‘Kom je, Wijsheid?’ vroeg Moiraine koel.
Ze keek nog eenmaal langzaam tussen de bomen rond en vroeg zich af of Egwene daar kon zijn, voor ze bedroefd in het zadel klom. Lan en Moiraine waren al opgestegen en wendden hun paarden naar het zuiden. Ze volgde hen, met rechte rug. Ze wilde absoluut niet omkijken en hield haar ogen op Moiraine gericht. Dat mens was zo zeker van haar macht en haar plannen, dacht ze, maar als ze Egwene en de jongens niet gezond en wel terugvonden, dan zou al haar macht haar niet kunnen beschermen. Al haar Kracht niet. Ik kan de Kracht gebruiken, vrouw! je zei het zelf. Ik kan de Kracht tegen jou gebruiken!
22
De keuze van de weg
Tussen een klein groepje bomen, onder een stapel cedertakken die hij in het donker ruw had afgehakt, lag Perijn tot ver na zonsopgang te slapen. De naalden die door zijn nog vochtige kleren staken, prikten hem uiteindelijk wakker. Midden in een droom over Emondsveld, over werken aan de blaasbalg van baas Lohan, deed hij zijn ogen open en staarde niet-begrijpend rond naar de zoet ruikende takken die kriskras over zijn gezicht lagen en naar het zonlicht dat erdoorheen scheen.
De meeste takken vielen van hem af toen hij verbaasd rechtop ging zitten, maar sommige bleven verward aan zijn schouders en zelfs zijn hoofd hangen, waardoor hij er zelf als een boompje uitzag. Emondsveld vervaagde toen zijn geheugen weer begon te werken. Heel even waren zijn herinneringen zo levendig dat de gebeurtenissen van de nacht echter leken dan alles wat hij om zich heen zag.
Hijgend en paniekerig zocht hij onder de takken naar zijn bijl. Hij pakte die met beide handen stevig vast en keek behoedzaam rond, terwijl hij zijn adem inhield. Er bewoog niets. De ochtend was koud en stil. Als er Trolloks op de oostelijke oever van de Arinelle waren, dan liepen ze niet rond, tenminste niet op het stuk dat hij kon zien. Hij ademde dieper en kalm in en liet de bijl op zijn knieën rusten, terwijl hij wachtte tot zijn hart weer tot rust was gekomen.
Het kleine groene bosje om hem heen was de eerste schuilplaats die hij gisteravond had gevonden. De bomen hadden net voldoende naalden om hem een beetje te verbergen als hij opstond. Hij plukte de takken van zijn hoofd en schouders, schoof de rest van zijn prikkerige deken opzij en kroop toen op zijn knieën naar de rand van het bosje. Daar bekeek hij liggend de rivieroever, voortdurend krabbend op de plaatsen waar de naalden hem hadden geprikt.
De snijdende wind van afgelopen nacht was afgezwakt tot een rustig briesje dat het water nauwelijks deed rimpelen. De rivier stroomde kalm en breed voorbij. Te breed en te diep voor Schimmen om over te steken. De andere oever leek een dicht bos dat zich ver naar beide kanten uitstrekte. Daar bewoog zich niets voor zover hij kon zien.
Hij was er niet helemaal zeker van of hij dat goed of slecht moest vinden. Schimmen en Trolloks kon hij missen als kiespijn, zelfs aan de overkant van de rivier, maar een hele lijst van zorgen zou verdwijnen met de verschijning van de Aes Sedai of de zwaardhand, of beter nog van Rhand of Mart. Als wensen vleugels hadden, konden schapen vliegen. Dat zei vrouw Lohan altijd.
Van zijn paard had hij niets meer gezien na de sprong van de klif – hij hoopte dat het veilig uit de rivier was gekomen – maar hij was toch meer gewend aan lopen dan aan rijden en zijn laarzen waren stevig en voorzien van goede zolen. Hij had niets te eten, maar zijn slinger zat nog om zijn middel gebonden. Daarmee, en met de strikken in zijn zakken, zou hij binnen korte tijd een konijn kunnen verschalken. Alles om vuur te maken was met zijn zadeltassen verdwenen, maar de cederbomen verschaften hout en, na wat werk, een vuurboog.
Hij huiverde toen de bries in zijn schuilplaats doordrong. Zijn mantel lag ergens in de rivier en zijn jas en alle andere kleren waren nog steeds klam en kil van zijn duik in het water. Hij was vannacht te moe geweest om zich erg om de kou en het vocht te bekommeren, maar nu was hij klaarwakker en voelde alle kou. Ondanks dat besloot hij zijn kleren toch maar niet over de takken te drogen te hangen. Al was de dag niet echt koud te noemen, warm was anders.
