Выбрать главу

Rhand haalde diep adem en liet zijn zwaard zakken. Zijn arm beefde. ‘Heb je iemand anders gezien?’ slaagde hij te zeggen.

Mart slikte stevig voor hij zichzelf weer onhandig optrok in het zadel, ‘ik... ik... Alleen Trolloks.’ Hij hield zijn hand tegen zijn keel en maakte zijn lippen nat. ‘Alleen Trolloks. Jij?’

Rhand schudde zijn hoofd. ‘De anderen zullen proberen bij de rivier te komen. Laten wij dat ook maar doen.’ Mart knikte zwijgend, nog steeds aan zijn keel voelend, en samen reden ze in de richting van de rode ster.

Voor ze honderd stap verder waren, rees de scherpe roep van een Trollokhoorn achter hen op, midden in de stad. Een andere antwoordde van buiten de muren.

Rhand huiverde, maar hij liet Wolk langzaam doorstappen, zocht de donkerste plekken af en vermeed die waar mogelijk. Na een ruk aan de teugels alsof hij weg wilde galopperen, deed Mart hetzelfde. Ze hoorden echter geen andere hoorns meer en het was stil toen ze aankwamen bij een opening in de met ranken bedekte muur. Ooit was hier een poort geweest. Alleen de torens stonden er nog; ze staken met zwarte ingestorte toppen af tegen de zwarte hemel.

Mart aarzelde in de doorgang, maar Rhand zei zachtjes: ‘is het binnen zoveel veiliger dan buiten?’ Hij hield de grijze niet in en even later volgde Mart hem Shadar Logoth uit, terwijl hij trachtte alle kanten tegelijk uit te kijken. Rhand liet langzaam zijn adem ontsnappen, zijn mond was droog. We halen het. Licht, we halen het.

De muren verdwenen achter hen, in de nacht en door de bomen. Op zijn hoede voor het minste geluid hield Rhand de rode ster recht voor zich.

Opeens hoorden ze hoefslagen achter zich en kwam Thom aangalopperen. Hij hield alleen even in om te roepen: ‘Rijden, sukkels!’

Even later kondigden jachtkreten en krakende struiken de komst van de Trolloks in zijn spoor aan.

Rhand schopte met zijn hielen en Wolk sprong de ruin van de speelman achterna. Wat gebeurt er als we bij de rivier komen zonder Moiraine? Licht, Egwene!

Perijn zat op zijn paard in de schaduw en keek naar de open poort, die even verder voor hem oprees. Hij streek afwezig met zijn duim over het blad van zijn bijl. Het leek een veilige weg uit de vervallen stad, maar hij had er een minuut of vijf afwachtend naar zitten kijken. De wind speelde met zijn warrige krullen en probeerde zijn mantel open te blazen, maar hij trok die weer om zich heen zonder echt te merken wat hij deed.

Hij wist dat Mart, dat bijna iedereen in Emondsveld hem traag vond. Dat kwam gedeeltelijk omdat hij groot was en meestal zorgvuldig bewoog – hij was altijd bang dat hij per ongeluk iets zou breken of iemand pijn zou doen, omdat hij zoveel groter was dan de andere jongens – maar hij vond het ook prettiger alles vooraf zo goed mogelijk te overdenken. Snel denken, onvoorzichtig denken had Mart al vele malen zijn achterwerk doen branden en meestal had dat Rhand of hemzelf, of beiden, eveneens op de blaren doen zitten.

Hij had het gevoel dat zijn keel werd dichtgeknepen. Licht, denk daar niet aan. Hij probeerde zijn gedachten op een rijtje te zetten. Zorgvuldig eerst alles overzien, was zijn devies.

Er was vroeger een soort plein voor de poort geweest met een enorme fontein in het midden. Een deel stond nog overeind: een groep gebroken beelden die in een grote ronde kom stonden. Om bij de poort te komen zou hij bijna honderd pas moeten overbruggen, waarbij alleen de nacht hem voor spiedende ogen verborg. Ook dat was geen aangename gedachte. Hij herinnerde zich die onzichtbare wachters nog al te goed.

Hij dacht aan de hoorns die hij een poosje eerder in de stad had gehoord. Bij de gedachte dat sommigen van hen gevangen waren genomen, was hij haast teruggegaan, tot hij besefte dat hij er alleen toch niets aan kon doen. Niet tegen – wat had Lan gezegd – honderd Trolloks en vier Schimmen. Moiraine Sedai had gezegd dat ze naar de rivier moesten rijden.

