Iedereen in de kamer lachte, dacht hij, toen hij rond zijn volgende partner danste, een van de dienstmeisjes met een wild rondfladderend schort. De enige die niet glimlachte, was een man die ineengedoken bij een van de haarden zat. De man had dwars over zijn gezicht een litteken, van zijn slaap tot de kaak aan de andere kant, wat hem een scheve neus en een omlaag getrokken mondhoek bezorgde. De man ving zijn blik op en maakte een grimas en Rhand keek verlegen de andere kant op. Misschien kon die kerel door het litteken niet glimlachen.
Wervelend nam hij de volgende vrouw over en liet haar draaien voor hij haar doorschoof. Nog drie vrouwen dansten met hem, terwijl de muziek sneller werd, toen was hij weer terug bij het eerste zwartharige meisje voor een snelle rondgang die de rijen volledig omdraaide. Ze lachte nog steeds en knipoogde hem opnieuw toe.
De man met het litteken zat hem nog steeds nors aan te kijken. Hij miste een pas en zijn wangen gloeiden. Hij had de kerel niet in verlegenheid willen brengen en hij dacht niet dat hij hem had aangestaard. Hij draaide zich om naar zijn volgende dansgenoot en was de man op slag vergeten. De vrouw die nu met hem danste, was Nynaeve.
Struikelend voerde hij de passen uit, viel net niet over zijn eigen voeten en stapte bijna op haar tenen. Ze danste sierlijk genoeg om zijn onhandigheid goed te maken en bleef de hele tijd glimlachen.
‘Ik dacht dat je een betere danser was,’ lachte ze toen nieuwe dansparen werden gevormd.
Hij had maar weinig tijd voor de volgende wisseling om zich weer wat zekerder te gaan voelen, en bevond zich tegenover Moiraine. Mocht hij zich bij de Wijsheid een stumperd hebben gevoeld, tegenover de Aes Sedai was hij helemaal niets. Zij zweefde vloeiend met zwierende rokken over de dansvloer en hij lag tweemaal bijna op de grond. Ze glimlachte meelevend, wat het alleen nog maar erger maakte. Het was een opluchting om naar de volgende in de rij door te dansen, zelfs al was dat Egwene.
Hij vond iets van zijn zekerheid terug. Zij had tenslotte al jarenlang met hem gedanst. Haar haren zaten nog niet in een vlecht, maar ze had ze met een rood lint vastgebonden. Kon waarschijnlijk niet beslissen of ze Moiraine of Nynaeve zou plezieren, dacht hij zuur. Haar mond stond half open en ze keek of ze iets wilde zeggen, maar ze deed het niet en hij was niet van plan de eerste te zijn. Niet nadat ze hem zo bij zijn eerste poging in het eetvertrek de mond had gesnoerd. Ze staarden elkaar enkel aan en scheidden weer zwijgend.
Hij vond het best dat hij naar de bank terug kon toen de dans was afgelopen. De muziek voor de volgende dans, de hop, zette al in toen hij ging zitten. Mart haastte zich de dansvloer op en Perijn liet zich naast hem glijden toen Mart wegging.
‘Heb je haar gezien?’ begon Perijn nog voor hij zat. ‘Nou?’
‘Wie?’ vroeg Rhand. ‘De Wijsheid of vrouw Alys? Ik heb met allebei gedanst.’
‘De Ae... vrouw Alys ook?’ riep Perijn uit. ‘Ik heb met Nynaeve gedanst. Ik wist niet eens dat ze kon dansen. Thuis doet ze nooit aan een dans mee.’
‘Ik vraag me af,’ zei Rhand nadenkend, ‘wat de vrouwenkring zou zeggen over een Wijsheid die danst. Misschien danst ze daarom thuis niet.’
Toen werden muziek, handgeklap en zingen te luid om verder te praten. Rhand en Perijn klapten mee terwijl de dansers rondzwierden. Het viel hem verschillende keren op dat de man met het litteken hem zat aan te staren. De man had het recht lichtgeraakt te zijn, met zo’n litteken, maar Rhand wist niet wat hij moest doen zonder dat hij de zaken nog erger maakte. Hij schonk de muziek alle aandacht en probeerde niet naar de kerel te kijken.