Tijd vormde het grootste probleem, dacht hij met een zucht. Als hij tijd had, kon hij zijn kleren drogen. Als hij tijd had, kon hij een konijn vangen en een vuur maken om het dier te roosteren. Zijn maag knorde en hij probeerde niet langer aan eten te denken. Hij kon die tijd veel beter gebruiken. Eén ding tegelijk en het belangrijkste eerst. Zo deed hij het nu eenmaal altijd.
Zijn ogen volgden de sterke stroming van de Arinelle. Hij was een beter zwemmer dan Egwene. Als zij het gehaald had... Nee, niet ‘als’.
De plek waar zij aan land was gekomen, moest meer stroomafwaarts liggen. Hij trommelde met zijn vingers op de grond en overwoog de mogelijkheden.
Toen hij zijn besluit had genomen, verknoeide hij verder geen tijd; hij pakte zijn bijl en begaf zich op weg langs de rivier.
Aan deze kant van de Arinelle groeide geen dicht bos zoals op de westoever. Groepen bomen stonden verspreid op wat grasland zou worden als de lente ooit zou aanbreken. Sommige, met een overvloed aan naaldbomen tussen de kale essen, elzen en gombomen, waren groot genoeg om bosjes genoemd te worden. Dichter bij de rivier stonden de bomen verder uit elkaar en waren ze kleiner. Ze boden amper beschutting, maar ze vormden zijn enige bescherming. Hij sprong gebukt van bosje naar bosje en liet zich, telkens als bij tussen de bomen was, plat op de grond vallen om de oevers aan beide kanten af te speuren. De zwaardhand had gezegd dat het water een hindernis vormde voor Schimmen en Trolloks, maar was dat ook zo? Als ze hem zagen, zou dat mogelijk voldoende zijn om hun angst voor diep water te overwinnen. Dus keek hij zorgvuldig vanachter de bomen om zich heen en rende snel en gebukt van de ene schuilplaats naar de volgende.
Op die manier legde hij een aantal spannen af, in snelle draf, tot hij opeens halverwege een sprint naar de aantrekkelijke schuilplaats van een groep wilgen stokstijf naar de grond bleef staan staren. Stukjes zwarte aarde bevlekten het doffe bruin van het oude gras en midden in een van die plekjes, vlak voor zijn neus, stond een duidelijke hoefafdruk. Langzaam verspreidde zich een brede grijns over zijn gezicht. Sommige Trolloks hadden hoeven, maar hij betwijfelde of ze ijzers droegen. En zeker geen hoefijzers met de dubbele kruisversteviging die baas Lohan eraan toevoegde.
Hij vergat eventuele ogen aan de andere kant van de rivier en keek rond naar andere sporen. Het dode, platte grastapijt nam niet gemakkelijk afdrukken op, maar zijn scherpe ogen zagen ze toch. Het nauwelijks zichtbare spoor leidde hem van de rivier weg naar een dichte groep bomen; de ceders en lederbladbomen vormden een scherm tegen de wind en spiedende ogen. Te midden van dit alles zag hij de takken van een eenzame grijze den.
Nog steeds een en al grijns duwde hij zich dwars door de verwarde takken heen en maalde niet langer om het lawaai dat hij maakte. Opeens stapte hij een kleine open plek op onder de den – en bleef staan.
Voor hem brandde een klein vuurtje en daarachter stond Egwene ineengedoken tegen Bela’s flank, met een grimmig gezicht en met een dikke tak die ze als een knuppel vasthield.
‘Ik vermoed dat ik wat had moeten roepen,’ zei hij met een verlegen schouderophalen.
Ze gooide haar knuppel weg en rende naar hem toe om haar armen om hem heen te slaan. ‘Ik dacht dat je verdronken was. Je bent nog nat. Hier, ga bij het vuur zitten en warm jezelf. Je bent je paard kwijt, hè?’
Hij liet zich door haar naar een plekje bij het vuur duwen en wreef zijn handen boven de vlammen over elkaar, dankbaar voor de warmte. Ze haalde een geolied pakje uit haar zadeltas en gaf hem wat brood met kaas. Het pakje was zo goed ingepakt dat de inhoud ervan zelfs na de onderdompeling nog droog was. Nou, maak ik me zorgen over haar en brengt zij het er beter vanaf dan ik.
‘Bela heeft me eroverheen gekregen,’ zei Egwene en ze gaf de ruige merrie enige lovende klopjes. ‘Ze maakte dat ze bij de Trolloks wegkwam en heeft me gewoon meegetrokken.’ Ze zweeg even. ‘Ik heb verder niemand gezien, Perijn.’