Выбрать главу

Het was gelukkig geen Trollok, maar het was wel een van de vreemdste kerels die Perijn ooit had gezien. Zijn kleren, bijvoorbeeld, leken helemaal van dierenvellen te zijn gemaakt, maar met de vacht er nog aan, zelfs aan zijn laarzen en aan de oude, platte ronde muts op zijn hoofd. Zijn mantel was een raar samenraapsel van konijn en eekhoorn terwijl zijn broek gemaakt leek te zijn van de langharige huid van een bruine en witte geit. Zijn grijzende bruine haren werden in de nek met een koordje bij elkaar gehouden en hingen tot op zijn middel. Een zware baard reikte tot halverwege zijn borst. Aan zijn riem hing een lang mes, bijna een zwaard, en tegen een tak stond een boog met pijlen binnen handbereik.

De man leunde met gesloten ogen achterover en leek te slapen, maar Perijn bewoog zich niet. Zes staken stonden boven het vuur van de man en aan elke staak was een konijn gestoken, bruingeroosterd. Zo nu en dan droop het sap sissend op de vlammen. De geur, zo dichtbij, deed hem watertanden.

‘Klaar met kwijlen?’ De man deed één oog open en richtte zijn blik op Perijns schuilplaats. ‘Jij en je vriendin kunnen net zo goed hier komen zitten voor een hapje. Ik heb je de laatste paar dagen niet al te veel zien eten.’

Perijn aarzelde, maar stond toen langzaam op. Hij hield zijn bijl nog stevig vast. ‘U hebt me al twee dagen lang bespied?’

De man grinnikte gorgelend. ‘Ja, ik heb jullie in de gaten gehouden. En dat leuke meisje. Laat je rondrennen als een kemphaan, nietwaar? Maar ik heb jullie vooral gehoord. Dat paard is de enige die niet zo hard rondstampt dat je hem vijf span verder kunt horen. Haal je haar nog of ben je van plan alles alleen op te eten?’

Perijn snoof; hij wist dat hii weinig geluid had gemaakt. Je kon in het Waterwold geen konijn besluipen als je lawaai maakte. Maar de geur van de konijnen herinnerde hem eraan dat Egwene ook honger had en natuurlijk wilde weten of het een Trollokvuur was dat ze hadden geroken.

Hij liet de bijlsteel in de lus glijden en verhief zijn stem. ‘Egwene! Het is in orde! Het is konijn.’ Hij stak zijn hand uit en zei op een meer normale toon: ‘Ik heet Perijn. Perijn Aybara.’

De man stond de hand te bekijken, voor hij die onhandig aanpakte, alsof hij handen schudden niet gewend was. ‘Ze noemen me Elyas,’ zei hij opkijkend. ‘Elyas Machera.’

Perijn snakte naar adem en liet bijna Elyas’ hand los. De ogen van de man waren geel, als glanzend gepoetst goud. Een of andere herinnering ritselde ergens in zijn hoofd, maar verdween weer. Het enige waar hij op dat ogenblik aan kon denken, was dat alle Trollokogen die hij had gezien, vrijwel zwart waren.

Egwene verscheen en voerde Bela behoedzaam mee. Ze bond de teugels van de merrie aan een kleine eikentak vast en maakte beleefde geluiden toen Perijn haar aan Elyas voorstelde, maar haar ogen dwaalden telkens naar de konijnen. De ogen van de man leken haar niet op te vallen. Toen Elyas naar het eten gebaarde, viel ze er gretig op aan. Perijn aarzelde maar even en volgde toen haar voorbeeld.

Elyas keek in stilte toe terwijl ze aten. Perijn had zo’n honger dat hij hete stukken vlees losscheurde en ze van de ene hand naar de andere hand moest laten wippen voor hij ze in zijn mond kon steken. Zelfs Egwene toonde weinig van haar gebruikelijke netheid; het vet liep langs haar kin omlaag. De dag ging over in de schemering voor ze trager aten, en de maanloze duisternis sloot zich reeds rond het vuur voor Elyas sprak.

‘Wat zijn jullie hier aan het uitspoken? Welke kant je ook op gaat, er is binnen de vijftig span geen huis te vinden.’

‘We gaan naar Caemlin,’ zei Egwene. ‘Misschien kunt u...’ Ze trok haar wenkbrauwen koeltjes op toen Elyas zijn hoofd in de nek gooide en begon te brullen van het lachen. Perijn staarde hem aan, een konijnenpoot halverwege zijn mond.

‘Caemlin?’ hijgde Elyas toen hij weer kon praten. ‘Met het pad dat jullie volgen en met de richting van de laatste paar dagen, trekken jullie ruim honderd span ten noorden van Caemlin langs.’

