Hij keek even naar zijn twee vrienden. Mart zat met een puntje van zijn mantel zijn gezicht droog te wrijven. Perijn staarde naar iets in de verte wat hem niet aanstond en leek de zweetdruppels op zijn voorhoofd niet te voelen.
De heuvels werden lager en het land werd vlakker, maar in plaats van zich verder te haasten hield Lan zijn paard in. Nynaeve maakte een beweging alsof ze zich weer bij Moiraine wilde voegen, maar een blik van de zwaardhand hield haar op afstand. Hij en de Aes Sedai reden verder en staken hun hoofden bij elkaar en uit Moiraines gebaren bleek dat ze een meningsverschil hadden. Nynaeve en Thom keken strak naar het tweetal, de Wijsheid met een bezorgde frons op haar voorhoofd. De speelman zat binnensmonds te mompelen en keek nu en dan achter hen, maar de anderen vermeden naar het tweetal te kijken. Wie wist wat een ruzie tussen een Aes Sedai en een zwaardhand zou brengen?
Na een paar minuten zei Egwene zachtjes tegen Rhand, terwijl ze schuw naar het nog ruziënde paar keek: ‘Die dingen die je tegen de Trolloks schreeuwde...’ Ze zweeg alsof ze niet wist hoe ze verder moest gaan.
‘Wat is daarmee?’ vroeg Rhand. Hij voelde zich verlegen – oorlogskreten pasten bij zwaardhanden, maar het volk van Tweewater deed dat soort dingen niet, wat Moiraine ook mocht hebben verteld – maar als ze hem ermee wilde plagen... ‘Mart moet dat verhaal wel tien keer hebben naverteld.’
‘En slecht ook,’ wierp Thom op. Mart protesteerde grommend.
‘Hoe hij het ook heeft verteld,’ zei Rhand, ‘we hebben het allemaal verschillende keren gehoord. Bovendien moesten we toch iets roepen. Ik bedoel, wat doe je anders op zo’n moment? Je hebt Lan gehoord.’
‘En wij hebben er het recht toe,’ voegde Perijn er nadenkend aan toe.
‘Moiraine zegt dat wij allen afstammen van die mensen van Manetheren. Zij hebben tegen de Duistere gevochten en nu vechten wij tegen de Duistere. Dat geeft ons het recht.’
Egwene snoof als om te tonen wat ze daarvan dacht. ‘Daar had ik het niet over. Wat... wat was jij aan het roepen, Mart?’
Mart haalde zijn schouders op, niet op zijn gemak. ‘Weet ik niet meer.’ Hij keek hen verdedigend aan. ‘Echt, ik weet het niet. Het is allemaal mistig. Ik weet niet wat het was, of waar het vandaan kwam, of wat het betekent.’ Hij lachte schaapachtig. ‘Ik denk niet dat het iets betekent.’
‘Ik denk... ik denk van wel,’ zei Egwene langzaam. Toen je dat riep, dacht ik even dat ik het begreep. Maar het is helemaal weg.’ Ze zuchtte en schudde haar hoofd. ‘Misschien heb je gelijk. Vreemd wat je je op zo’n moment kunt verbeelden, niet?’
‘Carai an Caldazar,’ zei Moiraine. Ze draaiden zich allemaal om en staarden haar aan. ‘Carai an Ellisande. Al Ellisande. Voor de eer van de Rode Adelaar. Voor de eer van de Zonneroos. De Zonneroos. De oeroude strijdkreet van Manetheren en de strijdkreet van haar laarste koning. Eldrene werd de Zonneroos genoemd.’ Moiraines glimlach omvatte zowel Egwene als Mart, hoewel haar blik iets langer op hem dan op haar leek te rusten. ‘Het bloed van Aemons geslacht is nog sterk in Tweewater. Nog steeds zingt het oude bloed.’
Mart en Egwene keken elkaar aan, terwijl alle anderen hen aanstaarden. Egwene zette grote ogen op en haar mond wilde voortdurend een glimlach vormen, die ze iedere keer weer verbeet als hij begon, alsof ze niet zeker wist hoe ze dat gepraat over het oude bloed op moest vatten. Mart wist het wel, aan de nijdige frons op zijn gezicht te zien.
Rhand dacht dat hij wist wat Mart dacht. Hetzelfde waar hij aan dacht. Als Mart een afstammeling was van de oeroude koningen van Manetheren, dan waren de Trolloks misschien naar hém op jacht en niet naar hun drieën. Hij schaamde zich voor die gedachte. Hij liep rood aan en toen hij de berouwvolle grijns op Perijns gezicht zag, wist hij dat Perijn precies hetzelfde had gedacht.
