Rhands armen en benen voelden aan als lood en zijn ogen vielen als vanzelf dicht, maar toch kwam de slaap niet snel en toen het zover was droomde hij, mompelend en schoppend tegen de dekens. Hij schrok opeens wakker en moest rondkijken voor hij besefte waar hij was.
De maan was zichtbaar, het laatste dunne sikkeltje voor de nieuwe maan. Het zwakke licht drong amper in de nacht door. Alle anderen lagen nog te slapen, hoewel ze niet allemaal even vast sliepen. Egwene en zijn twee vrienden bewogen en mompelden onverstaanbaar.
Thoms gesnurk, voor een keertje zacht, werd regelmatig onderbroken door half uitgesproken woorden. Van Lan was nog steeds geen spoor te bekennen.
Plotseling kreeg hij het gevoel dat de ban helemaal geen bescherming meer bood. Er kon daarbuiten in het donker van alles zijn. Maar hij hield zichzelf voor dat hij dwaas deed en gooide nog wat hout op het smeulende vuur. Het was te klein om veel warmte te bieden, maar het gaf in ieder geval wat meer licht.
Hij had geen idee wat hem uit zijn nare droom had gewekt. Daarin was hij weer een klein jongetje dat Thams zwaard droeg en op de rug een wieg gebonden had. Hij rende door lege straten, achtervolgd door Mordeth, die schreeuwde dat hij alleen Rhands hand wilde hebben. En er was een oude man geweest die hen aankeek en al die tijd waanzinnig kakelend had gelachen.
Hij graaide zijn dekens bijeen en lag op zijn rug naar de zoldering te staren, blij wilde heel graag slapen, zelfs als hij nog meer van dat soort dromen kreeg, maar hij kreeg zijn ogen niet dicht.
Opeens draafde de zwaardhand vanuit de duisternis geluidloos het vertrek binnen. Moiraine werd wakker en ging rechtop zitten, alsof hij een klok had geluid. Lan opende zijn hand en drie kleine ijzeren voorwerpen vielen rinkelend op de tegels. Drie bloedrode plaatjes in de vorm van gehoornde schedels.
‘Er zijn Trolloks binnen de muren,’ zei Lan. ‘Ze zullen in minder dan een uur hier zijn. En de Dha’vol zijn wel de ergsten.’ Hij begon de anderen te wekken.
Moiraine begon handig haar dekens op te vouwen. ‘Hoeveel? Weten ze dat we hier zijn?’ Ze klonk alsof het helemaal niet dringend was.
‘Ik denk het niet,’ antwoordde Lan. ‘Het zijn er ruim honderd en ze zijn bang genoeg om alles te doden wat beweegt, ook elkaar. De Halfmannen moesten ze opdrijven – vier voor één vuist – en zelfs de Myrddraal lijken niets liever te willen dan door de stad trekken om zo vlug mogelijk weer buiten te staan. Ze wijken geen duimbreed af bij het zoeken en ze zijn zo slordig dat als ze niet recht op ons afkwamen, ik zou zeggen dat we ons nergens zorgen over hoeven te maken,’ Hij aarzelde.
‘Is er nog iets?’
‘Alleen dit,’ zei Lan langzaam. ‘De Myrddraal dwongen de Trolloks de stad in, maar wat dwong de Halfmannen?’
Iedereen had stil liggen luisteren. Nu vloekte Thom zachtjes en Egwene zuchtte een vraag: ‘De Duistere?’
‘Wees geen dwaas, meisje,’ snauwde Nynaeve. ‘De Duistere is door de Schepper gekerkerd in Shayol Ghul.’
‘Voorlopig, tenminste,’ beaamde Moiraine. ‘Nee, de Vader van de Leugen is niet daarbuiten, maar we moeten wel weg.’
Nynaeve keek haar met samengeknepen ogen aan. ‘De bescherming van de ban achterlaten en ’s nachts dwars door Shadar Logoth trekken?”
‘Of hier blijven en tegen de Trolloks vechten,’ zei Moiraine. ‘Om die buiten te houden, is de Ene Kracht nodig en dat zou de ban vernietigen en juist datgene aantrekken waar de ban ons tegen beschermt. Bovendien kun je dan net zo goed op een van die torens een seinvuur aansteken voor iedere Hallman binnen twintig span. Ik zou liever niet vertrekken, maar wij zijn de haas en de honden bepalen de regels van de jacht.’
‘En als er buiten de muren meer Trolloks zijn?’ vroeg Mart. ‘Wat doen we dan?’
