Hij keek haar strak aan. ‘Dat zie ik zonder beelden al. Zij houdt ook van jou, maar zij is niet voor jou en jij bent niet voor haar bestemd. Niet zoals jullie allebei willen.’
‘Hoe moet ik dat nou weer opvatten?’
‘Als ik naar haar kijk, zie ik hetzelfde als wanneer ik naar... vrouw Alys kijk. Ook andere dingen, onbegrijpelijke dingen, maar ik weet wat dat betekent. Ze zal het niet afwijzen.’
‘Allemaal onzin,’ zei Rhand verontrust. Zijn hoofdpijn werd doffer, zijn hoofd voelde als een wolbaai. Hij wilde weg van het meisje en haar opmerkingen. Maar toch... ‘Wat zie je als je naar de anderen kijkt?’
‘Alle mogelijke dingen,’ zei Min grijnzend, alsof ze wist wat hij eigenlijk had willen vragen. ‘De zwa... eh... meester Andra heeft zeven verwoeste torens rond zijn hoofd en een kind in een wieg met een zwaard en...’ Ze schudde haar hoofd. ‘Mannen als hij hebben altijd zoveel beelden, weet je, dat ze elkaar verdringen. De sterkste beelden rond de speelman zijn een man – niet hij – die met vuur jongleert en de Witte Toren, en dat is bij een man volkomen onbegrijpelijk. De sterkste beelden die ik bij die forse krullenbol zie, zijn een wolf, een gebroken kroon en bomen die rond hem in bloei staan. En bij die andere – een rode adelaar, een oog op een weegschaal, een dolk met een robijn, een hoorn en een lachend gezicht. Er zijn nog andere dingen, maar je begrijpt wat ik bedoel. Deze keer kan ik er kop noch staart aan ontdekken.’ Ze zweeg, maar haar gezicht bleef die grimas tonen tot hij eindelijk zijn keel schraapte en vroeg: ‘Hoe staat het met mij?’
Haar grijns werd breder en ze barstte net niet in lachen uit. ‘Dezelfdesoort dingen als de anderen. Een zwaard dat geen zwaard is, een gouden kroon van laurierbladeren, een bedelaarsstaf, jij die water op zand giet, een bebloede hand en een witheet ijzer, drie vrouwen die rond een lijkbaar staan met jou erop, zwarte rotsen nat van rood bloed...’
‘Goed, goed,’ onderbrak hij haar, niet op zijn gemak. ‘Je hoeft het niet allemaal op te noemen.’
‘Ik zie voornamelijk bliksems om je heen, sommige flitsen naar jou toe, andere springen uit je weg. Ik weet niet wat dat alles betekent, behalve één ding: jij en ik zullen elkaar weer ontmoeten.’ Ze keek hem onderzoekend aan, alsof ze dat ook zelf niet begreep.
‘Waarom ook niet?’ zei hij. ‘Ik kom hier weer langs als ik naar huis ga.’
‘Inderdaad, waarom niet.’ Opeens grijnsde ze weer, een droge en geheimzinnige glimlach, en gaf hem een klopje op zijn wang. ‘Maar als ik je alles vertelde wat ik zag, zouden je haren net zo gaan krullen als bij die breedgeschouderde vriend van je.’
Met een ruk trok hij zijn hoofd weg, alsof ze gloeiend heet was. ‘Wat bedoel je? Heb je iets gezien over ratten? Of dromen?’
‘Ratten! Nee, geen ratten. Wat dromen betreft, misschien is het jouw idee van een droom, maar ik heb nooit gedacht dat zoiets mijn idee was.’
Hij vroeg zich af of ze gek was, zoals ze daar stond re grijnzen, ‘ik moet weg,’ zei hij en hij schoof voorzichtig langs haar heen. ‘Ik... ik moet mijn vrienden opzoeken.’
‘Ga dan. Maar ontsnappen kun je niet.’
Hij rende niet weg, maar elke stap was sneller dan de vorige.
‘Hol als je wilt,’ riep ze hem na. ‘Je kunt toch niet aan me ontkomen.’
Haar lachen dreef hem het erf over, de volle straat met mensen in. Haar laatste woorden leken te veel op wat Ba’alzamon had gezegd. Hij botste tegen mensen op toen hij zich door de menigte heen haastte. Hij kreeg boze blikken toegeworpen en hoorde scheldwoorden, maar hij liep pas langzamer toen hij enkele straten verder was.
Na een tijdje begon hij weer aandacht te schenken aan waar hij was. Hij voelde zich licht in het hoofd, maar hij staarde toch rond en genoot. Hij vond Baerlon een geweldige stad, al leek ze niet helemaal op de steden uit Thoms verhalen. Hij zwierf door brede straten waarvan de meeste geplaveid waren en door smalle, bochtige steegjes, waarheen het toeval en de bewegingen van de massa hem leidden. Het had ’s-nachts geregend en de ongeplaveide straatjes waren door de mensenmassa in modder veranderd, maar modderige straten kende hij. In Emondsveld waren geen geplaveide wegen.
