Toen hij met het konijn naar het kamp terugkwam, had Egwene alle afgebroken takken voor het vuur klaargelegd en zat ze met gesloten ogen naast het houtstapeltje. ‘Wat ben jij aan het doen? Je kunt geen vuur wensen.’
Egwene sprong bij zijn eerste woorden op, draaide zich om en staarde hem met de hand tegen haar keel aan. ‘Je... je liet me schrikken.’
‘Ik heb geluk gehad,’ zei hij en hij hield het konijn omhoog. ‘Pak je vuursteen en staal. Vanavond eten we tenminste goed.’
‘Ik heb geen vuursteen,’ zei ze langzaam. ‘Die zat in mijn jaszak en ik heb hem in de rivier verloren.’
‘Maar hoe heb...’
‘Daar op de rivieroever was het zo gemakkelijk, Perijn. Precies zoals Moiraine Sedai het me liet zien. Ik reikte enkel...’ Ze maakte een gebaar of ze ergens naar greep en liet haar hand toen met een zucht vallen. ‘Maar ik kan het nu niet vinden.’
Perijn maakte ongerust zijn lippen nat. ‘De... de Kracht?’ Ze knikte en hij keek haar strak aan. ‘Ben je gek? Ik bedoel... de ene Kracht! Je kunt met zoiets niet maar wat spelen.’
‘Het was zo gemakkelijk, Perijn. Ik kan het. Ik kan de Kracht geleiden.’
Hij haalde diep adem. ‘Ik maak een vuurboog, Egwene. Beloof me, dat je die... die... dat niet meer probeert.’
‘Dat doe ik niet.’ Haar kaak stond weer zo strak dat hij zuchtte. ‘Zou jij die bijl van jou opgeven, Perijn Aybara? Zou jij rond willen lopen met één hand op je rug gebonden? Ik beloof niks!’
‘Ik ga een vuurboog maken,’ zei hij vermoeid. ‘Maar probeer het dan tenminste vanavond niet. Alsjeblieft?’
Ze gaf mokkend toe, maar zelfs toen het konijn aan een spit boven de vlammen hing te roosteren, gaf ze hem het gevoel dat zij het beter had kunnen doen. En ze gaf het ook niet op. Iedere avond probeerde ze het weer, en éénmaal lukte het haar een dun rookpluimpje te krijgen, dat vrijwel meteen weer verdween. Haar ogen daagden hem uit iets te zeggen, maar Perijn keek wel uit.
Na die ene warme maaltijd waren ze aangewezen op taaie wilde wortelen en wat jonge scheuten. Nu er nog steeds niets van de lente te merken viel, was er van alles te weinig en smaakte het ook niet. Ze klaagden niet, maar er ging geen maaltijd voorbij zonder een zucht en beiden wisten dat ze een hapje pittige kaas misten, of zelfs maar de geur van brood. Het vinden van een kring paddenstoelen – de beste nog wel, koninginnekronen – op een middag in een beschaduwd deel van het bos, betekende voor hen al een geweldig feestmaal. Ze verorberden de paddenstoelen, lachten en haalden herinneringen op aan Emondsveld, verhalen die begonnen met: ‘Weet je nog toen..,’ maar de paddenstoelen waren net als hun lach snel verdwenen. Honger geeft maar weinig plezier.
Wie aan de beurt was om te lopen, droeg de slinger, klaar om die meteen te gebruiken als ze een konijn of een eekhoorn zouden zien, maar de enige keer dat er een steen werd weggeslingerd, was het uit boosheid. De strikken die ze iedere avond zorgvuldig uitzetten, leverden bij dageraad niets op en ze durfden geen dag ergens te blijven om de strikken te laten staan. Ze wisten geen van beiden hoe ver het was naar Caemlin en voelden zich niet veilig voor ze er waren. En misschien zelfs dan niet. Perijn begon zich al af te vragen of zijn maag zo ver kon krimpen dat er midden in zijn buik een lege holte zou ontstaan.
Ze schoten behoorlijk op, voor zover hij het kon overzien, maar naarmate ze verder van de Arinelle wegtrokken zonder een dorp of een boerenhofstede te zien waar ze de richting konden vragen, groeide zijn twijfel over zijn eigen plan. Egwene leek uiterlijk even vol vertrouwen als toen ze vertrokken, maar hij wist zeker dat ze op een gegeven moment zou zeggen dat ze beter de Trolloks konden riskeren dan de rest van hun leven verloren rond te dwalen. Ze deed het geen enkele keer, maar hij verwachtte het wel.
