ zei Rhand toen hij opstond. ‘Denk daar maar eens over na.’ Hij bleef bij de deur staan. ‘Baerlon. Hoe vaak hebben we het er niet over gehad dat we op een goeie dag naar Baerlon zouden gaan?’

Perijn bleef liggen met zijn ogen afgeschermd en hij bleef zwijgen. Rhand wachtte even, stapte toen naar buiten en sloot de deur achter zich.

In de gang bleef hij tegen de muur geleund staan en zijn glimlach zakte weg. Zijn hoofd deed nog steeds pijn, en het werd eerder erger, niet minder. Hij had ook geen zin meer in Baerlon. Hij had nergens zin in.

Een kamermeisje kwam langs met haar armen vol lakens en keek hem bezorgd aan. Voor ze iets kon zeggen, liep hij de gang uit en sloeg zijn mantel om. Thom zou zeker nog uren in de gelagkamer bezig zijn. Hij kon net zo goed rond gaan kijken. Misschien vond hij Mart en kon hij hem vragen of Ba’alzamon ook in zijn droom was voorgekomen. Deze keer liep hij langzamer naar beneden en masseerde zijn slapen.

De trap kwam uit naast de keuken, dus ging hij door de keuken naar buiten. Hij gaf Sara een knikje, maar haastte zich verder toen het leek of ze haar verhaal wilde oppakken op het punt waar ze was gebleven. Het erf lag er verlaten bij, op Mut na, die in de stalpoort stond, en een van de andere stalknechten, die op zijn schouders een zak de stal in droeg. Rhand gaf Mut ook een knikje, maar de stalknecht keek hem uitdagend aan en ging naar binnen. Hij hoopte dat de andere stadsmensen meer op Sara dan op Mut leken. Benieuwd naar de stad liep hij het erf af.

Hij bleef staan in de openstaande erfpoorten en staarde rond. Mensen vulden de straten als schapen in een hok, tot aan hun ogen ingepakt in mantels en jassen en hun mutsen omlaag getrokken tegen de kou. Ze haastten zich met snelle stappen verder, alsof de wind die van de daken floot, hen verder blies. Ze wrongen zich langs elkaar zonder een woord of een blik met elkaar te wisselen. Allemaal vreemden, dacht hij. ‘Ze kennen elkaar niet.’

De geuren waren ook vreemd. Scherp, zuur en zoet, alles door elkaar heen, zodat hij langs zijn neus wreef. Zelfs op het hoogtepunt van Beltije had hij nooit zoveel mensen tegelijk gezien. Nog niet de helft. En dit was nog maar één straat. Baas Fits en de kokkin zeiden dat de hele stad vol was. Was de hele stad... zo?

Hij schoof langzaam van de poort weg, weg van die straat vol mensen. Het was eigenlijk niet juist zomaar weg te gaan en Perijn ziek in bed achter te laten. En stel je voor dat hij in de stad zou zijn ter wijl Thom klaar was met zijn verhalen? De speelman zou er dan zelf op uitgaan en Rhand had iemand nodig om mee te praten. Nee, het was veel beter even te wachten. Hij slaakte een zucht van verlichting toen hij zich van het gekrioel in de straat afwendde.

Maar naar binnen gaan trok hem ook niet aan, niet met zo’n hoofdpijn. Hij ging op een omgekeerde ton tegen de achtermuur van de herberg zitten en hoopte dat de koude lucht zou helpen.

Mut kwam af en toe even in de staldeuren staan om naar hem te kijken en zelfs op die afstand kon hij aan de andere kant van het erf de minachtende hoon van de kerel voelen. Hield hij niet van dorpsmensen? Of voelde hij zich voor gek gezet toen baas Fits hen verwelkomde nadat hij hen had willen wegjagen omdat het de achteringang was? Misschien is het een Duistervriend dacht hij en hij verwachtte dat hij daarover zou grinniken, maar het bleek geen leuke gedachte. Hij streek met zijn hand langs het gevest van Thams zwaard. Er bleef maar weinig te lachen over.

‘Een schaapherder met een reigerzwaard,’ zei een zachte vrouwenstem. ‘Als je dat hebt gezien, kun je bijna alles geloven. Wat voor problemen heb jij, boerenjongen?’

