Rhand probeerde Wolk naar ze toe te sturen, maar de grijze leek dol. Briesend en wild trappelend worstelde Wolk zich verder, hoe hard Rhand ook aan de teugels trok.
Rond de drie vrouwen ontstond een lege ruimte toen de Trolloks voor Moiraines staf probeerden weg te vluchten. Terwijl zij haar probeerden te vermijden, zocht de Aes Sedai hen juist op. Vlammen laaiden op en de Trolloks huilden van razernij en woede. Boven het gebrul en gedonder uit klonk het galmen van Lans zwaard tegen dat van de Myrddraal; de lucht rond hen vlamde blauw op, opnieuw en opnieuw.
Een lus aan het eind van een stok gleed langs Rhands hoofd. Met een onhandige zwaai sloeg hij de vangstok doormidden en hakte toen in op de Trollok met de geitensnuit die de stok vasthield. Een haak greep van achteren zijn schouder en bleef vastzitten in zijn mantel, waardoor hij achterover werd gerukt. Hij verloor bijna zijn zwaard en om te blijven zitten klemde hij zich wanhopig vast aan de zadelknop. Wolk draaide rond en hinnikte schril. Rhand hield uit alle macht het zadel en de teugels vast; hij kon voelen hoe hij door de haak duim voor duim weggleed. Wolk zwaaide rond en heel even zag Rhand Perijn, half uit zijn zadel, vechtend om zijn bijl aan drie Trolloks te ontworstelen. Ze hadden hem aan een arm en beide benen vast. Wolk dook omlaag en Rhands ogen zagen alleen nog Trolloks. Een Trollok sprong naar voren en greep Rhands been en trok zijn voet uit de stijgbeugel. Hijgend liet hij het zadel los om hem neer te steken. Meteen trok de haak hem uit zijn zadel, achter op Wolk; alleen doordat hij wanhopig de teugels vasthield, viel hij niet op de grond. Wolk stapte wild achteruit en brieste. Op hetzelfde ogenblik hield het trekken op. De Trollok bij zijn been stak zijn handen op en gilde. Alle Trolloks krijsten en jankten, alsof alle honden ter wereld gek waren geworden.
Rond de mensen vielen alle Trolloks kronkelend op de grond, rukten aan hun vacht of haar en klauwden in hun eigen snuiten. Ze hapten in de grond, beten in het niets, jankten, jankten en jankten.
Toen zag Rhand de Myrddraal. Nog steeds rechtop in het zadel van het wild rondspringende paard, nog steeds het zwarte zwaard rondzwaaiend, maar zonder hoofd.
‘Hij sterft pas als de nacht valt,’ moest Thom schreeuwen, zwaar hijgend boven het onophoudelijke gekrijs uit. ‘Niet geheel. Dat heb ik in ieder geval gehoord.’
‘Rijden!’ brulde Lan kwaad. De zwaardhand had Moiraine en de andere twee vrouwen reeds bij zich en was al halverwege de volgende helling. ‘Dit zijn ze niet allemaal!’ Naast het gegil van de Trolloks op de grond hoorden ze uit het oosten, westen en zuiden inderdaad de klagende hoorns weer.
Wonderlijk genoeg was Mart de enige die van zijn paard was getrokken.
Rhand draafde naar hem toe, maar Mart trok zelf al rillend een lus van zich af, pakte zijn boog en klauterde zonder hulp weer in het zadel, hoewel hij langs zijn keel wreef.
De hoorns basten als honden die de geur van een hert in de neus kregen. Honden die hen insloten. Mocht Lan eerder al een flinke draf hebben ingezet, nu reed hij tweemaal zo snel, tot de paarden sneller tegen een helling opkrabbelden dan ze eerder omlaag hadden gehold. Heuvelafwaarts gooiden ze zich bijna omlaag. Maar nog steeds kwamen de hoorns dichterbij, tot ze de schorre kreten van de achtervolgers konden horen als de hoorns even zwegen. Uiteindelijk bereikten de mensen een heuveltop en zagen toen op de heuvel achter hen de Trolloks verschijnen. De heuvel werd zwart van de Trolloks, snuiten en jankende verwrongen bekken, overheerst door drie Myrddraal die allen angst aanjoegen. Slechts honderd stap scheidde de twee groepen.
Rhands hart kromp ineen als een verschrompelde druif. Drie!
De zwarte zwaarden van de Myrddraal verhieven zich tegelijk; een dikke laag Trolloks rolde van de heuvel af, overwinningskreten klonken op en vangstokken dansten op en neer toen ze naar beneden renden.
Moiraine stapte van Aldieb af. Kalm haalde ze iets uit haar buidel en pakte het uit. Rhand ving een glimp op van donker ivoor. De angreaal. Met de angreaal in de ene en de staf in de andere hand zette de Aes Sedai zich schrap, met haar gezicht naar de aanstormende Trolloks en de zwarte zwaarden van de Schimmen. Ze hier haar staf hoog en stootte die toen voor haar voeten in de grond.
