‘Trolloks? Hebben jullie Trolloks binnen de muren gezien?’
Rhand slikte. ‘Geen Trolloks,’ zei hij en alle drie begonnen ze tegelijk en opgewonden te vertellen.
Ieder begon ergens anders. Mart begon met het vinden van de schat en het klonk haast alsof hij het in zijn eentje had gedaan, terwijl Perijn begon uit te leggen waarom ze eigenlijk zonder iets te zeggen waren weggegaan. Rhand begon het verhaal met wat hij belangrijk vond, namelijk de ontmoeting met de vreemdeling tussen de zuilen. Maar ze waren alledrie zo opgewonden dat ze het geen van allen in de juiste volgorde vertelden. Telkens als iemand aan iets dacht, kwam het eruit, zonder te letten op wat ervoor of erna was gebeurd, of wie wat had gezegd. De toeschouwers. Ze ratelden allemaal over de toeschouwers.
Het maakte de hele geschiedenis vrijwel onbegrijpelijk, maar hun angst was duidelijk te horen. Egwene begon onbehaaglijk naar de lege vensters aan de straatkant te kijken. Daarbuiten vervaagden de laatste sporen van de schemering; het houtvuur leek heel klein en flauw. Thom haalde zijn pijp uit zijn mond en luisterde fronsend terwijl hij zijn hoofd schuin hield. Moiraines ogen toonden bezorgdheid, maar niet al te veel. Tot...
Opeens siste de Aes Sedai en ze greep Rhands elleboog pijnlijk vast. ‘Mordeth! Weet je het zeker, die naam? Zijn jullie er echt zeker van? Mordeth?’
In koor mompelden ze; ‘Ja,’ onder de indruk van de felheid van de Aes Sedai.
‘Heeft hij jullie aangeraakt?’ vroeg ze het drietal. ‘Heeft hij jullie iets gegeven of heb je iets voor hem gedaan? Ik moet het weten.’
‘Nee,’ zei Rhand, ‘geen van ons. Niets van dat alles.’
Perijn knikte instemmend en voegde eraan toe: ‘Hij probeerde ons alleen maar te vermoorden. Is dat niet genoeg? Hij zwol op tot hij de halve kamer vulde en schreeuwde dat we allemaal dood waren en toen verdween hij.’ Hij gebaarde om het te laten zien. ‘Als rook.’ Egwene gaf een kreetje.
Mart hield zich gemelijk afzijdig. ‘Veilig, zei u! Al dat gepraat over dat Trolloks hier niet kwamen. Wat moesten we dan denken?’
‘Blijkbaar hebben jullie helemaal niet gedacht,’ zei ze, weer koel en beheerst, iedereen met verstand zal oppassen voor een plaats die Trolloks niet durven betreden.’
‘Het komt door Mart,’ zei Nynaeve beslist. ‘Hij heeft het altijd over een of ander kattenkwaad en de andere twee verliezen het laatste beetje gezond verstand dat ze hebben als ze bij hem zijn.’
Moiraine knikte kort, maar haar ogen bleven op Rhand en zijn twee vrienden gericht. ‘Aan het einde van de Trollok-oorlogen sloeg een leger in deze bouwval zijn kamp op, Trolloks, Duistervrienden, Myrddraal, Gruwheren, duizenden in totaal. Toen ze de stad niet uitkwamen, werden verkenners naar binnen gestuurd. De verkenners vonden wapens, stukken wapenrusting en overal bloedspatten. En boodschappen die in Trolloktaal op de muren waren gekrast en die de Duistere aanriepen om hen in hun laatste strijd bij te staan. Mensen die later kwamen, vonden geen spoor van het bloed of de boodschappen. Ze waren weggeschuurd. Halfmannen en Trolloks weten het nog steeds. Daarom blijven ze buiten deze muren.’
‘En deze plek hebt u uitgekozen om ons te verbergen?’ vroeg Rhand ongelovig. ‘Daarbuiten is het veiliger, want dan kunnen we ze achter ons laten.’
‘Als jullie er niet tussenuit waren geknepen,’ zei Moiraine geduldig, ‘dan had je geweten dat ik een ban rond dit gebouw had geplaatst. Eén Myrddraal zou niet eens weten dat die spreuken er waren, want ze weren normaal gesproken een ander soort kwaad, maar wat er ook in Shadar Logoth huist, het kan die spreuken niet voorbijgaan, zal zelfs niet in de buurt komen. Morgenochtend kunnen we veilig vertrekken; die dingen kunnen niet tegen het licht van de zon. Ze verbergen zich diep in de aarde.’
‘Shadar Logoth,’ zei Egwene onzeker, ‘ik dacht dat u zei dat deze stad Aridhol heette.’
‘Eens heette hij Aridhol,’ antwoordde Moiraine, ‘en was hij een van de Tien Naties, de landen die het Tweede Covenant sloten, de landen die pal stonden tegen de Duistere vanaf de eerste dagen na het Breken van de Wereld, in de dagen dat Thorin al Toren al Ban koning van Manetheren was, was Balwen Mayel, Balwen IJzerhand, koning van Aridhol. In de dagen vol wanhoop tijdens de Trollok-oorlogen, toen het leek dat de Vader van de Leugen zeker zou overwinnen, kwam de man die Mordeth werd genoemd, naar het hof van Balwen.’
