‘Jij bent een van hen, jongen,’ zei de Schim; zijn schorre gefluister was als een vijl die langs bot raspt.
Rhand liet de beker vallen en deinsde achteruit. Hij wilde wegrennen, maar hij kon alleen maar wegschuifelen. Hij kon zijn ogen niet van dat oogloze gezicht afwenden; zijn ogen werden vastgehouden en zijn maag verschrompelde. Hij probeerde om hulp te schreeuwen, te gillen, maar zijn keel voelde aan als steen. Iedere ademstoot deed pijn.
De Schim gleed zonder haast dichterbij. De stappen hadden de dreigende, dodelijke sierlijkheid als van een adder. De overeenkomst werd nog versterkt door de elkaar overlappende, zwartleren borstplaten. Dunne, bloedeloze lippen wrongen zich tot een wrede glimlach en de gladde bleke huid zonder ogen maakte die nog honender. De stem van Bornhald was warm en zacht vergeleken met die van de Schim.
‘Waar zijn de anderen? Ik weet dat ze hier zijn. Spreek, jongen, en ik laat je in leven.’
Rhands rug raakte hout, een muur of een deur. Hij kon zich niet omdraaien om te zien wat het was. Nu zijn voeten stilstonden, kon hij ze niet meer in beweging krijgen. Hij huiverde en zag de Myrddraal naderbij glijden. Bij iedere langzame beweging ging hij harder beven.
‘Spreek, zeg ik je, of...’
Van boven klonk het vlugge geluid van laarzen op de trap naar de tweede verdieping, en de Myrddraal zweeg en wervelde rond. De mantel hing stil. Heel even hield de Schim zijn hoofd schuin, alsof die oogloze blik door hout heen kon dringen. Een zwaard verscheen in zijn lijkwitte hand, de kling even zwart als de mantel. Het licht in de hal leek door dat wapen doffer te worden. Het geroffel van de laarzen klonk luider en de Schim kronkelde als een slang weer naar Rhand. De zwarte kling rees en smalle lippen trokken zich samen voor een snauwende grimas.
Bevend wist Rhand dat hij ging sterven. Middernachtelijk staal flitste naar zijn hoofd... en bleef erboven hangen.
‘Jij behoort de Grote Heer van het Duister.’ Het hijgende gerasp van zijn stem klonk als vingernagels langs een lei. ‘Jij bent de zijne.’
In een zwart waas tolde de Schim rond en sprong weg van Rhand, de gang in. De schaduwen aan het eind van de gang werden dieper en hij was verdwenen.
Lan sprong met getrokken zwaard de laatste treden af en kwam dreunend neer.
Het kostte Rhand moeite zijn stem terug te vinden. ‘Schim,’ hijgde hij. ‘Hij was...’ Opeens herinnerde hij zich zijn zwaard. Toen de Myrddraal hem aankeek, had hij er geen moment aan gedacht. Hij trok het reigerzwaard nu onhandig tevoorschijn en gaf er niet om dat het te laat was. ‘Hij ging die kant op!’
Lan knikte afwezig; hij leek naar iets anders te luisteren. ‘Ja. Hij gaat weg, hij vervaagt. Geen tijd meer om hem te achtervolgen. We vertrekken, schaapherder.’
Nog meer laarzen stommelden de trappen af: Mart, Perijn en Thom, behangen met zadeltassen en dekenrollen. Mart was zijn deken nog aan het oprollen, met de boog onhandig onder zijn arm geklemd.
‘Vertrekken?’ zei Rhand. Hij stak zijn zwaard terug en nam zijn spullen over van Thom. ‘Nu? Midden in de nacht?’
‘Wil je wachten tot de Halfman terugkomt, schaapherder?’ zei de zwaardhand ongeduldig. ‘Tot er een stuk of vijf voor je neus staan? Hij weet nu waar we zijn.’
‘Ik rij weer met jullie mee,’ zei Thom tegen de zwaardhand, ‘als je geen bezwaar hebt. Te veel mensen weten dat ik hier in jullie gezelschap aankwam. Ik ben bang dat dit nog voor de ochtend een slechte plek zal zijn om bekend te staan als jullie vriend.’
‘Je kunt met ons mee, speelman, of je kunt naar Shayol Ghul rijden.’ Lans schede rinkelde door de kracht waarmee hij zijn zwaard terugstak.
Een stalknecht kwam door de achterdeur binnen en haastte zich langs hen heen en toen verscheen Moiraine met baas Fits, met achter haar Egwene, die haar opgerolde sjaal droeg. En Nynaeve. Egwene leek doodsbang, bijna in tranen, maar het gezicht van de Wijsheid was een masker van kille boosheid.
