‘Nee maar’ zei Thom toen hij afsteeg, ‘dat is toch beter dan het vlot van de Aes Sedai, niet?’ Hij stond met zijn handen op zijn heupen en zelfs in het donker was zijn zelfvoldane grijns duidelijk te zien.
‘Het ziet er niet naar uit alsof dit schip paarden kan meenemen, maar als we bedenken dat we de schipper gaan waarschuwen voor het gevaar waarin hij verkeert, zal hij mogelijk redelijk zijn. Laat mij het woord doen. En neem voor de zekerheid je dekens en zadeltassen mee.’
Rhand steeg af en begon alles achter zijn zadel los te maken, ‘Je wilt toch niet zeggen dat we hier zonder de anderen vertrekken, hè?’
Thom kreeg geen kans om te antwoorden. Twee Trolloks sprongen de open plek op, brullend en zwaaiend met hun vangstokken, met nog vier anderen er vlak achter. De paarden sloegen achteruit en briesten. Geschreeuw in de verte maakte duidelijk dat er nog meer aankwamen.
‘De boot op!’ schreeuwde Thom. ‘Snel! Laat alles liggen. Hollen!’
Hij voegde de daad bij het woord en rende met fladderende lapjesmantel en hotsende instrumentkistjes op zijn rug naar de boot toe.
‘Hé daar, op de boot!’ schreeuwde hij. ‘Word wakker, sukkels. Trolloks.’
Rhand rukte zijn dekenrol en zadeltassen los van de laatste knop en volgde de speelman op de voet. Hij gooide zijn spullen over de reling en sprong erachteraan. Hij had nog net tijd om de man te zien die opgerold had liggen slapen en zich nu oprichtte, voor hij met allebei de voeten boven op hem belandde. De man kreunde luid, Rhand struikelde en een vanghaak sloeg tegen de reling vlak achter hem. Over de hele boot klonk geschreeuw en voeten roffelden over het dek.
Harige handen grepen de reling naast de vanghaak en een gehoornde kop verscheen. Rhand stond nog te wankelen, maar slaagde er toch in zijn zwaard te trekken en uit te halen. Brullend viel de Trollok omlaag.
Overal renden mannen op de boot rond, schreeuwend en meertouwen met bijlen stuk hakkend. Het schip sprong los en zwaaide rond of het maar al te graag wrilde uitvaren. Op de boeg vochten drie mannen met een Trollok. Iemand porde met een speer over de reling, al kon Rhand niet zien waar hij naar stak. Een boogpees knalde en knalde opnieuw. De man waar Rhand bovenop was geland, krabbelde op handen en knieën opzij en stak zijn handen op toen hij Rhand zag kijken.
‘Spaar me,’ riep hij. ‘Neem alles wat u wilt, neem de boot, neem alles, maar spaar me.’
Opeens dreunde er iets hards tegen Rhands rug, waardoor hij tegen het dek sloeg. Zijn zwaard stuiterde weg uit zijn gestrekte hand. Met open mond en snakkend naar adem die niet wilde komen, trachtte hij zijn zwaard te pakken. Zijn spieren reageerden met een kwellende traagheid; hij kronkelde als een worm. De kerel die zo graag gespaard wilde worden, wierp een angstige en begerige blik op het zwaard en verdween toen in de schaduwen.
Ondanks de pijn lukte het Rhand over zijn schouder te kijken en toen wist hij dat het was gedaan met zijn geluk. Een Trollok met een wolvensnuit hield zich op de reling in evenwicht en keek op hem neer. In zijn klauwen had hij de afgebroken staak van de vanghaak die alle lucht uit zijn longen had geslagen. Rhand deed verwoede pogingen om het zwaard te pakken, te bewegen, weg te komen, maar zijn trillende armen en benen bewogen schokkend en veel minder dan hij wilde. Zijn borst voelde alsof die met ijzeren banden was ingesnoerd; voor zijn ogen verschenen zilverkleurige vlekjes. Gejaagd zocht hij een manier om te ontsnappen. De tijd leek langzamer te gaan toen de Trollok de afgebroken staak optilde, alsof hij Rhand eraan wilde spietsen. Voor Rhand leek het of het wezen als in een droom bewoog. Hij zag de dikke arm achteruitgaan; hij kon al voelen hoe de gebroken schacht zijn rug doorboorde, hoe de doodsteek voelde. Hij dacht dat zijn longen zouden barsten. Ik ga sterven! Licht help me, ik ga...! De arm van de Trollok bewoog, dreef de scherpe afgebroken schacht naar voren en Rhand vond adem voor een enkele giclass="underline" ‘Nee!’
Opeens draaide het schip bij, waarna een mastboom uit de schaduw zwaaide en de Trollok vol tegen de borst trof, zodat die met krakende botten overboord werd geveegd.
Heel even lag Rhand naar lucht te happen en naar de boom te staren die boven hem heen en weer zwaaide. Daarmee heb ik mijn geluk wel totaal verbruikt. Hierna heb ik niets meer over.