‘Dezelfde?’ riep Rhand uit en Mart zei: ‘Dat kan niet.’ Een blik van Moiraine bracht hen tot zwijgen. De stilte die de ruimte vulde, werd alleen verbroken door de stem van de Aes Sedai.
‘Mordeth was nog niet lang in de stad of Balwen luisterde al naar hem en weldra was hij de machtigste man na de koning. Mordeth fluisterde gif in het oor van Balwen en Aridhol begon te veranderen. Aridhol trok zich terug op zichzelf, verhardde. Men zei dat sommigen liever Trolloks zagen naderen dan de mannen van Aridhol. De zege van het Licht is alles. Dat was de strijdkreet die Mordeth hun gaf, en de mannen van Aridhol schreeuwden hem terwijl hun daden het Licht logenstraften.
Het verhaal is te lang om in zijn geheel te vertellen en te grimmig, en zelfs in Tar Valon kennen we er maar gedeeltes van. Hoe Thorins zoon, Caar, terugkeerde om Aridhol voor het Tweede Covenant te herwinnen en Balwen op zijn troon zat als een verschrompelde lege peul; hoe hij zat te lachen met het licht van de waanzin in zijn ogen, terwijl Mordeth hij zijn schouder glimlachte en de dood beval van Caar en de gezanten, omdat ze Vrienden van het Duister zouden zijn. Hoe prins Caar de naam Caar Eenhand kreeg. Hoe hij aan de kerkers van Aridhol ontsnapte en alleen naar de Grenslanden vluchtte met de moordenaars van Mordeth op zijn hielen. Hoe hij daar Rhea ontmoette, die niet wist wie hij was, en hoe hij haar huwde en de streng in het Patroon weefde die tot zijn dood door haar hand leidde, en tot haar eigen dood, toen zij zich het leven benam bij zijn graf, en tot de val van Aleth-Loriel. Hoe de legers van Manetheren Caar kwamen wreken en Aridhol binnentrokken, waar de poorten waren neergehaald en niet één levend wezen binnen de muren werd gevonden, maar wel iets ergers dan de dood. Geen vijand was naar Aridhol gekomen dan Aridhol. Uit achterdocht en haat was iets geboren wat zich voedde met dat wat het had verwekt, iets wat opgesloten zat in de rotsgrond waarop de stad was gebouwd. Nog immer waakt Mashadar vol honger. Men sprak niet langer van Aridhol. Men noemde het Shadar Logoth, de Plaats waar de Schaduw wacht, of eenvoudiger, Schaduwwaak.
Alleen Mordeth was niet verslonden door Mashadar, maar hij was er wel door verstrikt en ook hij heeft lange eeuwen binnen deze muren gewacht. Anderen hebben hem gezien. Sommigen heeft hij beïnvloed door geschenken die het verstand misvormen en de geest aantasten, waarhij de aantasting aangroeit en weer afneemt tot Mordeth overheerst... of doodt. Als hij ooit iemand weet te bewegen hem tot buiten de muren te vergezellen, tot voorbij de grens van Mashadars macht, zal hij in staat zijn de ziel van die persoon te verslinden. Mordeth vertrekt dan in het lichaam van degene die hij doodde en zal opnieuw zijn kwaad over de wereld verspreiden.’
‘De schat,’ mompelde Perijn toen ze zweeg. ‘Hij wilde dat wij hem hielpen de schat naar zijn paarden te dragen.’ Zijn gezicht betrok.
‘Ik wed dat die ergens buiten de stad stonden.’ Rhand huiverde.
‘Maar nu zijn we toch veilig, niet?’ vroeg Mart. ‘Hij heeft ons niets gegeven, hij heeft ons niet aangeraakt. We zijn veilig, niet? Met die ban die u hebt geplaatst?’
‘We zijn veilig,’ beaamde Moiraine. ‘Hij kan de ban niet verbreken, en een andere bewoner van deze plek evenmin. Ze moeten zich verschuilen voor het zonlicht, dus kunnen we veilig vertrekken als het weer dag is. Probeer nu te slapen. De ban zal ons beschermen tot Lan terugkomt’
‘Hij is al lange tijd weg.’ Nynaeve keek bezorgd naar de nacht buiten. Het was nu helemaal donker, zo zwart als roet.
‘Lan is in orde,’ zei Moiraine troostend. Ze spreidde haar dekens uit naast het vuur terwijl ze sprak: ‘Hij werd de strijd regen de Duistere toegewijd, nog voor hij de wieg had verlaten, terwijl een zwaard in zijn handen werd gelegd. Bovendien zou ik het ogenblik en de wijze van zijn dood weten, net zoals hij de mijne zal weten. Slaap, Nynaeve. Alles komt in orde.’ Maar toen ze zichzelf in de dekens rolde, stopte ze even en keek naar de donkere straat, alsof ook zij graag wilde weten waarom de zwaardhand zo lang wegbleef.