Выбрать главу

Rhand wipte afwachtend op zijn voeten. De tinteling was zo sterk dat hij bijna beefde; het voelde of hij aan het opbranden was.

Mart kwam de winkel uit en staarde hem aan. ‘Jij bent niet ziek,’ zei hij eindelijk, ‘je bent gek!’

Rhand haalde diep adem en opeens was het allemaal weg, als een zeepbel die uit elkaar spatte. Hij wankelde toen de tinteling verdween en het drong opeens tot hem door wat hij net had uitgespookt. Hij bevochtigde zijn lippen en beantwoordde Marts blik. ‘Ik denk dat we nu maar beter naar de herberg terug kunnen gaan,’ zei hij op onvaste toon.

‘Ja,’ zei Mart. ‘Ja, dat kunnen we maar beter doen.’

De straat begon weer vol te stromen en verschillende voorbijgangers staarden naar de twee jongens of mompelden iets tegen een metgezel. Rhand wist zeker dat het verhaal de ronde zou doen. Een krankzinnige die had geprobeerd een ruzie met de Kinderen van het Licht uit te lokken, was een goed verhaal. Misschien maken de dromen me echt gek.

Verschillende keren raakten de twee jongens de weg kwijt in de wirwar van straten, maar na een poosje kwamen ze Thom Merrilin tegen. Hij leek in zijn eentje een grootse stoet in de drukte te vormen. De speelman zei dat hij even een ommetje maakte om zijn benen te strekken en een frisse neus te halen, maar iedere keer dat iemand een tweede keer naar zijn veelkleurige mantel keek, verkondigde hij toch met schallende stem: ‘Ik ben in De Bok en Leeuw, alleen vanavond.’

Het was Mart die Thom verward de droom begon te vertellen en over hun bezorgdheid of ze het aan Moiraine zouden vertellen of niet, maar al gauw viel Rhand hem bij, want er waren verschillen in hoe zij het zich precies herinnerden. Of was iedere droom een tikkeltje anders? dacht hij. De hoofdlijnen waren echter hetzelfde. Ze hadden nog niet veel verteld toen Thom zijn volle aandacht op hen richtte. Bij het horen van de naam Ba’alzamon greep de speelman hen allebei bij de schouders, beval hen hun mond te houden, ging op zijn tenen staan om over de hoofden van de mensen rond te kijken en duwde ze toen uit het gedrang naar een doodlopende lege steeg, afgezien van een paar kisten en een broodmagere gele hond die beschutting zocht tegen de kou.

Thom keek naar de menigte of er iemand bleef staan luisteren en schonk toen Mart en Rhand weer alle aandacht. Zijn ogen boorden zich in die van hen. ‘Zeg die naam nooit meer als vreemden je kunnen horen.’ Zijn stem klonk zacht maar doordringend. ‘Zelfs niet als een vreemde het zóu kunnen horen. Het is een heel gevaarlijke naam, zelfs als de Kinderen van het Licht niét door de straten trekken.’

Mart snoof. ‘Over die Kinderen van het Licht heb ik nog wel een verhaal,’ zei hij met een droge blik op Rhand.

Thom negeerde hem. ‘Als maar een van jullie die droom had gehad...’ Hij trok verwoed aan zijn grote snor. ‘Vertel me alles wat je je ervan kunt herinneren. Elke bijzonderheid.’ Hij bleef op zijn hoede tijdens het luisteren.

‘Hij noemde de mannen die volgens hem waren gebruikt,’ zei Rhand ten slotte. Hij dacht dat hij al het andere had verteld. ‘Guaire Amalasan. Raolin Duistervaan.’

‘Davian,’ voegde Mart eraan toe voor hij verder kon gaan. ‘En Jurian Steenboog.’

‘En Logain,’ besloot Rhand.

‘Gevaarlijke namen,’ mompelde Thom. Zijn ogen leken zich nog dieper in hun ogen te boren dan eerst. ‘Hoe je het ook beschouwt, ze zijn bijna net zo gevaarlijk als die andere. Ze zijn nu allemaal dood, behalve Logain. Sommigen zijn al heel lang dood. Raolin Duistervaan al bijna tweeduizend jaar. Maar zijn naam is nog steeds gevaarlijk. Zeg die namen nooit hardop, zelfs niet als je alleen bent. De meeste mensen kennen ze niet, maar als de verkeerde persoon ze hoort...’

‘Maar wie waren het?’ zei Rhand.

‘Mannen,’ mompelde Thom. ‘Mannen die aan de zuilen van de hemel wrikten en de wereld op haar grondvesten deden schudden.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Doet er niet toe. Vergeet ze. Ze zijn nu stof.’

‘Hebben de... werden ze gebruikt, zoals hij zei?’ vroeg Mart. ‘En gedood?’

