‘Zo,’ zei de schipper toen iedereen zat. ‘Mijn naam is Baile Domon, schipper en eigenaar van de Schuimvlok, de naam van dit schip. Wie zijn jullie, wat waren jullie aan het uitspoken op zo’n afgelegen plek en waarom zou ik jullie niet overboord gooien voor de ellende die jullie mij hebben bezorgd?’
Rhand had nog steeds moeite de rappe tong van Domon te volgen. Toen het tot hem doordrong wat de schipper als laatste had gezegd, keek hij de man met grote ogen aan. Overhoord gooien?
Mart zei haastig: ‘We wilden u helemaal geen ellende bezorgen. We waren op weg naar Caemlin en daarna naar...’
‘Waar de wind ons heen voert,’ onderbrak Thom hem gladjes. ‘Zo reist een speelman nu eenmaal, als stof in de wind. Ik ben een speelman, ziet u, Thom Merrilin genaamd.’ Hij bewoog zijn mantel, zodat de vele tinten van de lapjes bewogen, alsof het de schipper was ontgaan. ‘Deze twee jonge boerenkinkels willen mijn leerlingen worden, al weet ik nog niet zeker of ik ze wel wil.’ Rhand keek Mart aan, die grijnsde.
‘Allemaal goed en wel, man,’ zei schipper Domon kalm, ‘maar dat zegt me niets. Niemendal. Het Fortuin mag me slaan, maar stof in de wind volgt niet de weg naar Caemlin, geen enkele weg, heb ik horen verluiden.’
‘Ja, dat is een heel verhaal,’ zei Thom en hij begon het meteen uit de doeken te doen.
In Thoms verhaal was hij door sneeuwbuien overvallen in een mijnstadje in de Mistbergen ergens achter Baerlon. Toen hij daar was, had hij een legende gehoord van een schat uit de tijd van de Trollok-oorlogen, in de bouwvallen van een verloren stad die Aridhol heette. Nu was hij toevallig achter de ligging van dat Aridhol gekomen door een kaart die hem vele jaren geleden in Illian was geschonken door een stervende vriend wiens leven hij eens had gered en die met zijn laatste woorden had verteld dat de kaart Thom rijk zou maken, wat Thom nooit geloofd had tot hij die legende in het mijnstadje hoorde. Toen de sneeuw voldoende was gesmolten, was hij met enkele kameraden op reis gegaan, waaronder deze leerlingen in de dop, en na een reis met vele ontberingen hadden ze de vervallen stad gevonden. Maar de schat bleek te hebben behoord aan een van de Gruwheren zelf, en er waren Trolloks uitgestuurd om de schat naar Shayol Ghul terug te brengen. Ze hadden vele gevaren moeten doorstaan – Trolloks, Myrddraal, Draghkar, Mordeth, Mashadar – iedereen had hen wel ergens in het verhaal aangevallen, al leken alle aanvallen, zoals Thom het vertelde, op hem persoonlijk gericht en had hij alleen ze met de grootste handigheid afgeslagen. Met veel waaghalzerij – hoofdzakelijk van Thom – waren ze ontsnapt, achtervolgd door Trolloks, hoewel ze in de afgelopen nacht van elkaar waren gescheiden, tot Thom en zijn twee metgezellen ten slotte hun toevlucht hadden moeten zoeken op de enige plek die overbleef: het uiterst gastvrije schip van schipper Domon.
Toen de speelman was uitverteld, besefte Rhand dat hij enige tijd met open mond had zitten luisteren en hij klapte meteen zijn kaken op elkaar. Toen hij naar Mart keek, zag hij zijn vriend met grote ogen naar de speelman staren.
Schipper Domon trommelde met zijn vingers op de armleuning. ‘Dat is een verhaal dat veel mensen niet zouden geloven. Maar ik heb natuurlijk zelf de Trolloks gezien, niet?’
‘Ieder woord ervan is waar,’ zei Thom effen, ‘van iemand die het heeft overleefd.’
‘Je hebt mogelijk niet iets van de schat bij je?’
Thom toonde spijtig zijn lege handen. ‘Helaas, het weinige wat we konden meenemen, hadden we op onze paarden gebonden, die wegvluchtten toen die laatste Trolloks verschenen. Alles wat ik heb, zijn mijn fluit en mijn harp, enkele koperstukken en de kleren die ik draag. Maar geloof me, u zou de schatten niet willen aanraken. De smet van de Duistere rust erop. Ze kunnen beter in de bouwvallen bij de Trolloks blijven.’
‘Dus je hebt geen geld om de bootreis te betalen. Ik zou mijn eigen broer nog niet vervoeren als hij geen geld had, en zeker niet als hij Trolloks naar mijn schip had gebracht die mijn reling hebben stukgemaakt en mijn want hebben beschadigd. Waarom zou ik jullie niet laten terugzwemmen naar waar jullie vandaan kwamen, zodat ik jullie kwijt ben?’
