‘Egwene? Egwene!’
Een speer flitste spetterend vlak voor zijn ogen in het water. Andere speren spatten ook rond hem in de rivier. Schorre stemmen klonken ruziënd op en er kwamen geen speren meer omlaag, maar voorlopig hield hij toch maar op met roepen.
De stroom voerde hem mee, maar het rauwe geschreeuw en gesnauw volgde op de oever en hield hem bij. Hij maakte zijn mantel los en liet die met de rivier meedrijven. Wat minder gewicht om hem omlaag te trekken. Verbeten begon hij naar de andere oever te zwemmen. Daar waren tenminste geen Trolloks, hoopte hij.
Hij zwom zoals hij het thuis had geleerd, in de meertjes van het Waterwold. Hij zwaaide met beide armen, trappelde met beide voeten en hield zijn hoofd boven water. Tenminste, hij probeerde zijn hoofd boven water te houden, maar het was niet gemakkelijk. Zelfs zonder de mantel leken zijn jas en laarzen net zoveel te wegen als hijzelf. En de bijl trok aan zijn middel, waardoor hij ofwel opzij kantelde, ofwel omlaag werd getrokken. Hij dacht er een paar keer aan om ook zijn bijl in de rivier te laten glijden. Dat zou veel gemakkelijker zijn dan bijvoorbeeld zijn laarzen uitschoppen. Maar iedere keer als hij eraan dacht, bedacht hij ook hoe hij aan land zou krabbelen en daar Trolloks kon aantreffen. De bijl zou hem niet veel helpen als er een handvol zou staan – zelfs niet tegen één Trollok misschien – maar het was beter dan met zijn blote handen.
Na een poosje was hij er zelfs niet eens meer zeker van of hij in staat was de bijl op te heffen als Trolloks hem daar opwachtten. Zijn armen en benen werden loodzwaar, hij kon ze slechts met de grootste inspanning bewegen en zijn gezicht kwam bij iedere slag minder ver boven het water uit. Hij proestte toen het water zijn neus instroomde. Een dag aan het smidsvuur is zwaarder dan dit, probeerde hij zichzelf uitgeput moed in te praten en net op dat moment stootte zijn trappelende voet ergens tegenaan. Pas toen hij het opnieuw raakte, besefte hij wat het was. De bodem. Het was hier minder diep. Hij was de rivier over.
Hij zoog met open mond lucht in en stond onder veel gespat op, zijn benen wilden hem amper dragen. Hij frommelde zijn bijl uit de lus toen hij rillend in de wind aan land kroop. Hij zag geen enkele Trollok, maar Egwene zag hij evenmin. Slechts enkele verspreide bomen aan de rivieroever en een streep maanlicht op het water.
Toen hij weer op adem was gekomen, riep hij de namen van zijn vrienden, telkens weer. Zwak geschreeuw antwoordde hem op de andere oever; zelfs op die afstand herkende hij de schorre stemmen van de Trolloks. Maar zijn vrienden gaven geen antwoord.
De wind nam toe, het huilen ervan overstemde de Trolloks, en hij huiverde. Het was niet koud genoeg om zijn kleren te laten bevriezen, maar het voelde wel zo; de wind sneed als een ijzig zwaard tot op zijn botten. Zichzelf warm slaan was slechts een gebaar dat het rillen niet deed ophouden. Helemaal alleen klom hij vermoeid de rivieroever op om beschutting tegen de wind te vinden.
Rhand klopte Wolk op zijn nek en kalmeerde de grijze fluisterend. Het paard gooide zijn hoofd omhoog en danste trappelend. De Trolloks had hij achter zich gelaten – daar leek het tenminste op – maar Wolk had hun stank nog steeds in zijn neusgaten. Mart reed met een aangelegde pijl en was op zijn hoede voor mogelijke nachtelijke verrassingen, terwijl Rhand en Thom tussen de takken door tuurden, op zoek naar de rode ster. Het was gemakkelijk genoeg geweest de ster in het oog te houden zolang ze er recht op af reden. Toen waren er voor hen nog meer Trolloks verschenen en hadden ze naar opzij moeten uitwijken, terwijl beide groepen brullend achter hen aan sprongen. De Trolloks konden een paard alleen de eerste honderd stappen bijhouden, en ten slotte hadden ze de achtervolging opgegeven en waren jankend achtergebleven. Maar door al het draaien en keren waren ze hun ster uit het oog verloren.
‘Ik zou zeggen dat het die kant op is,’ zei Mart en hij gebaarde naar rechts. ‘Aan het eind reden we naar het noorden en dat betekent dat het oosten die kant op ligt.’
‘Daar staat-ie,’ zei Thom opeens. Hij wees door de warrige takken naar links, recht naar de rode ster. Mart mompelde binnensmonds.
