Выбрать главу

Met een gil sprong Rhand achteruit. Zijn voeten bleven haken in een gouden keten en hij viel op de vloer met een klap die hem de adem benam. Snakkend naar lucht vocht hij met zijn mantel, die rond het gevest zat gewikkeld, om zijn zwaard te kunnen grijpen. Het vertrek weergalmde van het geschreeuw van zijn vrienden en het gerinkel van gouden schalen en bekers die op de vloer kletterden. Plotseling klonk er een gemartelde gil in Rhands oren.

Bijna snikkend slaagde hij er eindelijk in lucht te krijgen, net toen hij zijn zwaard uit de schede wist te trekken. Behoedzaam kwam hij overeind en vroeg zich af wie van zijn vrienden zo had gegild. Perijn zat ineengedoken in de andere hoek van het vertrek en keek hem met grote ogen aan. Hij hield zijn bijl omhoog alsof hij een boom wilde omhakken. Mart lag achter een stapel goud te loeren, terwijl hij een dolk omklemde die hij uit de schat had gevist.

In het donkerste gedeelte van de schaduw, waar de toortsen niet reikten, bewoog iets en ze sprongen op. Het was Mordeth, die zijn knieën tegen zijn borst klemde en zo diep mogelijk in de verste hoek wegkroop.

‘Hij heeft ons voor de gek gehouden,’ hijgde Mart. ‘Het was een soort kunstje.’

Mordeth gooide zijn hoofd in de nek en jankte; stof dwarrelde neer toen de muren trilden. ‘Jullie zijn allemaal dood,’ schreeuwde hij. ‘Allemaal dood.’ En hij sprong op en dook de kamer in.

Rhands kin zakte en bijna liet hij zijn zwaard vallen. Terwijl Mordeth de kamer indook, werd hij langer en dunner, als een sliert rook. Even dun als een vinger raakte hij een scheur in de muur en verdween erin. Een laatste schreeuw hing in de kamer toen hij verdween en stierf langzaam weg toen hij was verdwenen.

‘Jullie zijn allemaal dood.’

‘Laten we maken dat we wegkomen,’ zei Perijn zwakjes. Hij greep zijn bijl nog steviger beet, terwijl hij alle kanten tegelijk op wilde kijken. Gouden sieraden en juwelen knerpten onopgemerkt onder zijn voeten.

‘Maar de schat,’ protesteerde Mart. ‘Die kunnen we toch niet laten liggen!’

‘Ik wil niets van hem hebben,’ zei Perijn, die zich argwanend ronddraaide. Hij verhief zijn stem en riep tegen de muren: ‘Het is uw schat, hoort u me? We pakken er niets van!’

Rhand staarde Mart kwaad aan. ‘Wil je dat hij ons achternakomt? Of blijf je hier je zakken volstoppen tot hij terugkomt met nog tien anderen van zijn soort?’

Mart gebaarde slechts naar het goud en de juwelen. Maar voor hij iets kon zeggen, greep Rhand zijn ene arm en Perijn de andere. Ze sleurden hem de kamer uit, terwijl Mart bleef worstelen en roepen om de schat.

Voor ze tien stappen de gang in waren, begon het al zwakke licht achter hen te vervagen. De toortsen in de schatkamer gingen uit. Mart riep niet langer. Ze liepen sneller. De eerste toorts in de gang flakkerde uit, toen de volgende. Toen ze bij de wenteltrap waren, hoefden ze Mart niet langer mee te trekken.

Ze renden alle drie en de duisternis volgde hen op de hielen. Zelfs het pikkedonker van de trap deed hen maar even aarzelen voor ze uit alle macht schreeuwend naar boven vlogen. Schreeuwend om alles bang te maken wat toekeek, schreeuwend om henzelf eraan te herinneren dat ze nog in leven waren.

Boven gekomen sprongen ze de zaal in, gleden uit en vielen op het stoffige marmer. Ze krabbelden tussen de zuilen door naar buiten, tuimelden de trappen af en landden vol beurse plekken boven op elkaar op straat.

Rhand maakte zich los, pakte Thams zwaard dat op het plaveisel lag en keek angstig rond. Slechts een halve zon was nog zichtbaar boven de daken. Schaduwen reikten als donkere handen; ze leken nog zwarter door het flauwe licht en vulden vrijwel de hele straat. Hij huiverde. De schaduwen leken op Mordeth, die naar hen reikte, in ieder geval zijn we eruit.’ Mart had onderop gelegen. Hij stond nu op en klopte zich af in een zenuwachtige nabootsing van zijn gebruikelijke manier van doen. ‘En ik heb tenminste...’

