De Aes Sedai schudde van nee. ‘Waarom laten ze ons weten dat zeer zijn? Misschien omdat wij ons dan verder haasten zonder te denken aan wat er op de weg voor ons kan zijn.’
Ze gingen door in dezelfde gestage draf. Met tussenpozen schalden de hoorns achter hen en iedere keer klonk het geluid dichterbij.
Rhand probeerde er niet aan te denken hoe dichtbij, maar bij iedere scherpe hoornstoot drong de gedachte zich toch op. Vijf span, dacht hijbezorgd, toen Lan opeens in volle galop op de heuvel achter hen opdoemde.
Hij kwam naast Moiraine rijden. ‘Minstens drie vuisten Trolloks, elk geleid door een Halfman. Misschien vijf.’
‘Als je zo dichtbij was dat je ze kon zien,’ zei Egwene bezorgd, ‘dan konden ze jou ook zien. Ze zouden je op de hielen kunnen zitten.’
‘Hij is niet gezien.’ Nynaeve rechtte haar rug toen iedereen haar aankeek. ‘Ik heb zijn spoor gevolgd, weet je nog?’
‘Stil,’ beval Moiraine. ‘Lan vertelt ons net dat er mogelijk vijfhonderd Trolloks achter ons zijn.’ Een verbijsterde stilte volgde tot Lan weer sprak.
‘En ze lopen snel op ons in. Ze halen ons in een klein uur in.’ Half tegen zichzelf zei de Aes Sedai: ‘Als ze er eerder al zoveel hadden, waarom werden ze dan niet gebruikt in Emondsveld? En als ze er toen nog niet zoveel hadden, hoe zijn ze dan hier gekomen?’
‘Ze hebben zich verspreid, zodat ze ons voor hen uit kunnen drijven,’ zei Lan, ‘met verkenners die voor de hoofdmacht uittrekken.’
‘Waar willen ze ons heen drijven?’ peinsde Moiraine. Bij wijze van antwoord klonk ver in het westen een hoorn, een lang aangehouden gejammer dat door andere werd beantwoord. Allemaal vóór hen uit.
Moiraine hield Aldieb in; de anderen volgden haar voorbeeld. ‘Thom en de Emondsvelders keken bevreesd rond. Hoorns schalden nu luid, zowel voor als achter hen. Rhand vond dat ze triomfantelijk klonken.
‘Wat doen we nu?’ wilde Nynaeve boos weten. ‘Waar gaan we heen?’
‘Alleen noord of zuid blijven ons nog over,’ zei Moiraine eerder hardop denkend dan dat ze de Wijsheid antwoord wilde geven, in het zuiden liggen de kale, dode Heuvels van Abser en de Taren, zonder mogelijkheid haar over te steken en zonder scheepvaart. Naar het noorden kunnen we voor het vallen van de avond de Arinelle bereiken en daar hebben we kans op een vrachtvaarder. Tenminste, als het ijs in Maradon is gebroken.’
‘Er is een plek waar de Trolloks niet zullen komen,’ zei Lan, maar Moiraine schudde meteen fel haar hoofd.
‘Nee!’ Ze gebaarde naar Lan en hij hield zijn hoofd vlak bij het hare, zodat hun gesprek niet afgeluisterd kon worden.
De hoorns schalden en Rhand voelde hoe Wolk zenuwachtig heen en weer danste.
‘Ze proberen ons bang te maken,’ gromde Thom, die probeerde zijn paard te kalmeren. Het klonk half boos en half alsof de Trolloks erin slaagden. ‘Ze proberen ons zo bang te maken dat we in paniek op de vlucht slaan. Dan hebben ze ons meteen.’
Bij ieder hoorngeschal draaide Egwene haar hoofd. Ze tuurde strak naar voren, dan weer naar achteren, alsof ze de eerste Trolloks zocht.
Rhand wilde hetzelfde doen, maar probeerde het te verbergen. Hij bewoog Wolk dichter naar haar toe.
‘We gaan naar het noorden,’ kondigde Moiraine aan.
De hoorns klaagden schril toen ze de weg verlieten en de omringende heuvels in draafden.
De heuvels waren laag, maar het was voortdurend omhoog en omlaag, zonder ooit een vlak stuk, onder kale bomen en dode struiken. De paarden beklommen zwoegend de ene helling en draafden de andere weer af. Lan zette er een flinke draf in, sneller dan op de Caemlinweg.
Takken zwiepten tegen Rhands gezicht en borst. Oude klimplanten en ranken grepen zijn armen en soms werd zijn voet uit de beugel getrokken. De klagende hoorns kwamen dichterbij en klonken steeds vaker.
Hoe hard Lan hen ook voortdreef, ze kwamen niet erg snel vooruit. Elke stap vooruit kostte twee stappen omhoog of omlaag en iedere pas verder was een vermoeiende worsteling. De hoorns naderden. Twee span, dacht hij. Misschien minder.
