Выбрать главу

Zijn gezicht stond opeens even strak als een trommelvel. Het lukte hem schor te grinniken. ‘Zij kan vreemde dingen bedenken. Ik hoop dat je haar hebt verzekerd dat wij allemaal in Emondsveld zijn geboren.’

‘Natuurlijk,’ antwoordde ze. Ze had slechts een hartenklop gewacht voor ze dat zei, zo kort dat hij het niet zou hebben gehoord als hij er niet op had gelet.

Hij probeerde iets anders te zeggen, maar zijn tong leek wel een lap leer. Ze weet het. Per slot van rekening was ze de Wijsheid en de Wijsheid werd verondersteld alles over iedereen te weten. Als ze het weet, was het geen koortsdroom. O Licht, help me, vader!

‘Voel je je wel goed?’ vroeg Nynaeve.

‘Hij zei... zei dat ik... zijn zoon niet was. Toen hij ijlde... van de koorts. Hij zei dat hij me had gevonden. Ik dacht dat het maar...’ Zijn keel leek te verschroeien en hij moest stoppen met praten.

‘O, Rhand.’ Ze bleef staan en nam zijn gezicht tussen haar handen. Ze moest op haar tenen staan om dat te kunnen doen. ‘Mensen zeggen vreemde dingen als ze koorts hebben. Verwrongen dingen. Dingen die niet waar zijn, niet echt zijn. Luister. Tham Altor liep weg om het avontuur te zoeken toen hij een jongen was, niet ouder dan jij. Ik was nog een kind toen hij in Emondsveld terugkwam, een volwassen man met een roodharige buitenlandse vrouw en een klein kind in een bundeltje kleren. Ik zie nog Kari Altor dat kind in haar armen wiegen met zoveel liefde en verrukking als ik nog nooit bij enige vrouw met een pasgeborene heb gezien. Haar kind, Rhand. Jij. Nou, verman je en houd op met die dwaasheid.’

‘Natuurlijk,’ zei hij. Ik ben buiten Tweewater geboren. ‘Natuurlijk.’ Misschien had Tham een koortsdroom gehad en misschien had hij een klein kindje gevonden na een veldslag. ‘Waarom heb je het haar niet verteld?’

‘Een buitenstaander heeft er niets mee te maken.’

‘Is een van de anderen daarginder geboren?’ Hij had de vraag nog niet gesteld of hij schudde zijn hoofd al. ‘Nee, geef maar geen antwoord. Daar heb ik ook niets mee te maken.’ Maar het zou goed zijn te weten of Moiraine nog bijzondere belangstelling voor hem had, afgezien van haar aandacht voor hen allemaal. Was dat zo?

‘Nee, dat zijn jouw zaken niet,’ beaamde Nynaeve. ‘Het zal wel niets betekenen. Ze zoekt misschien blindelings een reden, wat voor reden dan ook, waarom die monsters achter jullie aan zitten. Achter jullie allemaal.’

Rhand slaagde erin naar haar te grijnzen. ‘Dus je gelooft echt dat ze ons volgen.’

Nynaeve schudde droogjes haar hoofd. ‘Sinds je haar hebt ontmoet, heb je in ieder geval geleerd hoe je woorden moet verdraaien.’

‘Wat ga je doen?’ vroeg hij.

Ze bekeek hem aandachtig en hij keek haar recht in de ogen. ‘Vandaag ga ik eerst in bad. En voor de rest zullen we het moeten afwachten, nietwaar?’

17

Wachters en Jagers

Nadat de Wijsheid was weggegaan, liep Rhand naar de gelagkamer. Hij had er behoefte aan mensen te horen lachen; hij wilde vergeten wat Nynaeve had gezegd en wat voor een ellende ze kon veroorzaken.

De ruimte was vol, maar niemand praatte of lachte, hoewel alle stoelen en banken in gebruik waren en mensen langs de muren stonden. Thom trad weer op. Hij stond op een tafel tegen een muur en maakte weidse gebaren, groots genoeg om het gehele vertrek te vullen. Het was weer De Grote Jacht op de Hoorn, maar niemand klaagde natuurlijk. Er waren zoveel verhalen te vertellen over ieder van de Jagers en er waren zoveel Jagers dat geen enkel verhaal ooit hetzelfde was. Als het hele verhaal zou worden verteld, zou het een week in beslag nemen. Het enige geluid naast de stem van de speelman en zijn harp was het knappen van het hout in de grote open haarden.

