Выбрать главу

Rhand wilde bijna dat de hoorns weer zouden beginnen. Op die manier kon je tenminste schatten hoe ver de Trolloks achterlagen. En de Schimmen.

Hij bleef maar omkijken en was dus niet de eerste die zag wat voor hen opdoemde. Toen hij keek, staarde hij ernaar en werd met stomheid geslagen. Een grote onregelmatige massa strekte zich naar alle kanten uit, zo ver als hij kon kijken. Op de meeste plekken was hij even hoog als de bomen en hier en daar staken er zelfs nog spitsen bovenuit. Bladerloze ranken en klimplanten bedekten het geheel in dikke lagen. Een rotswand? De ranken maken het beklimmen gemakkelijk, maar we krijgen de paarden nooit boven.

Toen ze dichterbij reden, zag hij opeens een toren. Een echte toren, niet een of andere rotsmassa, met een vreemde spitse koepel erop.

‘Een stad!’ zei hij. En een stadsmuur en de spitsen waren wachttorens op de muur. Zijn mond viel open. Het moest wel tien keer zo groot zijn als Baerlon. Vijftig keer zo groot.

Mart knikte. ‘Een stad,’ beaamde hij. ‘Maar hoe kan er hier een stad liggen, midden in dit bos?’

‘En zonder mensen,’ zei Perijn. Toen ze hem aankeken, wees hij naar de muur. ‘Zouden mensen daar allemaal planten over laten groeien? Je weet hoe klimplanten een muur kunnen vernielen. Kijk eens hoe vervallen hij is.’

Wat Rhand toen zag, paste bij Perijns opmerking. Perijn had gelijk.

Onder vrijwel iedere plek waar de muur lager was, lag een met struiken begroeid heuveltje: puin van de ingestorte muur erboven. Geen twee wachttorens waren even hoog.

‘Ik vraag me af welke stad dit was,’ peinsde Egwene. ‘Ik vraag me af wat ermee is gebeurd. Ik kan me niet herinneren of het op paps kaart stond.’

‘Hij werd Aridhol genoemd,’ zei Moiraine. ‘In de tijd van de Trollok-oorlogen was deze stad een bondgenoot van Manetheren.’ Ze staarde naar de geweldige muren en leek de anderen te vergeten, zelfs Nynaeve, die haar met een hand in het zadel hield. ‘Toen Aridhol stierf, kreeg deze plaats een andere naam.’

‘Welke naam?’ vroeg Mart.

‘Hier,’ zei Lan. Hij hield Mandarb in voor wat vroeger een poortopening was geweest, breed genoeg om vijftig man naast elkaar naar binnen te laten. Alleen de vervallen, dicht met ranken begroeide wachttorens waren er nog; van een poort viel niets te bekennen. ‘We gaan hier naar binnen.’ In de verte klonken schrille Trollokhoorns. Lan tuurde in de richting van het geluid, keek toen naar de zon die halverwege de boomkruinen in het westen was. ‘Ze hebben ontdekt dat het een vals spoor is. Kom, we moeten voor donker onderdak vinden.’

‘Hoe heette de stad?’ vroeg Mart weer.

Moiraine gaf antwoord toen ze de stad inreden. ‘Shadar Logoth,’ zei ze. ‘De stad wordt Shadar Logoth genoemd’

19

Schaduwwaak

Gebroken plavuizen knarsten onder de hoeven toen Lan hen de stad in leidde. Voor zover Rhand kon zien, was de hele stad een bouwval en even verlaten als Perijn had gezegd, geen vogel bewoog er, en oud en dood onkruid stak uit barsten in de muur en het plaveisel. Er waren meer gebouwen met ingestorte dan met hele daken. Omgevallen muren hadden hopen bakstenen over de straten uitgestrooid. Torens hielden opeens op, niet scherpe punten als afgebroken stokken. Ongelijke steenhopen met een paar knoestige bomen tegen hun flanken konden de overblijfselen zijn van paleizen en van hele rijen huizen in de stad.

Maar wat er nog overeind stond, was voldoende om Rhand de adem te benemen. Het grootste gebouw van Baerlon zou hier in de schaduw van bijna elk gebouw volkomen verdwenen zijn. Waar hij maar keek, viel zijn oog op bleekmarmeren paleizen met geweldige koepels. Ieder gebouw leek minstens één koepel te hebben, sommige hadden er vier of vijf en elk gebouw had een andere vorm. Brede voetpaden tussen de zuilen waren wel honderd pas lang en leidden naar torens die naar de hemel reikten. Op ieder kruispunt stond een bronzen fontein, of de albasten spits van een monument, of een standbeeld op een voetstuk. Al waren de fonteinen droog, de meeste spitsen omgevallen en vele beelden kapot, wat er overbleef, was zo groots dat hij vol ontzag rondkeek.