Beverig krabbelde hij overeind en pakte zijn zwaard op. Hij hield het eindelijk eens met twee handen vast, zoals Lan het hem had geleerd, maar er was niets meer waarvoor hij het kon gebruiken. De strook zwart water tussen de boot en de oever werd snel breder; de kreten van de Trolloks verdwenen achter hen in de nacht.
Toen hij zijn zwaard terugstak en tegen de reling steun zocht, stapte een gedrongen man met een jas tot zijn knieën het dek op en keek hem woest aan. Lange haren vielen op zijn stevige schouders en een baard zonder snor omkranste een rond gezicht. Rond, maar niet zacht. De mastboom zwaaide weer naar buiten en de man met de baard zag hem woedend aankomen voor zijn brede handpalm hem met een kletsende klap tegenhield.
‘Gelb!’ brulde hij. ‘Fortuin! Waar hang je uit, Gelb?’
Hij praatte snel en plakte alles aan elkaar vast, zodat Rhand hem amper begreep. ‘Je kunt je niet op mijn eigen schip voor me verschuilen! Breng Floran Gelb hier.’
Een bemanningslid draafde met een dievenlantaarn naderbij en twee anderen duwden een man met een mager gezicht in de lichtcirkel. Rhand herkende de kerel die hem de boot had aangeboden. De ogen van de man schoten alle kanten op, maar keken geen enkele keer de stevige man aan. De schipper, dacht Rhand. Op Gelbs voorhoofd verscheen een bult waar een van Rhands laarzen was neergekomen.
‘Werd van jou niet verwacht de boom vast te zetten, Gelb?’ vroeg de schipper verrassend kalm, al sprak hij even snel als ervoor.
Gelb leek echt verbaasd. ‘Dat heb ik gedaan. Heb hem goed vastgebonden. Ik geef toe dat ik dingen soms wat langzaam doe, schipper Domon, maar ik doe ze wel.’
‘Zo, wat langzaam, hè? Met slapen ben je niet zo langzaam. Slapen terwijl je wacht dient te lopen. We hadden tot de laatste man afgeslacht kunnen worden, als het aan jou had gelegen.’
‘Nee, schipper, nee. Het lag aan hem.’ Gelb wees naar Rhand. ‘Ik hield de wacht, wat van me werd verwacht, tot hij aan kwam sluipen en me met een knuppel neersloeg.’ Hij raakte de bult op zijn voorhoofd aan, vertrok zijn gezicht en keek Rhand woedend aan. ‘Ik heb nog gevochten, maar toen kwamen de Trolloks. Hij hoort bij ze, schipper. Een Duistervriend. Hoort bij de Trolloks.’
‘Hoort bij mijn ouwe oma!’ brulde schipper Domon. ‘Heb ik je laatst niet gewaarschuwd, Gelb? In Wittebrug ga je eraf! Uit mijn ogen voor ik je er nu al afgooi!’ Gelb schoot uit de lichtkring weg en Domon kneep zijn handen open en dicht terwijl hij in het niets staarde. ‘Die Trolloks lijken mij maar te volgen. Waarom laten ze me niet met rust? Waarom?’
Rhand keek naar de rivier en zag geschrokken dat de oever niet langer in zicht was. Twee man stonden aan de lange roerarm op de achtersteven en er stonden zes roeiers aan één kant te werken. Ze boomden het schip als een watervlo verder de rivier op.
‘Schipper,’ zei Rhand, ‘we hebben nog vrienden op de oever. Als u omkeert en ze oppikt, zullen ze u zeker belonen.’
Het ronde gezicht van de schipper keerde zich naar Rhand, en toen Thom en Mart eveneens verschenen, werden die ook in zijn uitdrukkingsloze blik gevat.
‘Schipper,’ begon Thom met een buiging, ‘sta me toe u...’
‘Jullie mee, onderdek,’ zei schipper Domon, ‘waar ik kan zien wat voor raars op mijn dek is aangespoeld. Kom. Het Fortuin hale me.
Kan iemand deze hoorndolle boom vastzetten!’ Toen dekknechten snel de boom overnamen, stampte hij naar het achterschip. Rhand en zijn vrienden volgden.
Schipper Domon had een nette hut in het achterschip, die met een korte ladder bereikt kon worden. Binnen gaf alles de indruk een vaste plaats te hebben, tot aan de jassen en mantels toe, die aan pinnen tegen de achterkant van de deur hingen. De hut was even breed als het schip, met een breed bed dat tegen de ene wand was gebouwd en een zware tafel tegen de andere wand. Er stond maar één stoel, mer een hoge rug en stevige armleuningen. Die nam de schipper zelf, terwijl hij gebaarde dat het drietal maar een plekje moest zoeken op een van de vele kisten en banken die de rest van de inrichting vormden. Een luide grom hield Mart tegen toen hij op het bed wilde gaan zitten.