‘U liegt. U hebt in Emondsveld overal rondgevraagd. U hebt gehoord over Egwene, dat haar koorts opeens brak, over mijn koorts en rillingen... U verzint het allemaal.’
‘Je weet dat ik dat niet heb gedaan,’ zei Moiraine vriendelijk.
Aarzelend knikte Nynaeve; nog nooit had ze in haar leven zo’n grote aarzeling gevoeld. Het was een laatste poging geweest om het voor de hand liggende te ontkennen en dat had nooit enig nut, hoe onprettig de waarheid ook was. De eerste leerlinge van vrouw Barran was gestorven zoals de Aes Sedai had beschreven. Nynaeve speelde toen nog met poppen. En nog maar enkele jaren terug was er een leerlinge in Devenrit geweest... Ook zij kon naar de wind luisteren.
‘Jij hebt grote mogelijkheden, denk ik,’ vervolgde Moiraine. ‘Met oefening zou je zelfs nog krachtiger kunnen zijn dan Egwene en ik geloof dat zij een van de machtigste Aes Sedai kan worden die we in eeuwen hebben gezien.’
Nynaeve sprong achteruit alsof ze een adder voor zich zag. ‘Nee! Ik wil niks te maken hebben met...’ Met wat? Met mezelf? Ze zakte weer in elkaar en haar stem haperde. ‘Ik wil u vragen het tegen niemand te zeggen. Alstublieft?’ Het woord bleef haast in haar keel steken. Ze had nog liever gehad dat de Trolloks eraan kwamen dan ‘alstublieft’ te moeten zeggen tegen die vrouw. Maar Moiraine knikte slechts instemmend en iets van haar wilskracht kwam weer terug.
‘Dit alles verklaart niet wat u met Mart en Rhand en Perijn wil.’
‘De Duistere wil ze,’ antwoordde Moiraine. ‘Als de Duistere iets wil, probeer ik het te verijdelen. Is er een simpelere verklaring, of een betere?’ Ze dronk haar kom leeg en keek Nynaeve over de rand aan.
‘Lan, we moeten gaan. Naar het zuiden, denk ik. Ik ben bang dat de Wijsheid niet met ons meegaat.’
Nynaeves gezicht verstrakte door de manier waarop de Aes Sedai ‘Wijsheid’ had gezegd. Net alsof zij zich niets aantrok van belangrijke dingen, alsof ze liever iets kinderachtigs ging doen. Ze wil niet dat ik meega. Ze probeert me tegen de haren in te strijken, zodat ik weer naar huis ga en de anderen aan haar overlaat. ‘O nee, ik ga met u mee. U kunt me niet tegenhouden.’
‘Niemand wil je tegenhouden,’ zei Lan, die weer bij hen kwam staan. Hij gooide de ketel leeg over het vuur en verspreidde de as met een takje. ‘Een deel van het Patroon?’ vroeg hij Moiraine.
‘Misschien,’ antwoordde ze bedachtzaam, ‘ik had nog een keer met Min moeten praten.’
‘Je ziet het, Nynaeve, we willen graag dat je met ons meegaat.’ Het leek net of Lan even zweeg na het uitspreken van haar naam, bijna alsof hij er Sedai aan had willen toevoegen.
Nynaeve brieste van woede omdat ze dacht dat ze haar uitlachten en vanwege de manier waarop ze praatten over dingen waarvan ze niets wist, zonder de beleefdheid te hebben haar uitleg te geven, maar ze gunde hun niet de voldoening ernaar te vragen.
De zwaardhand ging verder met de voorbereidingen van het vertrek, met praktische, doelgerichte handelingen, zodat hij snel klaar was met de zadeltassen en het vastbinden van de dekens achter de zadels van Mandarb en Aldieb.
‘Ik zal je paard halen,’ zei hij tegen Nynaeve toen hij met de laatste riem klaar was.
Hij liep weg over de rivieroever en ze gunde zich een klein glimlachje. Nadat zij hem ongemerkt had bespied, wilde hij nu zonder haar hulp gaan zoeken. Hij zou wel merken dat ze weinig sporen achterliet als ze zich niet wilde laten zien. Het zou plezierig zijn als hij met lege handen terugkwam.
‘Waarom naar het zuiden?’ vroeg ze Moiraine. ‘Ik heb u horen zeggen dat een van de jongens aan de andere kant van de rivier zit. Hoe weet u dat?’