En ik dacht nog wet dat Baerlon een stad was! Drakenvuur! Thom moet al die tijd in zijn vuistje hebben gelachen. Net als Moiraine en Lan.

Hij was zo druk aan het rondkijken dat het hem verraste toen hij opeens stilhield voor een witstenen gebouw dat vroeger tweemaal zo groot was als De Bok en Leeuw in Baerlon. Het viel niet te zeggen wat het geweest was toen de stad nog leefde en groots was, misschien wel een herberg. Van de bovenverdiepingen was slechts een lege schelp over – in de lege venstergaten was de middaglucht zichtbaar, glas en hout waren sinds lang verdwenen – maar de begane grond zag er nog redelijk uit.

Moiraine hield zich nog steeds aan haar zadelknop vast en bekeek het gebouw nauwkeurig voor ze knikte. ‘Dit is wel goed.’ Lan sprong uit zijn zadel en tilde de Aes Sedai uit het hare. ‘Breng de paarden naar binnen,’ beval hij, ‘Zoek achterin een ruimte die we als stal kunnen gebruiken. Vooruit, boerenjongens. Dit is de dorpsbrink niet.’ Hij droeg de Aes Sedai naar binnen en verdween.

Nynaeve klom van haar paard en haastte zich achter hem aan, terwijl ze haar tas met kruiden en zalfjes meenam. Egwene volgde haar meteen. Ze lieten hun paarden achter.

‘Breng de paarden naar binnen.’ mompelde Thom droog en hij blies tegen zijn snor. Hij stapte stijf en langzaam van zijn paard, wreef langs zijn ruggengraat, slaakte een lange zucht en pakte toen Aldiebs teugels. ‘Nou?’ vroeg hij en hij trok een wenkbrauw op naar Rhand en zijn vrienden.

Ze stegen haastig af en verzamelden de andere paarden. De deuropening – er was niets wat aangaf dat er een deur was geweest – was groot genoeg om twee paarden naast elkaar naar binnen te brengen. Binnen kwamen ze in een geweldig vertrek, even breed als het gebouw, met een smerige tegelvloer en enkele gerafelde wandkleden die dofbruin verbleekt waren. Ze zagen eruit of ze bij de geringste aanraking tot stof uiteen zouden vallen. Lan had in de dichtstbijzijnde hoek een plekje uitgezocht waar Moiraine op zijn en haar mantel lag. Terwijl ze mopperde over het stof knielde Nynaeve naast de Aes Sedai neer en zocht in haar tas die Egwene voor haar openhield.

‘Ik mag haar niet, dat is waar,’ zei Nynaeve net tegen de zwaardhand, toen Rhand met Bela en Wolk achter Thom naar binnen stapte, ‘maar ik help alle mensen die mijn hulp nodig hebben, of ik ze mag of niet.’

‘Ik beschuldigde je niet, Wijsheid. Ik zei alleen dat je voorzichtig met je kruiden moest doen.’

Ze keek hem vanuit haar ooghoeken aan. ‘Het is een feit dat ze mijn kruiden nodig heeft, net als jij.’ Haar toon was bijtend en werd nog scherper toen ze verder ging. ‘Het is een feit dat haar krachten beperkt zijn, zelfs met haar Ene Kracht, en ze heeft alles gedaan wat mogelijk was voor ze instortte. Het is een feit dat je zwaard haar nu niet kan helpen. Heer van de Zeven Torens, maar mijn kruiden kunnen dat wel.’

Moiraine legde een hand op Lans arm. ‘Kalm, Lan. Ze bedoelt het niet kwaad. Ze weet het gewoon niet.’ De zwaardband snoof minachtend.

Nynaeve hield op met in haar tas zoeken en keek hem fronsend aan, maar het was tegen Moiraine dat ze zei: ‘Er zijn veel dingen die ik niet weet. Waar hebt u het over?’

‘Om te beginnen,’ antwoordde Moiraine, ‘heb ik echt alleen wat rust nodig. Verder ben ik het met je eens. Je kunde en kennis zullen nuttiger zijn dan ik dacht. Zeker als je iets hebt waardoor ik een uurtje kan slapen zonder dat ik me daarna beneveld voel...’

‘Een slappe thee van vossenstaartblad, marisin en...’

Rhand miste het einde ervan toen hij Thom naar de volgende kamer volgde, een vertrek dat even groot was en zelfs nog leger. Hier lag alleen stof, dik en onberoerd, tot zij binnenstapten. Er waren zelfs geen sporen van kleine dieren of vogels in het stof op de vloer te zien. Rhand begon Bela en Wolk af te zadelen, terwijl Thom zich met Aldieb en zijn eigen ruin bezighield en Perijn met zijn paard en Mandarb. Mart deed niets. Hij liet de teugels midden in de kamer vallen. Behalve de doorgang waardoor zij naar binnen waren gekomen, waren er nog twee andere doorgangen in de kamer.