Rhand luisterde niet langer. Hij zat naar de andere wand te staren en dacht aan Egwene en de anderen. Het leek hem niet eerlijk dat hij veilig op de Schuimvlok zat terwijl zij daar nog ergens in de nacht rondzwierven. De hut van de schipper was niet meer zo veilig als eerst.
Hij was verrast toen Thom hem overeind trok. De speelman duwde Mart en hem naar de ladder met een verontschuldiging naar schipper Domon voor de boerenkinkels. Rhand klom zwijgend omhoog. Toen ze eenmaal op het dek stonden, keek Thom snel rond om er zeker van te zijn dat ze niet afgeluisterd konden worden, waarna hij gromde: ‘Ik had vervoer kunnen krijgen voor enkele liedjes en verhalen als jullie niet zo gretig je zilver hadden laten zien.’
‘Weet ik zo net nog niet,’ zei Mart. ‘Het klonk of hij het meende, toen hij het had over ons in de rivier gooien.’
Rhand liep langzaam naar de reling, leunde ertegenaan en staarde naar de nachtelijke rivier achter het schip. Hij zag niets dan zwart, zelfs geen oever. Hen ogenblik later legde Thom zijn hand op Rhands schouder, maar hij verroerde zich niet.
‘Er is niets aan te doen, kerel. Bovendien zijn ze nu waarschijnlijk veilig bij de... bij Moiraine en Lan. Kun je betere mensen bedenken dan die twee, om ze allemaal in veiligheid te brengen?’
‘Ik heb geprobeerd haar om te praten, om niet mee te gaan,’ zei Rhand.
‘Je deed wat je kon, kerel. Niemand kan meer van je eisen.’
‘Ik heb haar gezegd dat ik voor haar zou zorgen. Ik had meer moeten doen,’ Het kraken van de roeispanen en het trillen van het want in de wind vormden een treurige wijs. ‘Ik had meer moeten doen,’ fluisterde hij.
21
Luister naar de wind
De opkomende zon zette de Arinelle in het licht en bescheen niet ver van de rivieroever een kuil waarin Nynaeve op de grond tegen de stam van een jonge eik aanleunde; aan haar diepe ademhaling te horen, zat ze te slapen. Ook haar paard sliep, de nek gebogen en de benen wijd uiteen, zoals paarden dat doen. De teugels waren om haar pols geslagen. Toen het zonlicht op zijn oogleden viel, keek het dier op en bewoog het zijn hoofd, waardoor het aan de teugels trok. Nynaeve werd met een schok wakker.
Heel even staarde ze rond, vroeg zich af waar ze was en keek toen verwilderd rond tot ze het weer wist. Er waren slechts bomen, haar paard en een tapijt van oude dorre bladeren op de bodem van de kuil. In de diepste schemerplekken vormden enkele schaduwhandzwammen van vorig jaar ringen op een gevallen stam.
‘Het Licht beware je, vrouw,’ fluisterde ze en ze liet zich weer tegen de boom zakken, ‘als je geen hele nacht wakker kunt blijven.’ Ze maakte de leidsels los en wreef bij het opstaan over haar pols. ‘Je had wakker kunnen worden in een Trollokkookpot.’
De dode bladeren ritselden toen ze naar de rand van de grote kuil klom en eroverheen loerde. Slechts enkele essen scheidden haar van de rivier. Door hun gegroefde schors en kale takken leken ze dood. Daarachter stroomde breed het blauwgroene water voorbij. Leeg. Helemaal leeg. Op de andere oever stonden verspreide groepjes wilgen en pijnbomen, maar het leken er minder te zijn dan aan haar kant. Als Moiraine of een van de jongens daarginds was, hadden ze zich goed verborgen. Natuurlijk was er geen enkele reden waarom ze overgestoken zouden zijn, of dat zouden hebben geprobeerd, als ze zag hoe breed de rivier was. Ze konden overal zijn, tien span stroomopwaarts of tien span de andere kant op. Als ze tenminste nog in leven waren na vannacht.
