‘Jij... hebt ons spoor gevolgd?’ zei Lan, voor het eerst echt verbaasd, voor zover Rhand zich kon herinneren, ‘ik moet roekeloos zijn geworden.’
‘Je hebt weinig sporen achtergelaten, maar ik kan even goed spoorzoeken als elke man in Tweewater, misschien met uitzondering van Tham Altor’ Ze aarzelde en voegde er toen aan toe: ‘Toen mijn vader nog leefde, ging ik met hem mee op jacht en hij leerde mij wat hij de zoons die hij nooit kreeg, zou hebben bijgebracht.’ Ze keek Lan uitdagend aan, maar hij knikte slechts waarderend.
‘Als je een spoor kunt volgen dat ik heb geprobeerd te verbergen, heeft hij het je goed geleerd. Weinigen kunnen dat, zelfs in de grenslanden niet.’
Nynaeve boog haar gezicht abrupt over haar beker. Rhands ogen werden groot. Ze bloosde! Nynaeve liet nooit merken dat ze zelfs maar een klein beetje aangedaan was. Kwaad, ja, woedend, vaak, maar nog nooit had ze haar zelfbeheersing verloren. Ze had nu echter rode wangen en probeerde die boven de wijn te verbergen.
‘Misschien zou je nu,’ zei Moiraine kalm, ‘enkele van mijn vragen willen beantwoorden. Ik heb die van jou heel openlijk beantwoord.’
‘Met een zak vol speelmanverhalen,’ kaatste Nynaeve terug. ‘Het enige feit dat ik kan zien, is dat vier jonge mensen zijn weggesleept, het Licht mag weten waarom, door een Aes Sedai.’
‘Er is je gezegd dat die naam hier niet bekend is,’ zei Lan scherp. ‘Je moet leren op je woorden te letten.’
‘Waarom zou ik?’ kaatste Nynaeve terug. ‘Waarom zou ik helpen jullie te verstoppen, of verbergen wie jullie zijn? Ik ben hier om Egwene en de jongens terug naar Emondsveld te brengen, niet om ze weg te toveren.’
Thom kwam tussenbeide en zei bijtend: ‘Als je wilt dat ze hun dorp terugzien – en jij eveneens – kun je maar beter voorzichtiger zijn. Er zijn mensen in Baerlon die haar zouden doden,’ hij wees met zijn hoofd Moiraine aan, ‘om wat ze is. En hem ook.’ Hij duidde Lan aan en liep naar voren en steunde met zijn vuist op tafel. Hij rees vervaarlijk boven Nynaeve uit en zijn lange snorpunten en dikke wenkbrauwen leken opeens zeer dreigend.
Haar ogen werden groter en ze wilde achteruitschuiven, maar rechtte toen verdedigend haar rug. Thom leek het niet te merken; hij ging op veelzeggende zachte toon door: ‘Ze zouden als moordzuchtige mieren over deze herberg krioelen na niet meer dan een gerucht, een fluistering. Zo diep is hun haat en hun verlangen om mensen als deze twee te doden of gevangen te nemen. En het meisje? De jongens? Jij? Jullie horen er allemaal bij en dat is in ieder geval genoeg voor de Witmantels. Je zou de manier waarop ze vragen stellen niet echt leuk vinden, zeker niet als de Witte Toren erbij is betrokken. De Ondervragers van de Witmantels nemen al voor ze beginnen aan dat je schuldig bent en ze kennen maar één soort vonnis voor dat soort schuld. Ze willen de waarheid niet vinden; ze denken dat ze die al kennen. Het enige dat ze met hun ijzers en tangen willen bereiken, is een bekentenis. Je kunt maar beter geloven dat sommige geheimen te gevaarlijk zijn om hardop uitgesproken te worden, zelfs als je denkt dat je weet wie er meeluistert.’ Hij ging rechtop staan met een gemompeld. ‘Ik lijk dat de laatste tijd vaak te verrellen.’
‘Goed gezegd, speelman,’ zei Lan. De zwaardhand had weer die onderzoekende blik in zijn ogen. ‘Het verrast me dat je zo bezorgd bent.’
Thom haalde zijn schouders op. ‘Ze weten hier dat ik samen met jullie aankwam. Ik heb niet zoveel op met de gedachte dat een Ondervrager met een heet brandijzer mij zegt dat ik berouw moet hebben over mijn daden en in het Licht moet wandelen.’
‘Dat is een reden temeer dat deze vier morgen met mij mee naar huis gaan. Of liever nog deze middag. Hoe sneller we uit jullie buurt zijn en op weg naar Emondsveld, hoe beter.’
‘We kunnen niet mee,’ zei Rhand en hij was blij dat ook zijn vrienden tegelijk hun mond opendeden. Als Nynaeve zo woest rondkeek, zou ze toch al niemand sparen. Maar hij had het eerst gesproken en de anderen zwegen en keken naar hem. Zelfs Moiraine leunde achteruit en keek hem over haar spitse vingers aan. Het kostte hem veel moeite de Wijsheid recht in de ogen te zien. ‘Als we naar Emondsveld teruggaan, zullen de Trolloks dat ook doen. Ze... maken jacht op ons. Ik weet niet waarom, maar ze doen het. Misschien kunnen we in Tar Valon te weten komen waarom. Misschien kunnen we ontdekken hoe het kan ophouden. Het is de enige manier.’