‘Naar de acht hoeken van de wereld reden de Jagers uit, naar de acht zuilen van de hemel, waar de tijdwind blaast en het lot gelijkelijk de machtige en de eenvoudige treft. Welnu, de grootste Jager is Rogosh van Talmoor, Rogosh Adelaarsoog, befaamd aan het hof van de Hoge Koning, gevreesd op de hellingen van Shayol Ghul...’ Stuk voor stuk waren de Jagers altijd grote helden.

Rhand zag zijn twee vrienden en ging zitten op het plekje dat Perijn op het puntje van de bank voor hem vrijmaakte. Kookluchtjes die het vertrek in dreven, herinnerden hem eraan dat hij trek had, maar de mensen die wel een bord eten voor zich hadden, schonken er weinig aandacht aan. De meiden die het eten zouden moeten opdienen, stonden als betoverd aan hun schorten te frommelen en naar de speelman te kijken, en niemand leek het erg te vinden. Luisteren was beter dan eten, hoe goed het eten ook was.

‘... vanaf de dag van Braes’ geboorte had de Duistere haar als zijn bezit aangemerkt, maar zij deelde die gedachte niet – neen, Braes van Mattuchin was geen Duistervriend! Zo sterk als een es stond ze daar, zo lenig als een wilgentak, zo schoon als een roos. Braes met de Gouden Lokken. Bereid te sterven voor ze zich overgeeft. Maar hoort! Van de torens van de stad weerkaatst het geschetter van trompetten, schallend en uitdagend! Haar herauten verkondigen de komst van een held aan haar hof. Trommen roffelen en cimbalen klinken! Rogosh Adelaarsoog komt zijn eer betuigen...’

De overeenkomst van Rogosh Adelaarsoog wikkelde zich verder af, en Thom stopte alleen om zijn keel te smeren met een pul bier, voor hij begon aan Lians beleg. Dat verhaal werd gevolgd door De val van Aleth-Loriel en Het zwaard van Gaidal Cain en De laatste tocht van Buad van Albain. Met het verstrijken van de avond werden de pauzes langer en toen Thom de harp omruilde voor zijn fluit, wist iedereen dat er die avond geen verhalen meer zouden worden verteld. Twee mannen voegden zich bij Thom, met een trommel en een hakkebord met metaalbeslag, maar zij bleven naast de tafel zitten terwijl hij erbovenop bleef staan.

De drie jongens uit Emondsveld begonnen te klappen bij de eerste noten van De wind in de wilg en zij waren niet de enigen. Het was een geliefd lied in Tweewater en blijkbaar ook in Baerlon. Hier en daar zongen zelfs enkele stemmen mee, en niet zo vals dat ze van anderen hun mond moesten houden.

‘Mijn lief is heen, is opgepakt door de wind op rillend wilgenblad en heel het land ligt zwaargewond door de wind op rillend wilgenblad. Maar ik behoud haar innig lang in hart, in lief herdenken, haar kracht versterkt mijn trillend ik, haar liefde warmt mijn geketend hart. Ik ga staan waar wij eens zongen, van de wind op rillend wilgenblad.’

Het tweede lied was niet zo droevig. Eigenlijk leek Een enkele emmer water veel vrolijker dan anders, wat de speelman mogelijk met opzet deed. Mensen zetten snel de tafels opzij, zodat er ruimte kwam om te dansen, tot de muren trilden van het stampen en draaien. De eerste dans eindigde onder gejuich. De dansers hielden hun buik vast van het lachen en maakten de vloer vrij voor nieuwe dansers. Thom speelde de eerste noten van Wilde ganzen in de vlucht en hield toen op, zodat de mensen hun plaats konden innemen voor de dans.

‘Ik denk dat ik enkele passen waag,’ zei Rhand en hij stond op. Perijn sprong hem achterna. Mart was te laat, zodat hij achter moest blijven om op de mantels, Rhands zwaard en Perijns bijl te passen.

‘Denk eraan dat ik ook aan de beurt wil komen,’ riep Mart hen na.

De dansers vormden twee lange rijen tegenover elkaar; mannen in de ene, vrouwen in de andere rij. Eerst gaf de trommel en toen het hakkebord de maat aan en alle dansers zakten kort door de knieën. Het meisje tegenover Rhand, met haar donkere haar in vlechten die hem aan thuis deden denken, schonk hem een verlegen glimlach en toen een knipoogje dat absoluut niet schuw was. Thoms fluit pakte de melodie weer op en Rhand bewoog naar voren om het donkerharige meisje te ontmoeten. Zij wierp haar hoofd achterover en lachte toen hij haar rondzwierde en haar aan de volgende man in de rij doorgaf.