Hij hoorde de stille vraag. Terwijl hij spijtig naar het pakje keek dat ze weer goed dichtdeed, likte hij de laatste kruimels van zijn vingers voor hij iets zei. ‘Behalve jou heb ik vannacht niemand anders gezien, dus ook geen Schimmen of Trolloks.’
‘Het zal vast goed zijn met Rhand,’ zei Egwene en ze voegde er snel aan toe: ‘Met de anderen natuurlijk ook. Dat moet wel. Waarschijnlijk zijn ze nu naar ons op zoek. Ze kunnen ons ieder moment vinden. Per slot van rekening is Moiraine een Aes Sedai.’
‘Iedereen wrijft me dat telkens weer onder mijn neus,’ zei hij. ‘Drakenvuur, ik wou dat ik het kon vergeten.’
‘Ik heb je anders niet horen klagen toen ze de Trolloks tegenhield die ons wilden grijpen,’ zei Egwene uitdagend.
‘Ik wou enkel dat we het zonder haar konden doen.’ Slecht op zijn gemak haalde hij zijn schouders op onder haar felle blik. ‘Maar ik veronderstel dat we dat niet kunnen. Ik heb eens nagedacht.’
Haar wenkbrauwen schoten omhoog, maar hij was gewend aan verbazing als hij eens een keer een idee had. Zelfs als hij een even goed idee had als een ander, leken ze slechts te merken hoe weloverwogen en vooral hoe langzaam hij dingen uitdacht. ‘We kunnen wachten tot Moiraine en Lan ons vinden.’
‘Natuurlijk,’ viel ze hem bij. ‘Moiraine Sedai zei dat ze ons kon vinden als we elkaar zouden kwijtraken.’
Hij liet haar uitspreken en ging toen verder. ‘Of de Trolloks vinden ons eerst. Of misschien is Moiraine wel dood. Het zou allemaal kunnen. Nee, Egwene, het spijt me, maar dat kan, ik hoop dat iedereen veilig is. Ik hoop dat ze op dit moment naar ons vuur toe komen. Maar hoop is net een eind touw als je verdrinkt; het is op zich niet genoeg om er uit te komen.’
Egwene deed haar mond dicht en staarde hem met op elkaar geklemde tanden aan. Ten slotte zei ze: ‘Je wilt langs de rivier naar Wittebrug? Als Moiraine Sedai ons hier niet vindt, zal ze ons daarna daar gaan zoeken.’
‘Ik neem aan,’ zei hij langzaam, ‘dat Wittebrug de plaats is waar we heen zouden moeten gaan. Maar de Schimmen weten dat vermoedelijk ook. Daar zullen ze ons zoeken en deze keer hebben we geen Aes Sedai of zwaardhand om ons te beschermen.’
‘Ik neem aan dat je voorstelt ergens heen te vluchten, zoals Mart wilde doen? Je ergens verbergen waar de Schimmen of Trolloks ons niet vinden? En Moiraine Sedai dus ook niet?’
‘Denk niet dat ik er niet over gedacht heb,’ zei hij rustig. ‘Maar iedere keer als we denken dat we vrij zijn, vinden de Schimmen en de Trolloks ons weer. Ik denk dat we ons eigenlijk nergens kunnen verbergen. Ik zeg het niet graag, maar we hebben Moiraine nodig.’
‘Dan begrijp ik het niet, Perijn. Waar gaan we dan heen?’
Verrast stond hij met zijn ogen te knipperen. Hij moest het antwoord geven! Ze wachtte op zijn voorstel. Hij had nooit verwacht dat zij hem ergens de leiding over zou geven. Egwene had er een hekel aan als iemand anders plannetjes maakte en ze liet anderen haar niet zeggen wat ze moest doen. Op de Wijsheid na dan misschien, en zelfs dan had hij soms het gevoel dat ze wel eens dwars lag. Hij streek met zijn handen de aarde voor zich glad en schraapte hard zijn keel.
‘Stel, wij zitten nu hier en dat daar is Wittebrug,’ hij stak op twee plekken zijn vinger in de aarde, ‘dan zou Caemlin hier ergens moeten liggen.’ Hij maakte een derde gaatje verder opzij. Hij zweeg en keek naar de drie gaten in de aarde. Zijn hele plan beruste op wat hij zich nog herinnerde van de kaart van haar vader. Meester Alveren zei dat die niet nauwkeurig was en bovendien had hij er niet zo vaak boven gezwijmeld als Rhand of Mart. Maar Egwene zei niets. Toen hij opkeek, zat ze hem nog steeds met haar handen in haar schoot aan te kijken.
‘Caemlin?’ Het klonk of ze stomverbaasd was.
‘Caemlin.’ Hij trok een lijn tussen de twee gaten. ‘Weg van de rivier en in een rechte lijn ernaartoe. Niemand zal dat verwachten. We wachten in Caemlin op ze.’ Hij sloeg de aarde van zijn handen en wachtte. Hij vond het een goed plan, maar ze zou zeker bezwaar maken. Hij verwachtte dat zij de leiding zou nemen – ze wist hem altijd dingen te laten doen – en hij vond dat verder best.