Na een tijdje begon Lan alle kanten uit te kijken. De harde lijnen van zijn gezicht stonden bijna bezorgd, wat Rhand nog niet eerder had gezien. Eenmaal ging de zwaardhand in zijn stijgbeugels staan om achter zich te turen, maar Rhand zag alleen maar bomen. Lan zette zich weer in het zadel en zocht het bos weer af. Onbewust schoof hij zijn mantel terug om zijn zwaard vrij te maken.
Rhand keek Mart vragend aan, maar Mart grimaste slechts naar de rug van de zwaardhand en haalde hulpeloos zijn schouders op.
Toen keek Lan om en zei: ‘Er zijn Trolloks vlakbij.’ Ze kwamen op een heuveltop en begonnen af te dalen. ‘Waarschijnlijk enkele verkenners die voor de anderen zijn uitgestuurd. Als we ze tegenkomen, blijf dan koste wat kost vlak bij me en doe wat ik doe. We moeten deze richting tegen elke prijs aanhouden.’
‘Bloed en as!’ mompelde Thom. Nynaeve gebaarde Egwene dichterbij te komen.
Hier en daar stonden groepjes naaldbomen die de enige beschutting vormden, maar Rhand probeerde alle kanten tegelijk uit te kijken. Zijn verbeelding veranderde de grijzige boomstammen die hij vanuit zijn ooghoeken zag, in Trolloks. Ook de hoorns klonken dichterbij. En vlak achter hen. Hij wist het zeker. Achter hen en vlakbij.
Ze bereikten de volgende heuveltop.
Onder hen, net aan de voet van de helling, marcheerden Trolloks. Ze droegen stokken met grote koordlussen of lange haken. De rij strekte zich ver naar beide kanten uit, de laatsten waren niet te zien, maar in het midden, recht voor Lan, reed een Schim.
De Myrddraal leek te aarzelen toen de mensen boven aan de heuvel verschenen. Het volgende ogenblik trok hij een zwaard met eenzelfde zwarte kling als Rhand zich benauwd herinnerde en zwaaide ermee boven zijn hoofd. De Trolloks klauterden naar voren.
Zelfs voordat de Myrddraal bewoog, lag Lans zwaard al in zijn hand.
‘Blijf vlak bij me!’ riep hij, en Mandarb dook de helling af naar de Trolloks. ‘Voor de Zeven Torens,’ riep hij.
Rhand slikte en dreef de grijze voorwaarts; de hele groep stormde achter de zwaardhand omlaag. Verrast zag hij dat hij Thams zwaard in zijn hand hield. Aangevuurd door Lans kreet vond hij zijn eigen schreeuw: ‘Manetheren! Manetheren’
Maar Mart schreeuwde: ‘Carai an Caldazar! Carai an Ellisande! Al Ellisande!’
Het hoofd van de Schim wendde zich van de Trolloks naar de ruiters die op hem afstormden. Het zwarte zwaard bevroor boven zijn hoofd; de opening van de mantelkap draaide rond en zocht tussen de aanstormende ruiters.
Toen bereikte Lan de Myrddraal, terwijl de anderen de rij Trolloks bestormden. Het wapen van de zwaardhand sloeg op het zwarte staal uit de smidsvuren van Thakan’dar met een galm als een grote klok die hol in het dal weerkaatste. Een blauwe lichtflits vulde de lucht als bliksemvuur.
Namaakmensen met dierensnuiten zwermden om iedere mens heen terwijl vangstokken en haken rondzwaaiden. Alleen Lan en de Myrddraal vermeden ze; die twee vochten in een lege cirkel, met zwarte paarden die zich stap voor stap naar elkaar toe bewogen en met zwaarden die slag op slag sloegen. De lucht flitste en weergalmde van de slagen.
Wolk gilde met rollende ogen, bokte en sloeg met zijn hoeven naar de grauwende scherpgetande snuiten die hen omringden. Zware lijven drongen schouder aan schouder op. Meedogenloos dreef Rhand zijn hielen in de flanken en spoorde de grijze nietsontziend aan. Hij zwaaide zijn zwaard onhandig rond alsof hij niets van Lans lessen had geleerd en hout aan het hakken was. Egwene! Wanhopig zocht hij haar, terwijl hij zijn grijze verder dreef en zich een pad door de harige lijven houwde alsof hij struiken omhakte.
Moiraines witte merrie sprong en bleef op het kleinste teken van de teugels staan. Het gezicht van de Aes Sedai stond even hard als dat van Lan terwijl ze haar staf rondzwaaide. Vlammen omhulden Trolloks, barstten dan uit in brullend geraas en lieten verstarde en misvormde gestalten op de grond achter. Nynaeve en Egwene reden vlak naast de Aes Sedai mee; hun tanden blikkerden bijna even woest als die van de Trolloks en hun messen lagen in de hand, maar het korte lemmet zou nutteloos zijn als de Trolloks te dichtbij kwamen.