‘Zijn we er wel uit?’ zei Perijn.

Rhand wist dat het deze keer geen verbeelding was. Hij voelde het prikken in zijn nek. Iets keek naar hen vanuit het donker tussen de pilaren. Hij draaide zich om en staarde strak naar de gebouwen langs de straat. Ook van die kant kon hij de ogen voelen die op hem waren gericht. Hij klemde zijn zwaard nog steviger vast, hoewel hij zich afvroeg of het hem kon helpen. De waakzame ogen leken overal te zijn. De anderen keken behoedzaam rond. Rhand wist dat zij het ook voelden.

‘We blijven in het midden van de straat lopen,’ zei hij schor. Ze keken hem recht aan; hun ogen stonden even bang als hij zich voelde. Hij slikte moeizaam. ‘We blijven in het midden, zo veel mogelijk uit de schaduwen en lopen snel.’

‘Heel snel,’ stemde Mart vurig in.

De toeschouwers volgden hen. Uit vrijwel ieder gebouw staarden ogen naar hen. Rhand kon geen beweging zien, hoe goed hij ook keek, maar hij kon de ogen voelen, gretig, hongerig. Hij wist niet wat erger was. Gevolgd worden door duizenden ogen of door slechts één paar.

Op de stukken waar de zon nog reikte, liepen ze een klein beetje langzamer en loerden zenuwachtig naar de duisternis die altijd voor hen leek te liggen. Niemand had veel zin de schaduwen binnen te gaan; niemand wist echt zeker of daar niet iets lag te wachten. De verwachting van de toeschouwers was voelbaar, telkens als de schaduwen over de straat heen lagen en hen de weg versperden. Schreeuwend renden ze door die donkere plekken heen. Rhand dacht dat hij een droog, ruisend lachen hoorde.

Eindelijk kwamen ze bij het invallen van de schemering in het zicht van het witstenen gebouw dat ze voor hun gevoel dagen geleden verlaten hadden. Opeens verdwenen de spiedende ogen. Van de ene stap op de andere waren ze in een oogwenk verdwenen. Zonder iets te zeggen begon Rhand te draven, gevolgd door zijn vrienden, daarna te hollen. Ze hielden pas op toen ze als hazen de deuropening in schoten en hijgend neervielen.

Midden op de tegelvloer brandde een klein houtvuur, waarvan de rook verdween door een gat in de zoldering, wat Rhand op een onprettige manier aan Mordeth herinnerde. Behalve Lan zat of lag iedereen rond de vlammen en iedereen reageerde verschillend. Egwene, die haar handen zat te warmen, schrok op toen het drietal naar binnen sprong en bracht de handen naar haar hals. Toen ze zag wie het waren, bedierf een opgeluchte zucht haar poging om afkeurend te kijken. Thom mompelde slechts iets rond zijn pijpensteel, maar Rhand ving het woord ‘dwazen’ op voor de speelman weer met een stok in het vuur begon te poken.

‘Wolkoppige dwazen!’ snauwde de Wijsheid. Maar hele lichaam drukte woede uit; haar ogen glinsterden en haar wangen vertoonden twee vurige plekken. ‘Hoe halen jullie het in Lichtsnaam in je hoofd er zo tussenuit te knijpen? Zijn jullie wel in orde? Hebben jullie dan helemaal geen hersens? Lan is naar jullie op zoek en jullie hebben meer geluk dan je verdient als hij niet wat gezond verstand in jullie slaat als hij terugkomt.’

Het gezicht van de Aes Sedai toonde absoluut geen opwinding, maar de knokkels van haar handen die haar kleed vastgrepen, werden wit toen ze hen zag. Wat Nynaeve haar ook mocht hebben gegeven, het had geholpen, want ze stond weer. ‘Jullie luidden niet mogen weggaan,’ zei ze op een toon die even kalm en koud was als een meertje in het Waterwold. ‘We hebben het er later nog over. Er is daarbuiten iets gebeurd, anders zouden jullie niet op die manier binnengevallen zijn. Vertel.’

‘U zei dat het hier veilig was,’ klaagde Mart overeind krabbelend. ‘U zei dat Aridhol een bondgenoot was van Manetheren en dat er geen Trolloks zouden binnenkomen en...’

Moiraine stapte zo plotseling naar voren dat Mart met open mond zijn verhaal afbrak en Rhand en Perijn op hun hurken afwachtten.