‘Een dolk met een robijn, hè?’ zei Mart. ‘Dat mag ik wel. Maar van dat oog, dat weet ik nog zo net niet. Weet je zeker dat ze het niet verzon? Het lijkt me dat ze wel zou weten wat het allemaal betekent als ze echt een waarzegster is.’
‘Ze zei niet dat ze een waarzegster was,’ zei Rhand. ‘Ik geloof dat ze dingen gewoon ziét. Weet je nog dat Moiraine met haar stond te praten toen we in bad waren geweest? En ze weet wie Moiraine is.’
Mart keek hem fronsend aan. ‘Ik dacht dat we die naam niet hoorden te gebruiken.’
‘Nee,’ mompelde Rhand. Hij wreef met beide handen over zijn hoofd. Het was zo moeilijk je aandacht erbij te houden.
‘Misschien ben je echt wel ziek,’ zei Mart nog steeds fronsend. Opeens hield hij Rhand staande door aan zijn mouw te trekken. ‘Kijk daar eens.’
Drie mannen met borstkurassen en kegelvormige stalen kappen, gepolijst tot ze glansden als zilver, liepen over de straat en kwamen hun richting uit. Zelfs de maliën op hun armen glinsterden. Hun lange, zuiverwitte mantels, met op de linkerborst een geborduurde gouden zonnekrans, bleven net boven de modder en de plassen van de straat hangen. Hun handen lagen op hun zwaardgevest en ze keken rond of ze naar dingen keken die onder een rottende boomstam uit waren gekropen. Maar niemand keek terug. Niemand leek hen zelfs maar te zien. Desondanks hoefde het drietal zich niet door de menigte heen te dringen; het gewoel scheidde zich bijna als vanzelf aan beide kanten van de witgemantelde mannen, waardoor ze als het ware in een lege ruimte liepen.
‘Denk je dat het Kinderen van het Licht zijn?’ vroeg Mart hardop. Een voorbijganger keek Mart nors aan en versnelde toen zijn pas. Rhand knikte. Kinderen van het Licht. Witmantels. Mannen die Aes Sedai haatten. Mannen die mensen zeiden hoe ze moesten leven en moeilijkheden veroorzaakten voor hen die weigerden te gehoorzamen. Als verbrande boerderijen en erger tenminste moeilijkheden genoemd konden worden. Ik zou bang moeten zijn, dacht hij. Of nieuwsgierig. Iets in ieder geval. In plaats daarvan staarde hij de Witmantels leeg aan.
‘Op mij maken ze niet zo’n indruk,’ zei Mart. ‘Maar ze zijn nogal vol van zichzelf, vind je niet?’
‘Ze zijn niet belangrijk,’ zei Rhand. ‘De herberg. We moeren met Perijn praten.’
‘Net Ewar Kongar. Heeft ook altijd zo zijn neus in de lucht.’ Opeens grinnikte Mart met een schittering in zijn ogen. ‘Weet je nog dat hij van de Wagenbrug viel en druipnat naar huis moest waden? Dat heeft hij wel een maand lang moeten horen.’
‘Wat heeft dat met Perijn te maken?’
‘Zie je dat?’ Mart wees naar een kar die schuin met de bomen omlaag in een steeg stond waar de Kinderen langs moesten. Een enkele staak hield op de karbodem een tiental gestapelde vaten tegen. ‘Let op.’ Lachend schoot hij naar een messenwinkel aan de linkerkant van de straat.
Rhand keek hem na. Hij wist dat hij iets behoorde te doen. Die blik in Marts ogen werd altijd gevolgd door een van zijn grappen. Maar vreemd genoeg merkte hij dat hij vol spanning uitkeek naar wat Mart van plan was. Iets zei hem dat het gevoel verkeerd was, dat het gevaarlijk was, maar toch glimlachte hij vol verwachting.
Even later verscheen Mart boven hem, half uit een zolderraam in het dak van de messenwinkel gebogen. Zijn hand liet de slinger al draaien. Rhands ogen schoten weer naar de kar. Bijna meteen hoorde hij een scherp gekraak en de stok die de vaten tegenhield, brak net toen de Witmantels voor de steeg langsliepen. Mensen sprongen opzij toen de vaten met een leeg gerommel over de bomen rolden en de straat in stuiterden en modder en modderwater alle kanten lieten opspatten. De drie Kinderen sprongen net zo snel weg als de anderen, hun hooghartige blik nu een en al verrassing. Sommige voorbijgangers vielen, maar het drietal bewoog zich behendig en vermeed de vaten met gemak. Ze konden echter niet voorkomen dat de rondvliegende modder op hun spierwitte mantels spatte.
Een man met een baard haastte zich in een lang schort de steeg uit, met zijn armen zwaaiend en boos schreeuwend, maar na een blik op de drie die vergeefs probeerden de modder van hun mantel te schudden, verdween hij de steeg weer in, bijna nog sneller dan hij was gekomen. Rhand keek naar boven naar het dak. Mart was weg. Het was voor ieder kind uit Tweewater een gemakkelijk schot geweest, maar het resultaat voldeed aan elke verwachting. Hij moest wel lachen, de grap leek in wol te zijn verpakt, maar het bleef leuk.
