Выбрать главу

Nynaeve herinnerde zich die ontmoeting maar al te goed; deze vrouw, nog zelfbewuster dan iemand van de vrouwenkring, in een mooier gewaad dan zij ooit had gezien, had haar als een kind aangesproken.

En toen had Moiraine opeens met haar ogen geknipperd, alsof ze verbaasd was, en ze had als een donderslag bij...

Ze likte haar lippen af, die opeens kurkdroog waren. Ze keken haar allebei aan, het gezicht van de zwaardhand even gesloten als in voorgaande dagen, dat van de Aes Sedai meelevend maar toch vastberaden. Nynaeve schudde haar hoofd. ‘Nee! Nee, het is onmogelijk. Ik zou het geweten hebben. Je probeert me alleen maar om te praten. Daar trap ik niet in.’

‘Natuurlijk kun je het niet weten,’ zei Moiraine sussend. ‘Waarom zou je zoiets vermoeden? Je hele leven is je verteld over het luisteren naar de wind. Hoe dan ook, je had eerder aan heel Emondsveld verkondigd dat je een Duistervriend was dan dat je, in het donkerste hoekje van je gedachten, aan jezelf had toegegeven dat je iets te maken hebt met de Ene Kracht of met de afschuwelijke Aes Sedai.’ Er flitste iets van vermaak over Moiraines gezicht. ‘Maar ik kan je wel vertellen hoe het is begonnen.’

‘Ik luister niet meer naar je leugens,’ zei ze, maar de Aes Sedai praatte gewoon door.

‘Zo’n jaar of acht, tien geleden – de leeftijd verschilt, maar het is op jonge leeftijd – was er iets wat je liever wilde dan wat ook, iets wat je ontzettend hard nodig had. En je kreeg het. Een plotseling vallende tak, zodat je jezelf uit het water kon trekken en niet verdronk. Een vriend, of een huisdier dat beter werd toen iedereen dacht dat het zou doodgaan.

Op dat moment voelde je niets, maar zo’n dag of tien later kreeg je de eerste terugslag van het aanraken van de Ware Bron. Misschien koorts, misschien rillingen die plotseling opkwamen, waardoor je het bed moest houden. Maar diezelfde ochtend of middag verdwenen ze al, want hoewel ze erg verschillen, duurt geen terugslag langer dan een paar uur. Hoofdpijn, gevoelloosheid en uitbundigheid, allemaal tegelijk. En jij doet iets doms en gevaarlijks of je doet vreemd. Een aanval van duizeligheid, waardoor je elke keer dat je beweegt, struikelt of wankelt. Geen zin kunnen zeggen zonder dat je tong allerlei woorden verhaspelt. En meer van dat soort dingen. Weet je het nog?’

Nynaeve liet zich met een plof op de grond zakken; haar benen konden haar niet meer dragen. Ze wist het nog, maar schudde toch haar hoofd. Het moest toeval zijn. Of Moiraine had meer rondgevraagd in Emondsveld dan zij dacht. De Aes Sedai had ontzettend veel vragen gesteld. Dat moest het wel zijn. Lan bood haar een hand aan, maar ze zag het niet eens.

‘Ik ga nog verder,’ zei Moiraine toen Nynaeve bleef zwijgen. ‘Jij hebt op een of ander moment de Kracht gebruikt om Perijn of Egwene te helen. Er ontwikkelt zich een band. Je kunt het voelen als iemand die je geheeld hebt, in je buurt komt. ‘In Baerlon kwam je onmiddellijk naar De Bok en Leeuw, hoewel die herberg niet de eerste is die je na die poort, of welke poort dan ook, tegenkomt. Van de Emondsvelders waren bij je aankomst alleen Egwene en Perijn in de herberg. Was het Perijn? Egwene? Of allebei?’

‘Egwene,’ mompelde Nynaeve. Ze had het altijd heel gewoon gevonden dat ze soms kon zeggen wie er naar haar toe kwam, ook al was die persoon niet te zien, maar pas nu besefte ze dat het altijd iemand was geweest die ze op een wonderbaarlijke wijze had genezen. Ze had ook altijd geweten wanneer haar geneesmiddelen buiten verwachting zouden werken, altijd de zekerheid gevoeld als ze zei dat de oogst buitengewoon goed zou zijn of dat de lenteregens vroeg of laat zouden vallen. Maar ze had altijd aangenomen dat zoiets voor een Wijsheid heel gewoon was. Niet elke Wijsheid kon naar de wind luisteren, maar de besten wel. Dat had vrouw Barran steeds gezegd, net zoals ze had beweerd dat Nynaeve een van de besten kon worden.