‘Ik kan niet zeggen dat ik ooit van zoiets heb gehoord,’ zei Thom even later. Hij schudde even met zijn schouders en sprak bruusk verder. ‘Een andere keer maak ik er mogelijk een verhaal van, maar op dit moment... Bent u van plan de rest van de dag hier te blijven, Aes Sedai?’
‘Nee,’ antwoordde Moiraine, haar teugels aantrekkend.
Uit het zuiden weerklonk een Trollokhoorn, alsof die haar antwoord wilde onderstrepen. Nog meer hoorns uit oost en west gaven antwoord. De paarden hinnikten en stapten zenuwachtig opzij.
‘Ze zijn voorbij het vuur,’ zei Lan kalm. Hij wendde zich tot Moiraine. ‘U bent nog niet sterk genoeg voor wat u van plan bent, niet zonder te rusten. En Myrddraal noch Trollok zal die plek betreden.’
Moiraine hief haar hand alsof ze hem tot zwijgen wilde brengen, zuchtte toen en liet hem weer zakken. ‘Goed dan,’ zei ze geërgerd. ‘Je hebt gelijk, veronderstel ik, maar ik had liever gehad dat we een andere keus hadden.’ Ze trok haar staf uit de zadelriem. ‘Ga om me heen staan, jullie allemaal. Zo dichtbij als je kunt. Dichterbij.’
Rhand dwong Wolk tot naast de merrie van de Aes Sedai. Op aandringen van Moiraine bleven ze steeds nauwer aansluiten, tot het hoofd van ieder paard over de schoft of het kruis van een ander stak. Pas toen was de Aes Sedai tevreden. Zonder iets te zeggen richtte ze zich op in haar stijgbeugels en zwaaide met haar staf over hun hoofden. Ze rekte zich om er zeker van te zijn dat de cirkel iedereen omvatte.
Rhand dook iedere keer als de staf over hem heen bewoog in elkaar. Met elke zwaai schoot er een prikkeling door hem heen. Hij had de staf met gesloten ogen kunnen volgen door het rillen van zijn lichaam als de staf over hem heen zwaaide. Het verraste hem niet dat Lan er als enige niet door werd beïnvloed.
Opeens wees Moiraine met de staf naar het westen. Dode bladeren wervelden op en takken zwaaiden alsof een stofwolk in de door haar aangewezen richting wegschoot. Toen de onzichtbare werveling uit het zicht verdween, zakte ze met een zucht weer in het zadel neer. ‘Voor de Trolloks,’ zei ze, ‘lijken onze geuren en sporen dat daar te volgen. De Myrddraal zullen het op een gegeven moment doorzien, maar dan...’
‘Maar dan,’ zei Lan, ‘zijn wij verdwenen.’
‘Uw staf is heel machtig,’ zei Egwene, wat een honend gesnuif van Nynaeve opleverde.
Moiraine klakte met haar tong. ‘Ik heb je verteld, kind, dat dingen geen kracht hebben. De Ene Kracht komt van de Ware Bron en alleen een levende geest kan die beheersen. Dit is zelfs geen angreaal, louter een hulp om me te concentreren.’ Vermoeid stak ze haar staf terug achter haar zadelriem. ‘Lan?’
‘Volg me,’ zei de zwaardhand, ‘en houd je gedeisd. Alles zal voor niets zijn geweest als de Trolloks ons horen.’
Toen leidde hij hen verder naar het noorden, niet in de roffelendedraf die ze eerder hadden aangehouden, maar in de snelle draf waarmee ze de Caemlinweg hadden gevolgd. Het land werd steeds vlakker, hoewel het bos net zo dicht bleef.
Hun pad was niet langer recht, zoals eerst, want Lan leidde hen over harde grond en rotsgrond, en niet meer door struikgewas maar eromheen. Nu en dan liet hij zich afzakken, waarbij hij zorgvuldig hun spoor bekeek. Als iemand maar durfde te kuchen, ontlokte hem dat scherp gegrom.
Nynaeve reed naast de Aes Sedai en op haar gezicht vocht afkeer met bezorgdheid. En er was nog iets, dacht Rhand, bijna alsof de Wijsheid ergens op uit was. Moiraines schouders hingen omlaag en ze hield haar teugels en zadel met beide handen vast en zwaaide bij iedere stap van Aldieb heen en weer. Het leggen van een vals spoor, hoe klein ook, had haar na het scheppen van een aardbeving en een muur van vlammen duidelijk heel veel kracht gekost, kracht die ze niet kon missen.