‘Ik heb de drie jongens een munt gegeven. Die schept een soort band tussen hen en mij. Zolang ze in leven zijn en de munt in hun bezit hebben, ben ik in staat hen te vinden.’ Nynaeves ogen dwaalden in de richting waarin de zwaardhand was verdwenen en Moiraine schudde ontkennend het hoofd. ‘Nee, niet op die manier. Bij de jongens ben ik alleen in staat uit te vinden of ze nog in leven zijn, en ik kan ze weer terugvinden als we elkaar kwijtraken. Een wijze maatregel, nietwaar, gezien de omstandigheden?’
‘Ik hou er niet van als iets u met iemand uit Emondsveld verbindt, op welke manier dan ook,’ zei Nynaeve koppig. ‘Maar als het helpt hen te vinden...’
‘Zeker. En als ik kon, zou ik eerst die jongeman aan de overkant van de rivier ophalen.’ Er klonk iets van ergernis in haar woorden door.
‘Hij is maar enkele spannen van ons vandaan. Maar ik kan me die tijd niet gunnen. Hij kan echter veilig in Wittebrug komen nu de Trolloks zijn verdwenen. De twee die de rivier afzakken, hebben me mogelijk harder nodig. Ze zijn hun munten kwijt en de Myrddraal zijn óf achter die twee aan óf ze zijn op weg naar Wittebrug om ons voor te zijn.’ Ze zuchtte, ik moet eerst voor het belangrijkste zorgen.’
‘De Myrddraal kunnen ze... kunnen ze hebben omgebracht,’ zei Nynaeve.
Moiraine schudde even haar hoofd en ontkende de suggestie alsof die te onbenullig was om er verder over te denken. Nynaeve kneep haar lippen op elkaar. ‘En waar is Egwene dan? U hebt haar niet genoemd.’
‘Ik weet het niet,’ gaf Moiraine toe, ‘maar ik hoop dat ze veilig is.’
‘U weet het niet? U hoopt? Na al dat gepraat over het redden van haar leven door haar naar Tar Valon mee te nemen? Ze kan al dood zijn zonder dat u het weet!’
‘Ik kan naar haar op zoek gaan en de Myrddraal meer tijd laten voordat ik de twee jongens kan helpen, die naar het zuiden zijn gegaan. Bedenk wel dat de Duistere hen wil hebben, niet haar. Ze zullen zich niet om Egwene bekommeren zolang hun echte prooi nog niet gegrepen is.’
Nynaeve herinnerde zich haar eigen ontmoeting in Shadar Logoth, maar ze weigerde toe te geven dat Moiraines woorden verstandig waren. ‘Dus het beste wat u te bieden heeft, is dat ze misschien, met enig geluk, in leven blijft. In leven, misschien alleen of gewond, vele dagreizen van enig dorp verwijderd en van alle hulp behalve de onze verstoken. En u bent van plan haar in de steek te laten.’
‘Ze kan net zo goed veilig bij de jongen op de andere oever zijn. Of onderweg naar Wittebrug met de andere twee. In ieder geval zijn er hier geen Trolloks meer die gevaar voor haar opleveren en zij is sterk, slim en heel goed in staat in haar eentje op weg te gaan naar Wittebrug, als dat nodig is. Wil jij dan liever hier blijven voor de o zo kleine mogelijkheid dat ze je nodig heeft, of ga je proberen de jongens te helpen die je hulp werkelijk nodig hebben? Wil je dat ik haar ga zoeken en de jongens in de steek laat, met de Myrddraal op hun hielen? Ik hoop van ganser harte, Nynaeve, dat ze veilig is, maar ik strijd tegen de Duistere en dat bepaalt mijn pad.’
Moiraine verloor geen enkele keer haar kalmte toen ze die afschuwelijke keuzen opsomde. Nynaeve wilde tegen haar schreeuwen; ze knipperde haar tranen weg en draaide zich om zodat de Aes Sedai ze niet zag. Licht, men verwacht dat een Wijsheid voor iedereen zorgt. Waarom moet ik dan zo’n keuze maken?
‘Daar is Lan,’ zei Moiraine, die opstond en haar mantel rond haar schouders rechttrok.
De teleurstelling was niet eens erg groot toen de zwaardhand met haar paard onder de bomen vandaan kwam. Toch perste ze haar lippen op elkaar toen hij haar de teugels aanreikte. Het zou haar humeur hebben verbeterd als ze iets van emotie, iets van voldoening bij hem gezien had in plaats van die onverdraaglijke ijzige kalmte. Zijn ogen werden groot toen hij haar aankeek en ze keerde zich om en veegde de tranen van haar wangen. Hoe durft hij me uit te lachen.