‘U mag hier niet te licht over denken,’ maakte Moiraine de herbergier duidelijk. ‘U zult hier morgenochtend zeker moeilijkheden krijgen. Mogelijk Duistervrienden, misschien nog erger. Als het zover is, maak ze dan snel duidelijk dat wij weg zijn. Bied geen verzet. Laat wie dan ook weten dat we midden in de nacht zijn vertrokken en dat ze u niet meer lastig moeten vallen. Ze willen ons hebben.’
‘Maakt u zich maar niet druk over moeilijkheden,’ antwoordde baas Fits gemoedelijk. ‘Helemaal niet. Als iemand in de buurt van mijn herberg komt en het mijn gasten moeilijk wil maken... nou, mijn knechten en ik zullen korte metten met ze maken. Heel korte metten. En van mij horen ze geen woord, waar u heen bent of wanneer u bent weggegaan, zelfs niet of u hier bent geweest. Met dat slag wil ik niets te maken hebben. Niemand hier zal ook maar een woord over u zeggen. Geen woord!’
‘Maar...’
‘Vrouw Alys, ik moet nu echt voor uw paarden gaan zorgen als u op een nette manier wilt vertrekken.’ Hij maakte zich los uit haar greep op zijn arm en draafde naar de stallen.
Moiraine zuchtte geërgerd. ‘Koppige, koppige man. Hij wil niet luisteren.’
‘Denkt u dat de Trolloks ons hier zullen aanvallen?’ vroeg Mart.
‘Trolloks?’ snauwde Moiraine. ‘Natuurlijk niet! Er zijn andere dingen die we moeten vrezen, bijvoorbeeld hoe het komt dat we hier gevonden zijn.’ Ze negeerde Marts nijdige blik en praatte snel door. ‘De Schim zal niet aannemen dat we hier blijven, nu we weten dat hij ons heeft gevonden, maar baas Fits denkt veel te licht over Duistervrienden. Hij ziet ze als stakkers die zich in de schaduw verbergen, maar Duistervrienden kunnen in elke winkel en straat van iedere stad gevonden worden, tot in de hoogste rangen. Mogelijk stuurt de Myrddraal ze om achter onze plannen te komen.’ Ze draaide zich om en verdween met Lan op haar hielen.
Toen ze naar het erf liepen, voegde Rhand zich bij Nynaeve. Ook zij droeg haar zadeltassen en dekens. ‘Dus je komt toch met ons mee,’ zei hij. Min had gelijk.
‘Was er écht iets, hier beneden?’ vroeg ze kalm. ‘Dat mens zei dat het...’ Ze zweeg opeens en keek hem aan.
‘Een Schim,’ antwoordde hij. Hij stond versteld dat hij het zo kalm kon zeggen. ‘Hij stond voor me in de gang tot Lan kwam.’
Nynaeve trok haar mantel dicht toen ze uit de herberg stapten. ‘Misschien worden jullie inderdaad door iets achtervolgd. Maar ik ben hier om jullie veilig naar Emondsveld terug te brengen, alle vier, en ik ga niet weg tot dat gedaan is. Ik laat jullie niet alleen bij dat slag vrouwen.’ In de stallen bewogen lichtjes toen de knechten de paarden opzadelden.
‘Mut!’ schreeuwde de herbergier die in de poort naast Moiraine stond. ‘Laat je handen wapperen!’ Hij wendde zich weer tot haar, en het leek eerder een poging haar gerust te stellen dan dat hij echt naar haar luisterde, hoewel hij het verontschuldigend deed, met nu en dan een buiging en afgewisseld met bevelen naar de stalknechten.
De paarden werden naar buiten geleid en de stalknechten mopperden zachtjes over de haast en het late uur. Rhand hield Egwenes bundel vast en reikte hem aan toen ze op Bela’s rug zat. Ze keek hem met grote, angstige ogen aan. Ze denkt gelukkig niet meer dat het een avontuurtje is.
Hij schaamde zich voor die gedachte. Zij verkeerde in gevaar door hem en zijn vrienden. Zelfs alleen terugrijden naar Emondsveld zou veiliger zijn dan verdergaan. ‘Egwene, ik...’
De woorden stierven in zijn mond. Ze was te koppig om gewoon naar huis te gaan, niet nadat ze had gezegd dat ze helemaal naar Tar Valon wilde reizen. En wat had Min ook alweer gezegd? Ze maakt er deel van uit. Licht! Deel van wat?
‘Egwene,’ zei hij. ‘Het spijt me. Ik lijk niet meer goed na te kunnen denken.’
Ze boog zich voorover en hield zijn hand stevig vast. In het stallicht kon hij haar gezicht duidelijk zien. Ze keek niet meer zo bang.
Toen ze allen waren opgestegen, stond baas Fits erop ze naar de poort te leiden. De stalhulpen verlichtten hun pad met hun lantaarns. De dikbuikige herbergier deed hen met diepe buigingen uitgeleide en verzekerde nogmaals dat hij hun geheimen zou bewaren en nodigde hen uit nog eens langs te komen. Mut stond even zuur toe te kijken als toen hij hen had zien aankomen.