‘Je zou kunnen zeggen dat de Witte Toren ze heeft gedood. Dat zou je kunnen zeggen.’ Hij kneep zijn mond stevig dicht en schudde toen weer van nee. ‘Maar gebruikt...? Nee, dat zie ik niet. Het Licht weet dat de Amyrlin Zetel vele snode plannen weeft, maar dat geloof ik niet.’

Mart huiverde. ‘Hij zei zoveel. Gekke dingen. Die dingen over Lews Therin Verwantslachter en Artur Haviksvleugel. En het Oog van de Wereld. Wat is dat nou weer, in naam van het Licht?’

‘Een legende,’ zei de speelman langzaam. ‘Misschien. Even legendarisch als de Hoorn van Valere, tenminste in de Grenslanden. Daarginds gaan jonge mannen op jacht naar het Oog van de Wereld zoals jongelui uit Illian op de Hoorn jagen. Misschien een legende.’

‘Wat moeten we doen, Thom?’ vroeg Rhand. ‘Moeten we het haar vertellen? Ik wil niet nog meer van die dromen. Misschien kan zij iets doen.’

‘Misschien vinden wij niet leuk wat zij doet,’ mopperde Mart.

Thom keek hen peinzend aan, dacht na en streek met zijn knokkels langs zijn snor. ‘Ik zou zeggen, houd het voor je,’ zei hij eindelijk. ‘Vertel het aan niemand, voorlopig tenminste. Als het moet, kun je altijd van gedachten veranderen, maar als je het eenmaal hebt verteld, kun je niet meer terug en ben je vaster aan haar gebonden dan ooit.’ Opeens richtte hij zich op en leek zijn kromme rug vrijwel verdwenen. ‘Die andere knul. Zeiden jullie niet dat hij hetzelfde had gedroomd? Is hij verstandig genoeg om zijn mond te houden?’

‘Ik denk van wel,’ zei Rhand tegelijk met Mart, die antwoordde: ‘We gingen net terug naar de herberg om hem te waarschuwen.’

‘Het Licht geve dat we niet te laat zijn.’ Met de fladderende mantel om zijn enkels en in de wind wapperende lapjes liep Thom de steeg uit. Hij keek om zonder stil te staan en zei: Nou, zijn jullie voeten aan de grond gekluisterd?’

Rhand en Mart haastten zich achter hem aan, maar hij bleef niet op hen wachten. Deze keer bleef hij niet staan voor mensen die naar zijn mantel staarden of hem als speelman wilden begroeten. Hij beende door de menigte alsof de straten leeg waren. Rhand en Mart moesten half hollen om hem bij te houden. In minder dan geen tijd waren ze bij De Bok en Leeuw.

Toen ze naar binnen wilden, kwam Perijn net naar buiten hollen. Al rennend probeerde hij zijn mantel om te slaan. Hij viel bijna bij zijn poging niet tegen hen op te botsen. ‘Ik wilde jullie twee net gaan zoeken,’ hijgde hij toen hij weer stevig op zijn voeten stond.

Rhand greep hem bij de arm. ‘Heb je iemand over de droom verteld?’

‘Zeg alsjeblieft nee,’ drong Mart aan.

‘Het is heel belangrijk,’ zei Thom.

Perijn keek hen verward aan. ‘Nee, dat heb ik niet. Ik ben nog geen uur uit bed.’ Zijn schouders zakten omlaag. ‘Ik heb bijna hoofdpijn gekregen van mijn pogingen er niet aan te denken, laat staan erover te praten. Waarom hebben jullie het hem verteld?’ vroeg hij en hij knikte naar de speelman.

‘We moesten er met iemand over praten of we werden gek,’ zei Rhand.

‘Ik leg het later wel uit,’ voegde Thom eraan roe met een betekenisvolle blik op de mensen die De Bok en Leeuw binnenkwamen of verlieten.

‘Goed,’ antwoordde Perijn langzaam, maar hij leek nog steeds in de war. Opeens gaf hij zich een klap tegen zijn hoofd. ‘Jullie lieten me bijna vergeten waarom ik jullie zocht. Niet dat ik het zou willen, maar... Nynaeve is binnen.’

‘Bloed en as,’ piepte Mart. ‘Hoe is die nou hier gekomen? Moiraine... De veerboot...’

Perijn snoof. ‘Je denkt toch zeker niet dat zo’n kleinigheid als een gezonken veerboot haar kon tegenhouden? Ze heeft Hoogtoren opgedoken. Ik weet niet hoe hij weer de rivier is overgestoken, maar ze vertelde dat hij zich in zijn slaapkamer had verborgen en niet in de buurt van de rivier wilde komen. Hoe dan ook, ze heeft hem gedwongen een roeiboot te zoeken die groot genoeg was voor haar en haar paard. Hij roeide zelf. Ze gunde hem alleen de tijd om een van zijn halers aan het andere stel roeispanen te zetten.’