‘We gebruiken mijn oorspronkelijke plan,’ zei Moiraine. Lan keek haar aan. Ze stak een hand op en voegde eraan toe: ‘Waarvoor ik gisteren te moe was. Maar ik ben nu uitgerust, dankzij de Wijsheid. We gaan op weg naar de rivier. Daar kan ik, wanneer we in de rug gedekt zijn door het water, een kleinere ban gebruiken, die de Trolloks en Halfmannen zal weghouden tot we vlotten hebben gebouwd en de rivier zijn overgestoken. Of misschien kunnen we een handelsboot uit Saldea aanroepen, wat nog beter is.’
De gezichten van de vijf Emondsvelders stonden niet-begrijpend. Lan zag het.
‘Trolloks en Myrddraal haten water. Trolloks zijn er doodsbang voor. Geen van hen kan zwemmen. Een Halfman waadt er niet door als het hoger dan zijn middel reikt, zeker niet als het stroomt. Trolloks doen zelfs dat niet als ze het maar enigszins kunnen vermijden.’
‘Dus als we eenmaal de rivier over zijn, zijn we veilig,’ zei Rhand en de zwaardhand knikte.
‘De Myrddraal zullen het bijna net zo moeilijk vinden om de Trolloks vlotten te laten bouwen als om ze Shadar Logoth binnen te drijven. Wanneer ze proberen hen zo over de Arinelle te drijven, zal de helft wegvluchten en de rest waarschijnlijk verdrinken.’
‘Naar de paarden,’ zei Moiraine. ‘We zijn de rivier nog niet over.’
20
Stof in de wind
Toen ze op hun schichtige paarden het witstenen gebouw verlieten, gierde de wind in ijzige vlagen rond de daken, zwiepte mantels op als banieren en joeg dunne wolken langs de smalle maansikkel.
Zachtjes beval Lan hen dicht bij hem te blijven en reed de straat uit. De paarden dansten en trokken aan de teugels en wilden er maar al te graag vandoor.
Rhand keek wantrouwend naar de gebouwen die ze voorbijkwamen en die in de nacht dreigend oprezen met hun vensters als lege oogkassen. Schaduwen leken te bewegen. Af en toe hoorden ze gekletter – stenen die door de wind verder rolden. De ogen zijn er tenminste niet. Zijn opluchting duurde maar even. Waarom zijn ze er niet?
Thom en de Emondsvelders vormden een groepje dat zo dicht bij elkaar bleef dat ze elkaar bijna aanraakten. Egwenes schouders waren gebogen, alsof ze probeerde Bela’s hoeven nog zachter op de plavuizen neer te laten komen. Rhand wilde niet eens ademhalen. Geluid kon de aandacht trekken.
Opeens besefte hij dat ze achterbleven, zodat ze van de zwaardhand en de Aes Sedai waren gescheiden. Het waren twee vage vormen, op zo’n dertig pas afstand.
‘We raken achter,’ mompelde hij en hij spoorde Wolk aan vlugger door te stappen. Een dunne, zilvergrijze mistsliert dreef laag over de straat voor hem.
‘Stop!’ Een gedempte kreet van Moiraine, scherp en dringend, maar zacht, zodat hij niet ver droeg. Onzeker hield hij in. De mistflard lag nu dwars over de straat en werd langzaam voller, alsof er uit de gebouwen aan beide kanten van de straat meer toestroomde. Hij was nu zo dik als een mannenarm.
Wolk hinnikte en probeerde nog verder terug te stappen, toen Egwene en Thom en de anderen bij hem kwamen staan. Ook hun paarden gooiden de hoofden omhoog en weigerden dicht bij de mist te komen.
Lan en Moiraine reden langzaam terug naar de mist, die inmiddels zo dik was als een been, en bleven op behoorlijke afstand aan de andere kant staan. De Aes Sedai bestudeerde de vlaag mist die hen scheidde. Rhand schokschouderde toen hij opeens een prikkelende angst tussen zijn schouderbladen voelde. De mist lichtte op, eerst zwak, maar naarmate de misttentakel dikker werd steeds sterker, tot het licht iets sterker was dan het maanlicht. De paarden bewogen onrustig, zelfs Aldieb en Mandarb.
‘Wat is het?’ vroeg Nynaeve.
‘Het kwaad van Shadar Logoth,’ antwoordde Moiraine. ‘Mashadar. Niets ziend, niets denkend, even doelloos door de stad bewegend als een worm die zich door de aarde boort. Als het je aanraakt, zul je sterven.’ Rhand en de anderen lieten hun paarden enkele snelle stappen terugdansen, maar niet te ver. Hoe graag Rhand ook van de Aes Sedai verlost wilde zijn, zij was zo veilig als thuis vergeleken met wat er voor hen over de straat kronkelde.