Hij richtte zijn gedachten weer op de poort. Goed nadenken had hem niet echt geholpen, maar hij had zijn besluit genomen. Hij reed de diepere schaduw uit, naar het gedeelte waar het minder donker was. Terwijl hij dat deed, verscheen er een paard met ruiter aan de andere kant van het plein, een paard dat inhield. Hij bleef ook staan en voelde naar zijn bijl; die stelde hem niet echt gerust. Als die donkere gestalte een Schim was...

‘Rhand?’ werd er zacht en aarzelend geroepen.

Zijn adem ontsnapte met een lange, opgeluchte zucht. ‘Nee, Egwene, ik ben het, Perijn,’ riep hij net zo zacht terug. Het klonk in de duisternis nog te hard.

Bij de fontein kwamen de twee paarden bij elkaar.

‘Heb jij nog iemand gezien?’ vroegen ze tegelijk en beiden schudden het hoofd.

‘Ze zullen het wel redden,’ mompelde Egwene en gaf Bela enkele klopjes op de hals. ‘Ja toch?’

‘Moiraine Sedai en Lan zullen wel voor ze zorgen,’ antwoordde Perijn. ‘Dat zullen ze voor ons allemaal doen als we bij de rivier zijn.’

Hij hoopte dat het zo was.

Hij voelde zich ontzettend opgelucht toen ze buiten de poort waren, zelfs al waren er Trolloks in de bossen. Of Schimmen. Hij kapte die gedachten af. De kale takken verhinderden hem niet op de rode ster af te koersen en ze waren nu buiten het bereik van Mordeth. Die had hem meer angst aangejaagd dan een Trollok.

Ze zouden weldra bij de rivier komen en Moiraine vinden, en zij zou hen uit de handen van de Trolloks houden. Hij geloofde dat omdat hij het wilde geloven. De wind liet de takken tegen elkaar schuren en de bladen en naalden van de wintergroene bomen ritselen. De eenzame roep van een nachthavik verwaaide in het donker en Egwene en hij stuurden de paarden dichter naar elkaar toe, alsof ze bij elkaar warmte zochten. Ze voelden zich heel alleen.

Een Trollokhoorn klonk ergens achter hen op, snelle klagende stoten die de jagers aanspoorden zich te haasten. Toen verhieven zich rauwe halfmenselijke kreten in hun spoor, aangevuurd door de hoorns. Het huilen werd scherper toen ze de mensengeur opvingen. Perijn zette zijn paard aan tot een galop en schreeuwde: ‘Kom mee!’

Egwene volgde en beiden dreven met hun hielen de paarden aan. Ze letten niet meer op geluid en op de takken die tegen hen aan sloegen. Toen ze door de bomen galoppeerden, evenzeer geleid door hun gevoel als door het vage maanlicht, bleef Bela achter. Perijn keek om. Egwene schopte de merrie en sloeg haar met de teugels, maar het hielp niets. Aan de geluiden te horen kwamen de Trolloks dichterbij. Hij hield wat in, zodat Egwene hem bij kon houden.

‘Schiet op,’ schreeuwde hij. Hij kon de Trolloks nu onderscheiden, enorme donkere gestalten die tussen de bomen doorsprongen, loeiend en snauwend, zodat zijn bloed leek te bevriezen. Hij greep de steel van de bijl aan zijn riem tot zijn knokkels pijn deden. ‘Schiet op, Egwene, schiet op.’

Opeens gilde zijn paard en viel Perijn uit zijn zadel toen het paard onder hem wegviel. Hij stak zijn handen uit om zijn val op te kunnen vangen en plonsde met zijn hoofd vooruit in ijskoud water. Hij was recht van de rand van een steil klif de Arinelle ingereden.

De schok van het ijskoude water deed hem verschrikt hijgen. Hij slikte meer water in dan hem lief was voor het hem lukte zich weer naar het oppervlak te worstelen. Hij voelde de tweede plons meer dan dat hij hem hoorde en dacht dat Egwene vlak achter hem aan moest zijn gekomen. Hijgend en blazend lag hij te watertrappelen. Het was niet gemakkelijk boven te blijven: zijn jas en mantel waren al vol water gezogen en ook zijn laarzen zaten vol. Hij keek rond naar Egwene, maar zag slechts het glinsterende maanlicht in de rimpels op het zwarte water.