Nynaeve stak haar handen op. ‘Je praat net als Tham. Hij heeft zich naar de dorpsvergadering laten dragen en probeerde iedereen om te praten. Hij had het in de dorpsraad al geprobeerd. Het Licht mag weten hoe jullie... hoe vrouw Alys,’ er klonk een karrenvracht aan hoon in Nynaeves stem door, ‘erin geslaagd is hem te overtuigen. Gewoonlijk is hij redelijk verstandig, verstandiger dan de meeste mannen. In ieder geval, de raad is meestal een troep dwazen, maar daarvoor toch niet dwaas genoeg, en de anderen waren dat evenmin. Ze waren het erover eens dat jullie gevonden moesten worden. Toen stelde Tham voor dat hij achter jullie aan zou gaan, terwijl hij niet eens op zijn benen kon staan. Dwaasheid lijkt erfelijk in je familie.’
Mart schraapte zijn keel en mompelde: ‘En mijn pa? Wat zei hij?’
‘Hij is bang dat je bij buitenlanders je grapjes gaat uithalen en een klap op je hoofd zult krijgen. Hij leek daar banger voor te zijn dan voor... vrouw Alys hier. Maar ja, hij is nooit veel slimmer dan jij geweest.’
Mart was niet zeker hoe hij die opmerking moest opvatten of hoe hij moest reageren; hij wist zelfs niet of hij wel wilde reageren.
‘Ik denk,’ begon Perijn aarzelend, ‘ik bedoel... ik neem aan dat baas Lohan ook niet al te blij was met mijn vertrek.’
‘Verwachtte je dat dan?’ Nynaeve schudde vol walging het hoofd en richtte zich tot Egwene. ‘Ik zou eigenlijk niet zo verbaasd moeten zijn over de doorgedraaide idioterie van jullie drie, maar ik dacht dat anderen een beter oordeel hadden.
Egwene zocht steun tegen de rugleuning zodat Perijn haar afschermde van Nynaeve. ‘Ik heb een briefje achtergelaten,’ zei ze zwakjes. Ze trok aan haar mantelkap alsof ze bang was dat haar losvallende haar te zien zou zijn. ‘Ik heb alles uitgelegd.’ Nynaeves gezicht werd nog bozer.
Rhand zuchtte. De Wijsheid stond op het punt een van haar tirades af te steken en het zag ernaar uit dat dit een van haar betere zou worden. Als ze in het vuur van haar boosheid een standpunt innam, als ze zei dat ze ervoor ging zorgen dat ze naar Emondsveld terugkeerden, bijvoorbeeld, wat er verder ook gezegd mocht worden, dan zou het vrijwel onmogelijk worden haar om te praten. Hij deed zijn mond open.
‘Een briefje,’ begon Nynaeve, net toen Moiraine zei: ‘Jij en ik moeten nog steeds praten, Wijsheid.’
Als Rhand zich had kunnen bedwingen, zou hij dat hebben gedaan, maar de woorden stroomden uit zijn mond alsof er een sluis was opengedraaid. ‘Dit is allemaal goed en wel, maar het verandert niets. We kunnen niet terug. We moeten verder.’ De laatste woorden kwamen trager en zijn stem klonk zachter, zodat hij op het eind fluisterde en de Wijsheid en de Aes Sedai hem beiden aankeken. Ze keken hem aan met een blik alsof hij een vrouw stoorde die zaken van de vrouwenkring besprak; een blik die zei dat hij zich bemoeide met dingen die hem niets aangingen. Hij leunde naar achteren en wilde dat hij ergens anders was.
‘Wijsheid,’ zei Moiraine, ‘je moet geloven dat ze bij mij veiliger zijn dan daarginds in Tweewater.’
‘Veiliger?’ Nynaeve wierp haar hoofd minachtend achterover. ‘Jij bent degene die ze hierheen heeft gebracht, waar de Witmantels zijn. Dezelfde Witmantels die, als de speelman de waarheid vertelt, hen vanwege jóu kwaad zullen doen. Vertel mij eens, Aes Sedai, hoe ze dan veiliger zijn.’
‘Er zijn veel gevaren waar ik ze niet tegen kan beschermen.’ stemde Moiraine in, ‘net zoals jij ze niet tegen de bliksem kunt beschermen als ze naar huis gaan. Maar voor de bliksem hoeven ze niet bang te zijn, en ook niet voor de Witmantels. Wél voor de Duistere en de helpers van de Duistere. Daartegen kan ik ze beschermen. De aanraking van de Ware Bron, de aanraking van saidar, geeft me die bescherming, net als iedere Aes Sedai.’ Nynaeves mond vormde een rechte streep vol twijfel. Moiraine verstrakte ook, van boosheid, maar ze ging door, haar stem hard en op het randje van haar geduld. ‘Zelfs die arme mannen die een korte tijd de Kracht kunnen geleiden, hebben die bescherming. Het aanraken van saidin kan hen soms inderdaad beschermen, maar hen ook nog kwetsbaarder maken. Maar ik – iedere Aes Sedai – kan mijn bescherming uitstrekken over de mensen die bij haar zijn. Geen Schim kan hen kwaad doen zolang ze dicht bij me zijn, zoals nu. Geen Trollok kan binnen een halve span komen of Lan voelt hem, voelt zijn kwaad. Kun jij ze iets van die bescherming bieden als ze met jou naar Emondsveld terugkeren?’