Geschrokken sprong Rhand op. Het was het meisje met het korte haar dat naast Moiraine had gestaan toen hij de badkamer uit kwam. Ze was nog steeds gekleed in een wambuis en jongensbroek. Ze was iets ouder dan hij, dacht hij, en ze had nog grotere ogen dan Egwene, vreemd fel.

‘Jij bent Rhand, hè?’ ging ze verder, ‘ik heet Min.’

‘Ik heb geen problemen,’ zei hij. Hij wist niet wat Moiraine tegen haar had gezegd, maar hij dacht aan Lans aansporing geen enkele aandacht te trekken. ‘Waarom denk je dat ik problemen heb? Tweewater is een rustige streek en wij zijn allemaal rustige mensen. Daar bestaan geen andere problemen dan de oogst of de schapen.’

‘Rustig?’ zei Min met een vage glimlach, ‘ik heb mensen over het volk van Tweewater horen praten. Ik heb grapjes gehoord over de harde koppen van de schaapherders. Van mensen die echt op het platteland zijn geweest.’

‘Harde koppen?’ zei Rhand fronsend. ‘Welke grapjes?’

‘De mensen die ik ken,’ vervolgde ze alsof hij niets had gezegd, ‘zeggen dat jullie voortdurend glimlachend en beleefd rondlopen, zo mak als een lammetje en zo zacht als boter. Aan de oppervlakte tenminste. Daaronder, zeggen ze, zijn jullie allemaal zo taai als oude eikenwortels. Duw iets harder, zeggen ze, en je stoot op rots. Maar die rots zit bij jou en bij je vrienden niet erg diep. Het is net of een orkaan alle buitenste lagen heeft weggeslagen. Moiraine heeft me niet alles verteld, maar ik zie wat ik zie.’

‘Oude eikenwortels? Rots? Het klonk nauwelijks als het soort dingen dat kooplui of hun knechten zouden zeggen. Bij het laatste veerde hij echter op en keek snel rond. Het erf was leeg en de ramen vlakbij waren dicht, ik ken niemand die... wie noemde je?’

‘Vrouw Alys dan, als je dat liever hebt,’ zei Min met een vermaakte blik die zijn wangen kleurde. ‘Er is niemand in de buurt die ons kan horen.’

‘Waarom denk je dat vrouw Alys een andere naam heeft?’

‘Omdat zij me die verteld heeft,’ zei Min zo geduldig dat hij weer rood werd. ‘Ja, eigenlijk had ze geen andere keus, denk ik, ik zag meteen dat ze... anders was. Toen ze hier de vorige keer verbleef, voordat ze het platteland in trok. Ze had van me gehoord. Ik heb eerder met... anderen als zij gepraat.’

‘Zag?’ zei Rhand.

‘Wel, ik denk niet dat je naar de Kinderen zult rennen. Niet als ik denk aan wie je reisgenoten zijn. De Witmantels hebben met wat ik doe net zo weinig op als met wat zij doet.’

‘Ik begrijp het niet.’

‘Zij zegt dat ik stukken van het Patroon zie.’ Min lachte kort en schudde het hoofd. ‘Klinkt mij te groots. Ik zie alleen dingen als ik naar mensen kijk en soms weet ik wat ze betekenen. Ik kijk naar een man en een vrouw die zelfs nog nooit met elkaar hebben gepraat en ik weet dat ze zullen trouwen. En dat gebeurt dan ook. Dat soort duigen. Ze wilde dat ik jou ook bekeek. Jullie allemaal samen.’

Rhand rilde. ‘En wat heb je gezien?’

‘Als jullie bij elkaar zijn? Duizenden vonken die rond jou wervelen, en een grote schaduw, donkerder dan een stormnacht. Het is zo sterk dat ik me bijna afvraag waarom niet iedereen het ziet. De vonken proberen de schaduw te verjagen en de schaduw probeert de vonken op te slokken.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Jullie zijn allemaal verstrikt in iets gevaarlijks, maar meer kan ik er niet van maken.’

‘Wij allemaal?’ peinsde Rhand. ‘Ook Egwene? Maar ze waren niet uit op... ik bedoel...’

Min leek zijn verspreking niet te horen. ‘Het meisje? Zij maakt er deel van uit. Net als de speelman. Jullie allemaal. Jij houdt van haar.’