Tot zijn verbazing knikte ze. ‘Er moeten dorpen zijn. We kunnen de weg vragen.’
‘Waar ik me zorgen over maak,’ zei Perijn, ‘is wat we moeten doen als de Aes Sedai ons daar niet vindt. Licht, wie zou ooit hebben gedacht dat ik me daar zorgen over zou maken? Wat moeten we doen als ze niét naar Caemlin komt? Misschien denkt ze dat we dood zijn. Misschien brengt ze Rhand en Mart regelrecht naar Tar Valon.’
‘Moiraine Sedai zei dat ze ons kon vinden,’ zei Egwene vastberaden. ‘Als ze ons hier kan vinden, kan ze dat ook in Caemlin. Zeker weten.’
Perijn knikte langzaam. ‘Misschien, maar als ze niet binnen enkele dagen in Caemlin aankomt, gaan we verder naar Tar Valon en leggen de zaak aan de Amyrlin Zetel voor.’ Hij haalde diep adem. Twee weken geleden had ik van mijn leven nog nooit een Aes Sedai gezien en nu sta ik hier te bazelen over de Amyrlin Zetel. Licht-nog-an-toe.
‘Volgens Lan is er een goede weg vanuit Caemlin.’ Hij keek naar het pakje naast Egwene en schraapte zijn keel. ‘Nog kans op een hapje brood en kaas?’
‘We moeten hiermee misschien een lange tijd doen,’ zei ze, ‘tenzij jij meer geluk hebt met strikken dan ik gisteravond. Nou ja, een vuur maken was gemakkelijk.’ Ze lachte alsof ze een grapje had gemaakt en stak het pakje terug in een zadeltas.
Klaarblijkelijk stelde ze duidelijke grenzen aan zijn leiderschap. Zijn maag knorde. ‘In dat geval,’ zei hij terwijl hij opstond, ‘kunnen we net zo goed meteen weggaan.’
‘Maar je bent nog nat!’ protesteerde ze.
‘Ik loop me wel droog,’ zei hij flink en begon aarde over het vuur te schoppen. Als hij de leiding had, was het nu tijd om te leiden. De wind van de rivier werd weer sterker.
23
Wolfs broeder
Vanaf het begin wist Perijn dat de reis naar Caemlin verre van gemakkelijk zou zijn. Het begon al meteen toen Egwene erop aandrong dat ze om beurten op Bela zouden rijden. Ze wisten niet hoe ver het was, zei ze, maar het was te ver om haar als enige op Bela te laten rijden. Haar kaak stond strak en ze staarde hem aan zonder met haar ogen te knipperen.
‘Ik ben te groot voor Bela,’ zei hij. ‘Ik ben gewend aan lopen en ik doe het ook liever.’
‘Dus ik ben lopen niet gewend?’ zei Egwene bits.
‘Dat bedoelde ik helemaal.’
‘Dus ik ben de enige die zadelpijn mag krijgen. En als jij loopt tot je voeten bijna van je benen afvallen, verwacht je van mij dat ik je verzorg.’
‘Laat maar,’ zuchtte hij, toen het leek of ze niet op zou houden. ‘Jij neemt in ieder geval de eerste beurt.’ Haar gezicht kreeg een nog koppiger uitdrukking, maar hij weigerde haar nog een kans op tegensputteren te geven. ‘Als je zelf niet opstijgt, zet ik je erin.’
Ze keek hem verschrikt aan en een klein glimlachje krulde haar lippen. ‘In dat geval...’ Het klonk of ze wilde gaan lachen, maar ze klom wel in het zadel.
In zichzelf mopperend zocht hij een weg die van de rivier wegleidde. In verhalen hadden leiders nooit met dit soort onzin te maken. Egwene stond erop om beurten te rijden en telkens als hij probeerde eraan te ontkomen, schold ze hem het zadel in. Smidswerk leverde geen tengere jongens op en Bela was als paard toch al aan de kleine kant. Iedere keer dat hij zijn voet in de stijgbeugel zette, dacht hij dat de ruige merrie hem verwijlend aankeek. Misschien onbelangrijk, maar het ergerde hem wel. Weldra kromp hij iedere keer in elkaar als Egwene aankondigde: ‘Jij bent aan de beurt, Perijn.’
In verhalen krompen leiders zelden in elkaar en werden ze nooit uitgescholden. Maar, zo peinsde hij, die hadden ook nooit met Egwene te maken gehad.
Ze hadden slechts een kleine voorraad brood en kaas, en dat beetje was aan het einde van de eerste dag op. Perijn zette strikken op plaatsen waar konijnensporen waren – ze zagen er oud uit, maar het was het proberen waard – terwijl Egwene het vuur begon aan te leggen. Toen hij klaar was, besloot hij zijn geluk met de slinger te proberen voordat het al te donker werd. Ze hadden geen enkel teken van leven gezien, maar... Tot zijn verbazing stuitte hij bijna meteen op een mager konijn. Hij werd er zo door verrast dat het dier bijna ontsnapte, maar hij kreeg het op veertig pas te pakken, net toen het rond een boom sprong.