‘U zou ons toch niet op de oever zetten?’ zei Mart. ‘Niet met die Trolloks daar?’
‘Wie heeft iets gezegd over een oever?’ antwoordde Domon droogjes. Hij bekeek ze een ogenblik aandachtig en legde toen zijn handen plat op de tafel. ‘Maar aangezien Baile Domon een redelijke man is, zal hij jullie niet overboord gooien als er een andere mogelijkheid is. Wel, ik zie dat een van je leerlingen een zwaard heeft. Ik heb een goed zwaard nodig en omdat ik een aardige man ben, zal ik jullie voor dat zwaard tot Wittebrug meenemen.’
Thom wilde al antwoord geven, maar Rhand was hem voor. ‘Nee!’ Tham had het hem niet gegeven om te verhandelen. Hij streek over het gevest en voelde de bronzen reiger. Zolang hij dat wapen had, was het of Tham nog bij hem was.
Domon schudde het hoofd. ‘Tja, als het nee is, is het nee. Maar Baile Domon geeft geen gratis reizen weg, nog niet aan zijn eigen moeder.’
Rhand maakte met tegenzin zijn zak leeg. Hij had niet veel, een paar koperstukken en de zilveren munt van Moiraine. Die hield hij de schipper voor. Even later zuchtte Mart en deed hetzelfde. Thom keek woest, maar dat werd zo snel gevolgd door een glimlach dat Rhand niet zeker wist of Thom zo had gekeken.
Schipper Domon plukte handig de twee dikke zilveren munten uit de handen van de jongens en zette een kleine weegschaal en een rinkelende zak op tafel uit een met koper beslagen kist achter zijn stoel. Na zorgvuldige weging liet hij de munten in de zak vallen en gaf ieder enkele kleine zilveren en koperen munten terug. Voornamelijk koper. ‘Tot aan Wittebrug,’ zei hij en hij schreef keurig enkele cijfertjes in een in leer gebonden grootboek.
‘Dat is duur voor een tocht naar Wittebrug,’ mopperde Thom.
‘Plus de schade aan mijn vaartuig,’ antwoordde de schipper kalmpjes. Hij deed de weegschaal en de zak terug in de kist en sloot die tevreden. ‘Plus nog wat voor die Trolloks van jullie, waardoor ik in de nacht de rivier af moet varen terwijl er veel zandbanken zijn waar ik op kan stranden.’
‘En onze reisgenoten?’ vroeg Rhand. ‘Neemt u hen ook mee? Ze moeten nu bij de rivier zijn aangekomen, of zullen daar gauw zijn, en dan zullen ze de lantaarn aan uw mast zien.’
De wenkbrauwen van schipper Domon rezen haast tot zijn haren. ‘Denk je misschien dat we stilliggen, jongen? Het Fortuin zal me steken als we niet al zo’n drie tot vier span van de plek zijn waar jullie aan boord sprongen. De Trolloks hebben er wel voor gezorgd dat die kerels op het dek hun schouders onder de riemen hebben gezet – ze kennen Trolloks nu beter dan hen lief is – en de stroom helpt ook mee. Maar het maakt geen golfje verschil. Ik leg vannacht nergens meer aan, zelfs niet als mijn oude grootmoeder op de oever stond. Ik leg misschien nergens meer aan voor we in Wittebrug zijn. Vóór vandaag had ik mijn buik al vol van Trolloks en wat mij betreft is het nu genoeg geweest.’
Thom boog zich belangstellend naar hem toe. ‘Bent u al eerder op Trolloks gestuit? De laatste dagen nog?’
Domon aarzelde en keek Thom met samengeknepen ogen aan, maar toen hij sprak, klonk er vooral walging door in zijn stem. ‘Ik heb in Saldea overwinterd, man. Niet mijn keus, maar de rivier vroor vroeg dicht en het ijs brak Iaat. Ze zeggen dat je de Verwording op de hoogste toren van Maradon kunt zien, maar daar staat mijn hoofd niet naar. Ik ben er al eerder geweest en er wordt altijd gepraat over Trolloks die een boerderij of zoiets hebben aangevallen. Maar de afgelopen winter zijn er iedere nacht boerderijen in vlammen opgegaan. Zeker, en soms ook hele dorpen. Ze kwamen zelfs tot aan de stadsmuren. En of dat al niet erg genoeg is, waren er mensen die zeiden dat het betekende dat de Heerser van de Nacht zich roerde en dat de Laatste Dagen waren aangebroken.’ Hij rilde even en krabde zijn hoofd alsof de gedachte hem jeuk bezorgde. ‘Ik tel de dagen af dat ik weer terug ben bij mensen die denken dat Trolloks verzonnen en mijn verhalen reisleugens zijn.’