En er waren zeker geen paleizen; slechts enkele gebouwen waren echt veel groter dan thuis, maar ieder huis had een leien dak of dakpannen die even mooi waren als die van De Wijnbron. Hij nam aan dat er in Caemlin wel enkele paleizen zouden zijn. Er waren hier wel veel herbergen; hij telde er negen. Geen enkele was kleiner dan De Wijnbron en de meeste waren even groot als De Bok en Leeuw, terwijl hij nog tal van straten niet had gezien.
Iedere straat had heel veel winkels, met luifels die over tafels hingen, talels beladen met goederen, van stoffen tot boeken, van pannen tot laarzen. Het was of honderd marskramerwagens hun inhoud hier hadden uitgestald. Hij staarde zo erg dat hij zich verschillende keren na een achterdochtige blik van de winkelier moest wegreppen. Toen de eerste winkelier hem zo aankeek, begreep hij het aanvankelijk niet eens. Toen het eindelijk tot hem doordrong, wilde hij eerst kwaad worden, tot hij besefte dat hij hier de vreemdeling was. Hij kon trouwens toch niet veel kopen. Hij stond met open mond te kijken hoeveel koperstukken van eigenaar verwisselden voor een stuk of tien verkleurde appeltjes of een handjevol rimpelige knollen die thuis in Tweewater aan de paarden zouden worden gegeven. De mensen hier leken het er graag voor over te hebben.
Wat hem betrof waren er meer dan genoeg mensen. Een tijdlang voelde hij zich alleen al door hun aantal overdonderd. Velen droegen beter gemaakte kleren dan wie ook in Tweewater – bijna zo mooi als die van Moiraine – en sommigen hadden lange, met bont afgezette jassen die rond hun enkels wapperden. De mijnwerkers, waar ze het in de herberg steeds over hadden, hadden de behoedzame blik van mensen die ondergronds ploeterden. Maar de meeste mensen zagen er qua kleding en gezicht niet anders uit dan die waartussen hij was opgegroeid. Hij had verwacht dat ze er op de een of andere manier anders zouden uitzien, maar van sommigen zou hij hebben gezworen dat ze bij de een of andere familie in Emondsveld hoorden. De tandeloze grijze man met flaporen die op een bank voor een herberg bedroefd in een lege pul zat te turen, kon gemakkelijk een volle neef van Bili Kongar zijn. De kleermaker met zijn ingevallen wangen die voor zijn winkel zat te naaien, had een broer van Jon Tan kunnen zijn, tot en met het kale plekje achter op zijn hoofd. Het evenbeeld van Samel Craaf drong zich langs Rhand heen toen hij een hoek omsloeg en...
Vol ongeloof staarde hij naar een knokig mannetje met lange armen en een grote neus dat zich haastig door de menigte repte in kleren die geheel uit vodden leken te bestaan. De ogen van de man lagen diep verzonken en zijn vuile gezicht was hol, alsof hij al dagen niet had geslapen en gegeten, maar Rhand zou zweren... Toen zag de voddenman hem, verstarde midden in een stap en lette niet op de mensen die bijna over hem struikelden. Het laatste beetje twijfel in Rhands geest verdween.
‘Baas Fajin!’ schreeuwde hij. ‘We dachten allemaal dat u...’ in een oogwenk sprong de kramer weg, maar Rhand stormde achter hem aan en riep al omkijkend zijn verontschuldigingen naar de mensen tegen wie hij opbotste. Tussen de mensen door zag hij nog net hoe Fajin een steeg in snelde. Hij ging erachteraan.
Na enkele stappen werd de kramer in zijn vlucht gestuit. Een hoog hek aan het eind sloot de doodlopende steeg af. Toen Rhand uitglijdend tot stilstand kwam, wendde Fajin zich naar hem toe, behoedzaam ineengedoken terwijl hij achteruitliep. Met allebei zijn vuile handen gebaarde hij Rhand op afstand te blijven. Zijn jas vertoonde verschillende scheuren en zijn mantel was versleten en vlekkerig, alsof hij in slechtere omstandigheden was gebruikt dan waar hij voor was gemaakt.
‘Baas Fajin?’ vroeg Rhand aarzelend. ‘Wat is er? Ik ben het, Rhand Altor, uit Emondsveld. We dachten allemaal dat de Trolloks u te pakken hadden gekregen.’
Fajin maakte een afwerend gebaar en nog steeds ineengedoken deed hij haastig enkele stappen opzij naar de ingang van de steeg. Hij probeerde Rhand niet voorbij te komen of zelfs maar dichterbij te komen. ‘Nee!’ zei hij schor. Zijn hoofd bewoog voortdurend alsof hij alles probeerde te zien in de straat achter Rhand. ‘Noem niet de...’ Zijn stem werd een schor gefluister en hij wendde zijn hoofd af, waarbij hij met snelle zijdelingse blikken Rhand aankeek. ‘Noem hén niet. Er zijn Witmantels in de stad.’