‘Steegje,’ verklaarde Mart terwijl hij zijn hoofd uit de eerste terugtrok. Dat konden de anderen ook best zien. De tweede doorgang was slechts een zwarte rechthoek in de achtermuur. Mart stapte er langzaam doorheen en kwam er veel sneller uit terug, terw ijl bij verwoede pogingen deed om oud spinrag uit zijn haar te vegen. ‘Daar is niets,’ zei hij en hij keek opnieuw naar de steeg.
‘Ga je nou je paarden nog verzorgen?’ vroeg Perijn. Hij was al klaar niet het zijne en tilde net het zadel van Mandarb af. Vreemd genoeg gaf de trots ogende hengst hem helemaal geen problemen, al keek hij wel naar wat Perijn deed. ‘Niemand zal het voor jou opknappen.’
Mart wierp een laatste blik op de steeg en stapte met een zucht op zijn paard af.
Toen Rhand het zadel van Bcla op de grond legde, merkte hij dat er een norse blik in Marts ogen lag. Zijn ogen leken duizend span weg te zijn en hij bewoog zich houterig.
‘Gaat het wel goed met je, Mart?’ vroeg Rhand. Mart tilde het zadel van zijn paard en stond daar maar. ‘Mart? Mart!’
Mart schrok op en liet het zadel bijna vallen. ‘Wat? O, ik... ik dacht aan iets.’
‘Dacht?’ joelde Perijn, die het hoofdstel van Mandarb verving door een loopteugel. ‘Je stond te slapen.’
Mart gromde, ‘ik stond net te denken... over wat er daarstraks gebeurde. Over die woorden die ik...’ Ook Thom wendde zich toen naar Mart om hem aan te kijken, en Mart schuifelde verlegen met zijn voeten. ‘Nou, je hebt gehoord wat Moiraine zei. Alsof een of andere dode man door mijn mond sprak. Ik vind het niet leuk.’ Zijn blik werd somberder toen Perijn grinnikte.
‘De strijdkreet van Aemon, zei ze toch? Misschien ben jij Aemon die is teruggekeerd. Als ik eraan denk dat jij Emondsveld altijd zo saai vindt, moet je dat wel mooi vinden: een herboren koning en held te zijn.’
‘Zeg dat niet!’ Thom haalde diep adem en de drie jongens staarden hem aan. ‘Dat is gevaarlijk gepraat, stom gepraat. De doden kunnen opnieuw geboren worden of een levend lichaam nemen, en daar mag je niet lichtvaardig over praten.’ Hij ademde nog eens diep in om wat kalmer te worden en ging toen verder. ‘Het oude bloed, zei ze. Het bloed, niet een dode man. Ik heb gehoord dat dat kan voorkomen, een enkele keer. Gehoord, hoewel ik nooit echt zou hebben gedacht... Het is je afstamming, jongen. Een lijn die loopt van jou naar je vader, naar je grootvader, helemaal tot aan de tijd van Manetheren, misschien nog verder. Dus, je weet nu dat je van een oude familie stamt. Daar hoor je het bij te laten. Wees er blij mee. De meeste mensen weten niet veel meer dan dat ze een vader hadden.’
Sommigen van ons weten zelfs dat niet eens, bedacht Rhand verbitterd. Misschien heeft de Wijsheid gelijk. Licht, ik hoop van wel.
Mart knikte na de uitleg van de speelman. ‘Ik denk dat ik dat zal doen. Alleen... denk je dat het iets te maken heeft met wat er met ons aan de hand is? De Trolloks en zo? Ik bedoel... ach, ik weet niet wat ik bedoel.’
‘Ik vind dat je dat moet vergeten en je bezig moet houden met hier veilig uit te komen.’ Thom haalde zijn lange pijp uit zijn mantel. ‘En ik denk dat ik een pijpje opsteek.’ Hij zwaaide met de pijpensteel en verdween de voorkamer in.
‘We zijn hier allemaal bij betrokken, niet slechts één van ons,’ zei Rhand.
Mart schokschouderde en lachte kort blaffend. ‘Goed. Nu je het er toch over hebt – samen erbij betrokken zijn en zo – en we met de paarden klaar zijn, waarom gaan we dan de stad niet beter bekijken. Een echte stad, en geen mensen die tegen je aanbotsen of in je ribben porren. En niemand die zijn neus voor ons optrekt. We hebben nog een uur, misschien twee, voor het donker wordt.’
‘Ben je de Trolloks soms vergeten?’ vroeg Perijn.