Uit zijn ooghoek zag Rhand opeens beweging en een Trollok sprong geluidloos met een zwaaiende vangstok achter een boom vandaan. Rhand drukte zijn hielen in Wolks flanken en de grijze sprong naar voren, net toen er nog twee Trolloks vanuit de schaduw achter de eerste aan sprongen. Een lus veegde langs Rhands nek en een rilling trok langs zijn ruggengraat.
Een pijl trof een van de beestenkoppen midden in het oog, toen voegde Mart zich bij hem terwijl hun paarden tussen de bomen door draafden. Ze galoppeerden naar de rivier toe, besefte hij, maar hij wist niet zeker of dat nou wel zo goed was. De Trolloks schoten achter hen aan, zo dichtbij dat ze bijna met gestrekte armen de wapperende staarten van de paarden konden grijpen. Nog een halve stap dichterbij en de vanghaken konden hen allebei uit het zadel trekken. Hij boog zich laag over de nek van de grijze om nog meer afstand tussen zijn nek en de vanghaken te houden. Ook Marts gezicht was bijna helemaal in de manen van zijn paard begraven. Rhand vroeg zich af waar Thom was. Had de speelman besloten dat hij alleen beter af was, omdat alle drie de Trolloks zich op hem en Mart hadden gestort?
Opeens galoppeerde Thoms ruin uit de nacht achter de Trolloks aan. Die hadden nog net tijd om verbaasd om te kijken voor de handen van de speelman naar achteren en naar voren flitsten. Maanlicht flitste op staal. Een Trollok tuimelde naar voren, rolde om en om, en bleef toen stil liggen, terwijl de tweede met een schreeuw op zijn knieën viel en met beide handen naar zijn rug klauwde. De derde grauwde en ontblootte een snuit vol scherpe tanden, maar toen de anderen neervielen, schoot hij de duisternis in. Weer maakte Thoms hand het bliksemsnelle gebaar en de Trollok gilde, maar het gegil verdween net als hijzelf in de verte.
Rhand en Mart hielden de teugels in en staarden de speelman aan.
‘Mijn beste messen,’ mopperde Thom, maar hij maakte geen aanstalten af te stappen en ze op te halen. ‘Die ene zal anderen halen, ïk hoop dat de rivier niet meer zo ver is. Ik hoop...’ In plaats van te zeggen waar hij nog meer op hoopte, schudde hij zijn hoofd en reed in snelle galop verder. Rhand en Mart sloten zich aan.
Weldra kwamen ze bij een lage oever waar de bomen tot aan de rand van het nachtzwarte water groeiden. De wind rimpelde het maanverlichte oppervlak. Rhand kon de andere kant helemaal niet zien. Het idee ’s nachts op een vlot over te steken stond hem niet aan, maar aan deze kant te blijven vond hij een nog slechter idee. Desnoods zwem ik.
Ergens achter hen schalde in het donker een hoorn, scherp, snel en dringend. Het was het eerste hoorngeluid dat ze na de vervallen stad hadden gehoord. Rhand vroeg zich af of enkele van de anderen gevangen waren genomen.
‘Het heeft geen zin hier de hele nacht te blijven,’ zei Thom. ‘Kies maar uit, welke kant. Stroomopwaarts of de andere kant op?’
‘Maar Moiraine en de anderen kunnen overal zijn,’ protesteerde Mart. ‘Welke kant we ook kiezen, het kan ons juist de verkeerde richting op sturen.’
‘Dat kan inderdaad.’ Thom klakte tegen zijn ruin en reed stroomafwaarts langs de oever. ‘Dat kan inderdaad.’ Rhand keek naar Mart, die zijn schouders ophaalde, en ze reden achter Thom aan.
Een tijdlang veranderde er niets. De oever was op sommige plaatsen wat hoger en elders lager, er waren meer bomen of minder op kleine open plekken, maar de nacht en de rivier en de wind bleven hetzelfde, koud en zwart. En geen Trolloks. Dat was een verandering waar Rhand blij mee was.
Toen zag hij een lichtje voor zich uit, een klein puntje. Toen ze dichterbij kwamen, kon hij zien dat het licht boven de rivier hing, alsof het aan een boom hing. Thom begon sneller te rijden en zachtjes te neuriën.
Ten slotte konden ze de bron van het licht vaststellen: een lantaarn aan de mast van een grote vrachtboot die voor de nacht naast een kleine open plek tussen de bomen lag aangemeerd. De boot, zo’n tachtig voet lang, bewoog zachtjes op de stroom en trok aan de meertouwen die om de bomen waren geslagen. Het want zoemde en kraakte in de wind. De lantaarn verdubbelde het maanlicht op het dek, maar er was niemand te zien.