Het dansen en zingen gingen tot laat door. De meiden dachten eindelijk aan hun taken en Rhand was blij dat hij wat warme stamppot en brood naar binnen kon werken. Iedereen at waar hij zat of stond. Rhand deed nog aan drie dansen mee en hij deed het nu beter, ook toen hij weer met Nynaeve en Moiraine moest dansen. Deze keer maakten ze hem een compliment voor zijn dansen, wat hem bijna uit de maat bracht. Hij danste ook opnieuw met Egwene; ze staarde hem met haar donkere ogen aan en leek voortdurend iets te willen zeggen, maar ze uitte geen woord. Hij was net zo zwijgzaam als zij, maar wist zeker dat hij haar niet nijdig had aangekeken, wat Mart ook mocht beweren toen hij weer op de bank ging zitten.
Tegen middernacht ging Moiraine weg. Na een gekwelde blik op zowel de Aes Sedai als de Wijsheid haastte Egwene zich achter haar aan. De Wijsheid keek hen na met een gezicht waarvan niets viel af te lezen en stapte toen opzettelijk weer de dansvloer op, voor zij ook wegging met een blik alsof ze een zege op de Aes Sedai had behaald.
Kort daarna legde Thom zijn fluit in het kistje en zei goedgeluimd nee tegen alle vragers die wilden dat hij nog wat bleef. Lan kwam langs om Rhand en de anderen op te halen.
‘We moeten morgen vroeg weg,’ zei de zwaardhand, die zich naar hen had toegebogen om verstaan te kunnen worden, ‘en hebben alle rust nodig die we kunnen krijgen.’
‘Een vent heeft de hele tijd naar me zitten te loeren,’ zei Mart. ‘Een man met een litteken over zijn gezicht. U denkt toch niet dat het een van die “vrienden” is waar u ons voor hebt gewaarschuwd?’
‘Zo’n litteken?’ vroeg Rhand en hij trok met zijn vinger een lijn over zijn neus tot onder zijn mondhoek. ‘Hij zat ook naar mij te staren.’ Hij keek het vertrek rond. De klanten stapten op en de meeste achterblijvers stonden om Thom heen. ‘Hij is er niet meer.’
‘Ik heb de man gezien,’ zei Lan. ‘Volgens baas Fits is hij een spion van de Witmantels. Over hem hoeven we ons niet druk te maken.’
Misschien deed hij dat niet, maar Rhand kon zien dat de zwaardhand iets dwarszat.
Rhand keek snel Mart even aan, die weer dat strakke gezicht toonde dat betekende dat hij iets achterhield. Een spion van de Witmantels. Zou die Bornhald ons zo graag te pakken willen nemen? ‘We gaan vroeg weg?’ vroeg hij. ‘Echt vroeg?’ Misschien konden ze al weg zijn voor er iets gebeurde.
‘Bij het eerste licht,’ antwoordde de zwaardhand.
Ze verlieten de gelagkamer terwijl Mart regeltjes van liedjes neuriede en Perijn nu en dan bleef staan om een nieuwe pas te oefenen.
Thom voegde zich opgewekt bij hen. Lans gezicht was uitdrukkingsloos toen ze naar de trap liepen.
‘Waar slaapt Nynaeve?’ vroeg Mart. ‘Baas Fits zei toch dat we de laatste kamers hadden?’
‘Ze heeft een bed,’ zei Thom droog, ‘bij vrouw Alys en het meisje.’
Perijn floot zachtjes en Mart mompelde: ‘Bloed en as! Ik zou voor al het goud van Caemlin niet in haar schoenen willen staan.’
Niet voor de eerste keer wenste Rhand dat Mart eens wat langer dan een paar tellen serieus over iets kon nadenken. Hun eigen positie was op dat moment ook niet al te prettig. ‘Ik ga wat melk halen,’ zei hij.
Misschien zou hij dan wat beter slapen. Misschien droom ik dan vannacht niet.
Lan keek hem scherp aan. ‘Er is iets mis vanavond. Ga niet te ver weg. En denk erom dat we weggaan, al moeten we je aan je zadel vastbinden.’
De zwaardhand liep de trap op. De anderen volgden, maar hun opgewektheid was verdwenen. Rhand bleef alleen in de gang achter. Na alle drukte was het nu inderdaad echt leeg.
Hij haastte zich naar de keuken, waar een hulpje nog aan het werk was. Ze vulde een beker melk voor hem uit een aardewerken kan. Toen hij met de beker aan zijn mond de keuken uitkwam, kwam er van het andere eind van de gang een dofzwart geklede gestalte op hem af. Met bleke handen sloeg hij een donkere kap terug die zijn gezicht had verborgen. De mantel bewoog niet onder het lopen en zijn gezicht... Een mannengezicht, maar deegwit, als een slak onder een steen, en zonder ogen. Tussen zijn vettige zwarte haren en vette wangen was de huid even glad als een eierschaal. Rhand verslikte zich en spoog zijn melk uit.