Toen hij weer naar de straat keek, stonden de drie Witmantels hem recht aan te kijken.
‘Valt er iets te lachen?’ De man die sprak, stond iets voor de anderen. Hij had een arrogante strakke blik en er scheen een licht in zijn ogen alsof hij iets belangrijks wist, iets wat niemand anders wist. Rhand hield meteen op met lachen. Hij en de Kinderen stonden alleen in de modder en tussen de vaten. De menigte van daarnet had verderop in de straat dringende zaken af te handelen.
‘De vrees voor het Licht snoert je de mond?’ Boosheid kneep het smalle gezicht van de Witmantel nog meer samen. Hij wierp een verachtelijke blik op het zwaardgevest dat uit Rhands mantel stak. ‘Ben jij hier mogelijk verantwoordelijk voor?’ Als enige had hij een gouden knoop onder de zonnekrans op zijn mantel.
Rhand probeerde het zwaard onder zijn mantel te schuiven, maar gooide in plaats daarvan zijn mantel terug over zijn schouder. Ergens in zijn hoofd vroeg hij zich verbaasd af wat hem bezielde, maar het was een verre gedachte.
‘Ongelukjes gebeuren.’ zei hij. ‘Zelfs bij de Kinderen van het Licht.’
De man met het smalle gezicht trok een wenkbrauw op. ‘Ben je echt zo gevaarlijk, jongeling?’ Hij was niet veel ouder dan Rhand.
‘Reigerzwaard, heer Bornhald,’ waarschuwde een van de anderen. De voorste man keek opnieuw naar Rhands gevest – de bronzen reiger was duidelijk te zien – en heel even werden zijn ogen groter. Toen keek hij naar Rhands gezicht en snoof verachtelijk. ‘Hij is te jong. Jij bent niet van hier, nietwaar?’ zei hij kil tegen Rhand. ‘Jij komt van…?’
‘Ik ben net in Baerlon aangekomen.’ Een tintelende rilling stuwde zich door Rhands armen en benen. Hij voelde zich opgewonden, bijna warm. ‘U weet zeker geen goede herberg, of wel?’
‘Je ontwijkt mijn vragen,’ snauwde Bornhald. ‘Welk kwaad is in jou dat je me niet antwoordt?’ Zijn gezellen kwamen met harde, uitdrukkingsloze gezichten naast hem staan. Ondanks de modderspatten op hun mantels was er nu niets grappigs meer aan hen.
Rhand voelde die tinteling nu in zijn hele lichaam; de hitte was in koorts overgegaan. Hij wilde lachen, hij voelde zich zo goed. Een klein stemmetje in zijn hoofd riep dat er iets verkeerd was, maar het enige waar hij aan kon denken, was dat hij zich barstensvol kracht voelde. Hij glimlachte en wachtte op de dingen die zouden gebeuren. Vaag en veraf vroeg hij zich af wat dat zou zijn.
Het gezicht van de leider betrok. Een van de anderen trok zijn zwaard een paar duim omhoog en zei toen met een stem die trilde van boosheid: ‘Als de Kinderen van het Licht vragen stellen, boerenpummel, verwachten ze antwoord, of...’ Hij zweeg toen Bornhald hem op de borst tikte en met zijn hoofd naar iets in de straat wees.
De stadswacht was aangekomen, een tiental mannen met ronde stalen helmen en met metaal beklede leren wambuizen, die hun vechtstokken gereedhielden alsof ze wisten hoe ze die moesten gebruiken. Ze stonden op tien passen afstand zwijgend toe te kijken.
‘Deze stad heeft het Licht verloren,’ gromde de man met het half getrokken zwaard. Hij verhief zijn stem en schreeuwde de wacht toe: ‘Baerlon ligt in de schaduw van de Duistere!’ Na een gebaar van Bornhald schoof hij met een klap zijn zwaard terug in de schede. Bornhald richtte zijn aandacht weer op Rhand. Het licht van de overtuiging brandde in zijn ogen. ‘Duistervrienden ontsnappen ons niet, jongeling, zelfs niet in een stad die in de Schaduw ligt. Wij zien elkaar weer. Daar kun je op rekenen!’
Hij draaide zich op zijn hielen om en schreed weg. Zijn twee gezellen volgden hem op de voet alsof Rhand niet langer bestond voor hen. Tenminste op dat ogenblik. Toen ze bij de menigte verderop in de straat kwamen, ging dezelfde schijnbaar toevallige lege ruimte voor hen open. De stadswachten aarzelden, keken naar Rhand, legden toen hun vechtstokken op de schouders en volgden de drie Witmantels. Zij moesten zich al roepend een weg door de menigte banen: ‘Vrij baan voor de wacht!’ Slechts weinigen stapten opzij en dan nog met tegenzin.