‘We gingen de richting vragen.’ zei Egwene verdedigend. ‘We zijn alleen nog geen boerderijen of dorpen tegengekomen.’

‘En zo zullen jullie ze ook niet tegenkomen,’ zei Elyas grinnikend. ‘Als jullie zo doorgaan, kun je blijven trekken tot je aan de Rug van de Wereld komt zonder ook maar één mens te zien. En dan, als het je lukt de Rug te beklimmen – het kan hier en daar – dan kun je in de Aielwoestenij mensen tegenkomen, maar daar zullen jullie het niet zo prettig vinden. Overdag wordt je er gekookt en ’s nachts bevries je er, en elk moment kun je van dorst omkomen. Je hebt een Aielman nodig om water in de Woestenij te vinden en ze hebben daar niet veel met vreemdelingen op. Nee, niet veel, denk ik zo.’ Hij barstte opnieuw in een nog luidruchtiger bulderend gelach uit en rolde van plezier letterlijk over de grond. ‘Helemaal niks, denk ik zo,’ bracht hij nog hijgend uit.

Perijn bewoog zich onrustig. Zijn we hij een gek terechtgekomen? Egwene had diepe rimpels in haar voorhoofd, maar ze wachtte tot Elyas’ uitbundigheid wat minder werd voor ze zei: ‘Misschien kunt u ons de weg wijzen. U lijkt veel beter te weten waar steden zijn dan wij.’

Elyas hield op met lachen. Hij tilde zijn hoofd op, zette zijn ronde bontmuts weer op die was afgevallen toen hij van plezier had liggen rollen en staarde haar vanonder zijn omlaag getrokken wenkbrauwen aan. ‘Ik heb het niet begrepen op mensen,’ zei hij vlak. ‘Steden zijn vol mensen. Ik kom ook niet zo vaak in de buurt van dorpen, zelfs niet van boerderijen. Dorpelingen en boeren houden niet van mijn vrienden. Ik zou zelfs jullie niet hebben geholpen als jullie niet zo hulpeloos en onschuldig als pasgeboren welpen hadden rondgezwalkt.’

‘Maar u kunt ons toch wel vertellen welke kant we uit moeten,’ hield ze aan. ‘Als u ons het meest nabije dorp aanwijst, zelfs al is het vijftig span verder, zullen ze ons daar zeker de richting naar Caemlin wijzen.’

‘Wees stil,’ zei Elyas. ‘Mijn vrienden komen eraan.’

Bela hinnikte opeens van angst en begon aan haar teugels te trekken. Perijn richtte zich half op toen om hen heen grijze gestalten uit het donker wordende bos opdoken. Bela wrong zich bokkend en briesend achteruit.

‘Kalmeer de merrie,’ zei Elyas. ‘Ze doen haar niets. Jullie ook niet als je stil blijft.’

Vier wolven stapten de lichtkring in, ruige gestalten die tot Perijns heupen reikten, met kaken die een mannenbeen konden breken. Ze liepen naar het vuur toe alsof er helemaal geen mens te zien was en gingen tussen hen in liggen. In de duisternis tussen de bomen weerkaatsten de vlammen in de ogen van nog meer wolven, welke kant Perijn ook op keek.

Gele ogen, dacht Perijn. Zoals die van Elyas. Dat had hij zich proberen te herinneren. Terwijl hij behoedzaam de wolven om hem heen in het oog hield, tastte hij naar zijn bijl.

‘Dat zou ik niet doen,’ zei Elyas. ‘Als zij denken dat je hun kwaad wilt doen, blijven ze niet meer zo vriendelijk.’

De vier wolven lagen hem nu aan te kijken, merkte Perijn. Hij had het gevoel dat alle wolven, ook die tussen de bomen, naar hem keken. Hij voelde zijn huid kriebelen. Voorzichtig trok hij zijn handen terug van zijn bijl. Hij meende te voelen hoe de spanning bij de wolven afnam. Langzaam ging hij weer zitten. Zijn handen beefden zo dat hij zijn knieën moest vastgrijpen om er een eind aan te maken. Egwene was zo verstijfd dat ze bijna trilde. Een wolf, bijna zwart met een grijze vlek op zijn snuit, lag vlak bij haar.

Bela brieste en bokte niet meer. In plaats daarvan probeerde ze bevend alle wolven in het oog te houden, waarbij ze nu en dan achteruit sloeg, alsof ze de wolven wilde laten zien dat ze daartoe in sraat was en dat ze haar huid duur zou verkopen. De wolven leken haar en de mensen te negeren. Hun tongen hingen uit hun bek, terwijl ze op hun gemak lagen te wachten.