Mart schudde meesmuilend zijn hoofd. ‘Lan zei dat ze hier niet kwamen, weet je nog? Je moet beter luisteren naar wat andere mensen zeggen.’
‘Ik weet het nog’ zei Perijn, ‘en ik heb geluisterd. Deze stad – Aridhol? – was een bondgenoot van Manetheren. Zie je wel? Ik heb geluisterd.’
‘Aridhol moet tijdens de Trollok-oorlogen de grootste stad zijn geweest.’ zei Rhand, ‘en daarom zijn de Trolloks er nog steeds zo bang voor. Ze waren niet bang om naar Tweewater te komen en Moiraine zei dat Manetheren – hoe zei ze het ook alweer? – een doorn in de voet van de Duistere was.’
Perijn hief beide handen op. ‘Noem de Herder van de Nacht alsjeblieft niet.’
‘Nou. wat vinden jullie?’ lachte Mart. ‘Zullen we gaan?’
‘We zouden het Moiraine moeten vragen.’ zei Perijn en Mart stak beide handen op.
‘Moiraine vragen? Denk jij dat ze ons uit het oog wil verhezen? En denk eens aan Nynaeve! Bloed en as, Perijn, waarom vraag je het vrouw l.ohan niet als je toch bezig bent.’
Perijn stemde met een aarzelende knik in en Mart wendde zich grijnzend tol Rhand. ‘Wat vind jij? Een echte stad, hè? Met paleizen!’ Hij lachte sluw. ‘En geen Witmantels die op ons loeren.’
Rhand keek hem vuil aan, maar aarzelde geen tel. Die paleizen waren als een verhaal van een speelman. ‘Goed.’
Zachtjes lopend, zodat ze in het voorvertrek niet gehoord konden worden, gingen ze weg door de steeg, waardoor ze in een straat aan de achterkant belandden. Ze liepen snel en toen ze enkele straten van het witstenen gebouw waren, barstte Mart opeens los in een malle vreugdedans.
‘Vrij!’ Hij lachte. ‘Vrij!’ Hij danste een rondje, langzamer nu, maar bleef lachen. De middagschaduwen strekten zich lang en onregelmatig uit en de ondergaande zon verguldde de verwoeste stad. ‘Hebben jullie ooit van een plaats als deze gedroomd? Nou?’
Perijn lachte ook, maar Rhand trok onbehaaglijk zijn schouders op. Vergeleken met de stad uit zijn eerste droom was deze niets, maar toch... ‘Als we nog iets willen zien,’ zei hij, ‘kunnen we maar beter voortmaken. Zo lang blijft het niet meer licht.’
Mart leek wel alles te willen zien en hij trok de anderen geestdriftig mee. Ze klommen over stoffige fonteinen met waterbekkens die groot genoeg waren om iedereen uit Emondsveld te bevatten en slenterden in en uit bouwsels die hen toevallig opvielen, maar wel de grootste die ze tegenkwamen. Van sommige raadden ze de bedoeling, van andere niet. Een paleis was duidelijk een paleis, maar wat was dat enorme gebouw dat bestond uit een ronde witte koepel even groot als een heuvel en met een monsterachtige ruimte binnenin? En een ommuurd plein dat groot genoeg was voor alle mensen uit Emondsveld, omringd door vele rijen stenen banken?
Mart werd ongeduldig toen ze alleen maar stof vonden, of puin of kleurloze vodden die ooit wandtapijten waren geweest en nu verkruimelden als ze werden aangeraakt. Op één plek stonden enkele houten stoelen tegen een muur gestapeld. Ze verpulverden allemaal toen Perijn er een wilde pakken.
De paleizen met hun geweldige lege vertrekken, sommige zo groot dat Herberg De Wijnbron er in haar geheel in kon met nog ruimte ernaast en erboven, stemde Rhand tot nadenken over de mensen die hier eens hadden gewoond. Hij bedacht dat iedereen uit Tweewater onder die ronde koepel had kunnen staan en wat dat plein met die stenen banken betrof... Hij kon zich bijna de mensen in de schaduwen verbeelden die afkeurend keken naar de drie indringers die hun rust verstoorden.
Ten slotte werd zelfs Mart moe, hoe indrukwekkend de gebouwen ook waren. Hij herinnerde zich dat hij de laatste nachten weinig had kunnen slapen, wat de andere twee ook begonnen te merken. Gapend zaten ze op de treden van een groot gebouw dat aan de voorkant een dubbele zuilenrij bezat en ruzieden over wat ze hierna gingen doen.