Na twee dagen begon het land te veranderen in dicht beboste heuvels die net zo leden onder het staartje van de winter als andere streken, en een dag nadat de heuvels weer in vlak land waren overgegaan, werd het dichte woud afgewisseld door meren, vaak wel een span of meer breed. Er lag nog steeds sneeuw in verborgen dalen en in de ochtend was de lucht kil en de wind altijd koud. Nergens zagen ze een weg, een geploegde akker of schoorsteenrook in de verte, geen enkel teken van menselijke bewoning – tenminste, geen plaatsen die nog bewoond werden.
Een keer zagen ze de overblijfselen van hoge stenen vestingmuren op een heuveltop. Binnen de vervallen wallen stonden de resten van stenen huizen zonder daken. Het bos had de plaats sinds lang weer teruggewonnen; bomen groeiden overal doorheen en de grote steenblokken waren helemaal overwoekerd met oude klimplanten. Een andere keer kwamen ze langs een stenen toren, zonder top en bruin van oud mos, die tegen een geweldige eik aanleunde; de dikke wortels van de boom duwden de toren langzaam maar zeker omver. Nergens hadden de laatste jaren nog mensen geleefd. De herinnering aan Shadar Logoth hield hen ver van de bouwvallen en zorgde ervoor dat ze sneller liepen, tot ze zich weer op plaatsen bevonden waar zo te zien nooit eerder iemand een voet had gezet.
Perijns slaap werd gekweld door dromen, angstige dromen. Ba’alzamon kwam erin voor en achtervolgde hem in doolhoven, maakte jacht op hem, maar Perijn kwam hem nooit lijfelijk tegen, voor zover hij wist. En hun tocht bood al genoeg stof voor nare dromen.
Egwene klaagde over nachtmerries over Shadar Logoth, vooral in de twee nachten nadat ze op de vervallen vesting en de verlaten toren waren gestuit. Perijn hield alles voor zich, zelfs als hij zwetend en bevend in het donker wakker werd. Ze rekende erop dat hij ervoor zou zorgen dat ze veilig in Caemlin zouden komen; hij wilde haar niet laten delen in zorgen waaraan ze toch niets konden doen.
Perijn liep zich naast Bela’s hoofd af te vragen of ze die avond iets te eten zouden hebben. Hij ving de geur als eerste op. De merrie sperde haar neusgaten open en zwaaide meteen daarop het hoofd omhoog. Hij greep haar bij het bit voor ze kon hinniken.
‘Rook!’ zei Egwene opgewonden. Ze boog zich naar voren en haalde diep adem. ‘Een kookvuur. Iemand heeft eten aan het spit. Konijn.’
‘Mogelijk,’ zei Perijn behoedzaam en haar gretige glimlach verdween. Hij ruilde zijn slinger om voor de vervaarlijke halvemaan van zijn bijl. Zijn handen openden en sloten zich onzeker om de dikke schacht. Het was een wapen, maar noch zijn stiekeme oefenen achter de smidse, noch de lessen van Lan hadden hem op het gebruik van dit wapen voorbereid. Zelfs de strijd vlak voor Shadar Logoth was nu te lang geleden om hem enig vertrouwen te geven. Bovendien lukte het hem nooit goed die leegte op te roepen waar de zwaardhand en Rhand het soms over hadden.
Achter hem vielen de zonnestralen schuin door de bomen en het woud was een roerloze massa van vlekkerige schaduwen. De zwakke geur van houtrook dreef om hen heen, vermengd met de geur van geroosterd vlees. Het zou konijn kunnen zijn. Zijn maag rommelde. Het kon ook iets anders zijn, vermaande hij zichzelf. Hij keek Egwene aan, die hém zat aan te kijken. Als leider had hij uiteraard zijn verantwoordelijkheden.
‘Wacht hier,’ zei hij zachtjes. Ze fronste, maar hij onderbrak haar voor ze haar mond kon opendoen. ‘En wees stil. We weten nog niet wie het is.’ Ze knikte. Aarzelend, maar ze knikte. Perijn vroeg zich af waarom het niet werkte als hijprobeerde haar op Bela te laten doorrijden. Hij haalde diep adem en ging op zoek naar de plaats waar de rook vandaan kwam.
Hij had lang niet zoveel tijd als Rhand of Mart in de bossen doorgebracht, maar hij had redelijk vaak op konijnen gejaagd. Hij kroop van boom naar boom, zonder ook maar een twijgje te laten knappen. Het duurde niet lang of hij gluurde rond de stam van een grote eik met brede slingerachtige takken die omlaag bogen en vervolgens weer omhooggroeiden. Erachter lag een kampvuur en een magere, door de zon gebruinde man leunde bij de vlammen tegen een tak.