De aarde dreunde als een ijzeren ketel waar met een smidshamer op wordt geslagen. De holle galm vervaagde en stierf weg. Heel even was het stil. Alles was stil. De wind was gaan liggen. Het geschreeuw van de Trolloks verstilde; zelfs hun stormloop vertraagde en stopte. Eén hartslag lang wachtte iedereen. Langzaam keerde het doffe dreunen terug en het veranderde in een laag gerommel dat toenam tot de aarde zelf begon te kreunen.
De grond beefde onder Wolks hoeven. Dit was een daad van een Aes Sedai zoals de verhalen vertelden. Rhand wilde dat hij honderd span weg was. Het trillen werd een schudden dat de bomen om hen heen deed beven. De grijze struikelde en viel bijna. Zelfs Mandarb en de ruiterloze Aldieb steigerden alsof ze dronken waren, en wie te paard zat, moest zich aan iets, aan teugels of manen, vastklampen om in het zadel te blijven.
De Aes Sedai stond nog steeds zoals in het begin. Ze hield de angreaal en haar in de heuveltop gestoken staf vast en noch zij, noch de staf bewoog een duim ondanks alle schokken en trillingen om haar heen. Toen rimpelde vlak voor haar staf de grond en golfde naar de Trolloks toe als rimpels in een vijver, rimpels die al rollend hoger worden. Bladerloze struiken werden ontworteld, dode bladeren werden opgegooid, en de rimpels groeiden en werden golven aarde die op de Trolloks afrolden. In het dal zwiepten bomen als twijgen in de handen van kleine jongens. Op de andere helling vielen de Trolloks in verwarde hopen neer, tuimelden rond op de ziedende aarde. Maar de Myrddraal trokken naast elkaar verder op alsof de grond om hen heen helemaal niet schudde. Hun doodszwarre paarden misten geen enkele stap, de hoeven werden tegelijk geheven. Overal rond de zwarte rossen rolden de Trolloks in het rond en grepen jankend naar de helling die hen opstuwde, maar de Myrddraal kwamen langzaam dichterbij.
Moiraine hief haar staf en de aarde verstilde, maar ze was nog niet klaar. Ze wees naar het dal tussen de heuvels en een vlam sprong op uit de grond, een vlammende fontein van twintig voet hoog. Ze spreidde haar armen en het vuur snelde naar links en rechts, zo ver als het oog reikte, een muur van vuur die de mensen van de Trolloks scheidde. Door de hitte moest Rhand zelfs op de heuveltop zijn handen voor zijn gezicht houden. De zwarte rossen van de Myrddraal krijsten, ondanks de vreemde krachten die ze bezaten. Ze stapten weerbarstig achteruit en verzetten zich tegen hun ruiters toen de Myrddraal ze sloegen en probeerden ze door de vlammen te laten rijden.
‘Bloed en as,,’ zei Mart zwakjes. Rhand knikte stom.
Opeens zakte Moiraine in elkaar; ze zou zijn gevallen als Lan niet van zijn paard was gesprongen om haar op te vangen. ‘Rij verder,’ zei hij tegen de anderen. De barsheid in zijn stem stak schril af tegen de tederheid waarmee hij de Aes Sedai in het zadel zette. ‘Dat vuur blijft niet branden. Schiet op! Elke minuut telt!’
Maar de muur van vlammen brulde alsof die altijd zou branden. Rhand besloot er niet over te twisten. Ze galoppeerden zo snel hun paarden konden naar het noorden. De hoorns in de verte bliezen schril hun teleurstelling, alsof ze reeds wisten wat er was gebeurd, en zwegen toen.
Lan en Moiraine haalden de anderen gauw in, hoewel Lan Aldieb aan de teugel meetrok en de Aes Sedai zat te zwaaien in haar zadel en met beide handen de zadelknop vasthield. ‘Ik ben zo weer in orde,’ zei ze toen ze hun bezorgde blikken zag. Ze klonk vermoeid maar vol vertrouwen en haar blik was even dwingend als altijd. ‘Ik ben niet op mijn best als ik met Aarde en Vuur werk. Een kleinigheid.’
Het tweetal ging weer op kop en hield er een snelle gang in. Rhand dacht niet dat Moiraine bij een snellere draf in het zadel kon blijven. Nynaeve reed naar voren, tot naast de Aes Sedai, en steunde haar met een hand. Terwijl de groep doorreed, bleven de twee vrouwen een tijdlang fluisteren. Toen zocht de Wijsheid in haar mantel en reikte Moiraine een klein pakje aan. Moiraine maakte het open en stak de inhoud in haar mond. Nynaeve zei nog iets en liet zich toen weer terugvallen naar de anderen en negeerde hun vragende blikken. Ondanks hun toestand meende Rhand een klein voldaan blikje te zien. Hij gaf er niet echt om wat de Wijsheid van plan was. Hij bleef maar over het gevest van zijn zwaard wrijven en telkens als hij besefte wat hij aan het doen was, keek hij verbaasd omlaag. Dus zo gaat het er in een veldslag aan toe. Hij kon zich er niet veel meer van herinneren, niet een bepaald gedeelte tenminste. In zijn hoofd was de hele slag een chaos, een in elkaar gesmolten massa harige snuiten en vrees. Vrees en hitte. Het was net een hete zomermiddag geweest en hij begreep niet waardoor dat kwam. De ijzige wind probeerde de druppels zweet op zijn gezicht en lichaam te bevriezen.