‘Ze had bottenkrakerskoorts.’ Ze zat nog steeds met gebogen hoofd en praatte tegen de grond, ‘ik was nog een leerlinge bij vrouw Barran; ze liet me bij Egwene waken. Ik was jong en ik wist niet of de Wijsheid alles wel zo goed in de hand had. Het is verschrikkelijk om aan te zien, die koorts. Het kind lag te baden in haar zweet, te kreunon en te woelen, en ik kon maar niet begrijpen waarom ik haar beenderen niet hoorde kraken. Vrouw Barran had me gezegd dat de koorts binnen enkele dagen zou breken, maar ik dacht dat ze de ware afloop voor me verzweeg. Ik had een enkele keer op haar gepast toen ze nog een peuter was – als haar moeder het druk had – en ik begon te huilen omdat ik dacht dat ik zou moeten toezien hoe ze stierf. Toen vrouw Barran een uur later terugkwam, was de koorts gebroken. Ze was verbaasd, maar ze maakte zich drukker om mij dan om Egwene. Ik heb altijd het gevoel gehad dat ze geloofde dat ik het kind iets had gegeven en dat niet durfde toe te geven. Ik had ook altijd het gevoel dat ze me probeerde te troosten, me ervan wilde overtuigen dat ik Egwene geen kwaad had gedaan. Een week later viel ik in de huiskamer op de grond, nu eens rillend dan weer brandend van de koorts. Ze legden me in bed, maar tegen het avondeten was het over.’

Ze sloeg haar handen voor haar gezicht toen ze uitgesproken was.

De Aes Sedai heeft een prachtvoorbeeld gevonden. Het Licht moge haar verteren! Dus ik heb de Kracht gebruikt als een Aes Sedai. Een smerige Duistervriend van een Aes Sedai!

‘Je hebt ontzettend veel geluk gehad,’ zei Moiraine en Nynaeve schoot overeind. Lan liep weg alsof hij met hun gesprek niets te maken had en hield zich bezig met het zadel van Mandarb. Hij keek niet eens naar hen.

‘Geluk?!’

‘Je hebt een onvolmaakte beheersing van de Kracht geleerd, hoewel het aanraken van de Ware Bron nog steeds iets is wat je overkomt. Als je dat niet had geleerd, zou het je uiteindelijk hebben gedood. Zoals het naar alle waarschijnlijkheid ook Egwene zal doden als het jou lukt haar van Tar Valon weg te houden.’

‘Maar ik heb geleerd het te beheersen...’ Nynaeve slikte hevig. Het was alsof ze opnieuw moest toegeven dat zij kon wat de Aes Sedai zei. ‘Als ik heb geleerd de Ene Kracht te beheersen, kan zij het ook. Het is niet nodig dat zij naar Tar Valon gaat en bij jullie intriges wordt betrokken.’

Moiraine schudde langzaam haar hoofd. ‘Aes Sedai zoeken net zo volhardend naar meisjes die uit zichzelf de Ware Bron aanraken als naar mannen die dat kunnen. Dat doen we niet om ons aantal te vergroten – nou ja, niet alléén daarom – en evenmin uit vrees dat deze vrouwen de Kracht zullen misbruiken. De onvolmaakte beheersing van de Kracht die ze kunnen verwerven, als het Licht hun welgevallig is, is amper genoeg om veel schade toe te brengen. Bovendien ligt het feitelijk aanraken van de Bron zonder onderwijs boven hun macht; het gebeurt alleen bij toeval. En zij hebben uiteraard geen last van de waanzin die mannen ertoe brengt kwaad te doen of het Patroon te verstoren. Wij willen hun leven redden, het leven van degenen die er nooit in slagen het te beheersen.’

‘De koorts en de rillingen die ik kreeg, kunnen niemand doden,’ hield Nynaeve vol. ‘Niet in drie of vier uur. Ik heb ook al die andere dingen gehad, en die kunnen niemand doden. En na een paar maanden hield het op. Wat zegt u daarop?’

‘Dat is telkens slechts een kleine terugslag geweest,’ zei Moiraine geduldig. ‘Iedere keer komt die sneller na het aanraken van de Bron, tot die twee dingen vrijwel gelijktijdig optreden. Daarna is er geen enkele terugslag meer te zien, maar het is alsof er een klok is gaan tikken. Het kan een jaar duren, twee jaar. Ik heb een vrouw gekend die het vijf jaar uithield. Van de vier vrouwen met de aangeboren eigenschap, zoals jij en Egwene, sterven er drie als we hen niet vinden en begeleiden. Het is niet zo’n afschuwelijke dood als bij mannen, maar hij is zeker niet prettig, als sterven ooit zo genoemd kan worden. Stuiptrekkingen. Krijsen. Het duurt dagen en als het eenmaal begonnen is, kan het door niets meer worden tegengehouden, zelfs niet door alle Aes Sedai uit de Witte Toren tezamen.’