Boos dat ze zelfs aan de mogelijkheid durfde denken, liet ze zich in de kuil terug glijden. Noch Winternacht in Emondsveld, noch het gevecht op weg naar Shadar Logoth had haar kunnen voorbereiden op de afgelopen nacht, op dat afschuwelijke ding, Mashadar. Al dat hotsende gedraaf, dat je steeds maar weer afvragen of iemand anders het had overleefd, of die angst dat je een Schim of Trollok zou tegenkomen. Ze had in de verte Trolloks horen grommen en schreeuwen en de naargeestige kreten van de Trollokhoorns hadden haar verkild, meer dan de wind. Maar afgezien van hun eerste ontmoeting tussen de bouwvallen had ze daarna de Trolloks nog maar één keer gezien en dat was buiten de stad geweest. Zo’n stuk of tien leken toen op nog geen dertig stap voor haar uit de grond op te rijzen en meteen jankend en schreeuwend op haar af te springen terwijl ze hun kromme vanghaken optilden. Maar toen ze haar paard rechtsomkeert liet maken, waren ze stil geworden en hadden hun snuiten snuffelend in de lucht gestoken. Ze was blijven kijken, te verbaasd om te vluchten en ze had gezien hoe de Trolloks zich omdraaiden en in de nacht verdwenen. En dat was nog het meest griezelige geweest. ‘Ze kennen de geur van hun prooi,’ had ze tegen haar paard gezegd toen ze diep in het bos stond, ‘en die geur is niet de mijne. Het lijkt of de Aes Sedai gelijk heeft, moge de Heerser van de Nacht haar halen.’
Ze besloot stroomafwaarts te gaan en leidde haar paard. Ze liep langzaam en hield nauwgezet het haar omringende woud in het oog. Dat de Trolloks haar vannacht niet hadden gepakt, betekende niet dat ze haar vandaag zouden laten gaan als ze hen voor de voeten kwam. Al gaf ze het bos alle aandacht, ze keek nog nauwkeuriger naar de grond voor haar. Als de anderen hier vannacht eerder waren geweest, zou ze daar sporen van zien, sporen die ze zou missen wanneer ze reed. Misschien zou ze iedereen nog aan deze kant van de rivier tegenkomen. Als ze niets vond, zou de rivier haar uiteindelijk in Wittebrug brengen en er liep een weg van Wittebrug naar Caemlin en verder, naar Tar Valon als dat nodig was.
Het vooruitzicht wond haar eerlijk gezegd wel op. Net als de jongens was ze nooit buiten Emondsveld geweest. Tarenveer was haar al vreemd en in Baerlon zou ze stomverbaasd hebben rondgekeken als ze niet bezig was geweest met het zoeken naar Egwene en de jongens. Maar haar opwinding kon haar niet van haar beslissing afbrengen. Vroeg of laat zou ze Egwene en de jongens vinden. Of ze zou een manier vinden om de Aes Sedai ter verantwoording te roepen voor wat er met hen was gebeurd. Het een of het ander, zwoer ze.
Af en toe zag ze sporen, heel veel zelfs, maar in de meeste gevallen kon ze, ondanks alle moeite die ze zich gaf, niet zeggen of die sporen van de jagers of van hun prooi waren. Sommige sporen lieten laarsafdrukken zien die evengoed van mensen als van Trolloks hadden kunnen zijn. Andere waren hoefafdrukken van een geit of een os, dus zeker van de Trolloks. Maar nooit was het een duidelijke aanwijzing waaruit ze kon afleiden dat het hier een spoor van de gezochten betrof.
Ze had misschien zo’n vier span afgelegd toen ze in de wind een vleugje houtrook opving. Het kwam van verderop langs de rivier, en van niet zo ver ook, dacht ze. Ze aarzelde even voor ze haar paard aan een naaldboom bond, een behoorlijk stuk van de rivier af, in een klein maar dicht bosje groene bomen, waardoor het dier verborgen zou blijven. De rook kon van Trolloks komen, maar om dat zeker te weten, moest ze gaan kijken. Ze probeerde niet te denken aan het doel van een Trollokvuur.
Gebukt glipte ze van boom naar boom en vervloekte in gedachten haar rokken, die ze de hele tijd op moest houden. Een kleed was niet voor sluipen bedoeld. Ze hoorde een paard, sloop nog langzamer verder en toen ze eindelijk voorzichtig om de stam van een es gluurde, zag ze op een open plekje bij de oever de zwaardhand van zijn zwarte strijdros afstijgen. De Aes Sedai zat op een stronk naast een klein vuurtje waarop een ketel water begon te dampen. Haar witte merrie scharrelde achter haar tussen wat karig onkruid rond. Nynaeve bleef waar ze was.