‘Zo,’ zei Elyas, ‘dat is beter.’
‘Zijn ze tam?’ vroeg Egwene zwakjes en ook hoopvol. ‘Zijn het... huisdieren?’
‘Wolven zijn niet te temmen, meisje, zelfs nog minder dan mensen. Het zijn mijn vrienden. We houden elkaar gezelschap, jagen samen, praten in zekere zin met elkaar. Net als gewone vrienden. Nietwaar, Vlek?’ Een wolf met een vacht in alle tinten grijs draaide haar kop om hem aan te kijken.
‘Praat u met ze?’ vroeg Perijn verbaasd.
‘Niet echt,’ antwoordde Elyas langzaam. ‘De woorden zijn niet belangrijk en ze zijn ook eigenlijk niet juist. Haar naam is eigenlijk niet Vlek. Haar naam omvat de wijze waarop in de schemering van een winterdag schaduwen in een ven spelen terwijl een bries het water rimpelt, en de prikkeling van ijs als het water de tong raakt en de eerste aanduiding van sneeuw in de lucht voor de nacht valt. Maar dat is het ook niet helemaal. Je kunt het niet in woorden uitdrukken. Het is meer een gevoel. Zo praten wolven. De anderen zijn Blaar, Springer en Wind.’
Blaar had een oud litteken op zijn schouder dat zijn naam mogelijk verklaarde, maar bij de andere twee wolven was aan niets te zien wat hun namen konden betekenen.
Ondanks alle lompheid van de man dacht Perijn dat Elyas het leuk vond weer in de gelegenheid te zijn met andere mensen te praten. Hij leek er tenminste gretig genoeg voor. Perijn wierp een blik op de wolventanden die in het vuur glinsterden en bedacht dat het misschien een goed idee was hem aan de praat te houden, ‘Hoe... hoe hebt u geleerd met wolven te praten, Elyas?’
‘Zij hebben het gemerkt,’ antwoordde Elyas. ‘Ik niet. In het begin niet. Zo gaat het altijd, heb ik begrepen. De wolven vinden jou, jij vindt niet de wolven. Sommige mensen meenden dat ik was aangeraakt door de Duistere, omdat overal waar ik kwam, wolven begonnen op te dagen. Ik geloof dat ik dat soms ook heb gedacht. Fatsoenlijke mensen begonnen me te mijden en de mensen die me wel opzochten, waren niet van het slag dat ik wilde leren kennen. Toen merkte ik dat de wolven soms leken te weten wat ik dacht en daarop reageerden. Dat was het echte begin. Ze waren nieuwsgierig naar mij. Wolven kunnen meestal mensen voelen, maar niet op die manier. Ze waren blij dat ze mij gevonden hadden. Ze zeggen dat het al heel lang geleden is dat ze samen met mensen jaagden. Als zij zeggen dat het heel lang geleden is, dan krijg ik het gevoel van een ijskoude wind die vanaf de Eerste Dag komt aanhuilen.’
‘Ik heb nog nooit gehoord dat mensen met wolven jagen,’ zei Egwene. Haar stem klonk nog niet echt vast, maar het feit dat de wolven rustig bleven liggen, scheen haar moed te geven.
Elyas liet niet blijken dat hij haar had gehoord. ‘Wolven herinneren zich de dingen anders dan mensen,’ zei hij. Zijn vreemde ogen leken in de verte te kijken alsof hij zelf op de golven van de herinnering werd meegevoerd, iedere wolf herinnert zich de geschiedenis van alle wolven, zo ongeveer. Zoals ik eerder zei, je kunt het niet goed in woorden vatten. Ze herinneren zich dat ze schouder aan schouder met de mens op prooi jaagden, maar het is al zo lang geleden dat het meer weg heeft van een schaduw van een schaduw dan een herinnering.’
‘Dat is heel interessant,’ zei Egwene en Elyas keek haar scherp aan. ‘Nee, echt, ik meen het.’ Ze likte langs haar lippen. ‘Kunt... eh... kunt u ons leren met hen te praten?’
Elyas snoof weer. ‘Je kunt het niet leren. Sommigen kunnen met ze praten, sommigen niet. De wolven zeggen dat hij het kan.’ Hij wees naar Perijn.
Perijn keek naar Elyas’ vinger alsof het een mes was. Hij is echt gek.
De wolven staarden hem weer aan. Hij bewoog zich onrustig.
‘Jullie hebben gezegd dat je naar Caemlin ging,’ zei Elyas, ‘maar dat verklaart nog niet wat jullie hier doen, dagen van alles vandaan.’ Hij sloeg zijn mantel van bontlappen terug en ging op zijn zij liggen, steunend op een elleboog, en keek hen afwachtend aan.
Perijn wierp een blik op Egwene. Eerder hadden ze een verhaal bedacht voor als ze mensen tegenkwamen, om uitleg te geven zonder dat ze in moeilijkheden zouden raken. Zonder dat ze iemand lieten weten waar ze echt vandaan kwamen of waar ze echt naartoe gingen. Je kon tenslotte nooit zeker weten wat het oor van een Schim zou bereiken? Ze hadden er iedere dag aan gewerkt, hadden het aan gevuld en er de fouten uitgehaald. En ze hadden besloten dat Egwene het zou vertellen. Zij kon beter uit haar woorden komen en ze beweerde dat je aan Perijns gezicht kon zien wanneer hij loog.
Egwene begon meteen gladjes. Ze kwamen uit het noorden, uit Saldea, van een boerderij bij een klein dorpje. Voor dit alles waren ze geen van beiden ooit verder dan twintig span van huis geweest. Maar ze hadden verhalen van de speelman gehoord en vertellingen van marskramers en ze wilden iets van de wereld gaan zien. Caemlin en lllian. De Zee der Stormen en misschien de befaamde eilanden van het Zeevolk.
Perijn luisterde tevreden. Zelfs Thom Mernlin had geen beter verhaal kunnen verzinnen van het weinige dat ze in Emondsveld van de buitenwereld wisten, en ook geen verhaal dat beter bij hun behoefte paste.
‘Uit Saldea, hè?’ zei Elyas toen ze uitverteld was.
Perijn knikte, inderdaad. ‘We dachten eraan eerst naar Maradon te trekken. Ik zou de koning wel eens willen zien. Maar in de hoofdstad zouden onze vaders als eerste gaan kijken.’
Dat was zijn aandeel, duidelijk maken dat ze nooit in Maradon waren geweest. Zo kon niemand verwachten dat ze iets van de stad wisten, voor het geval ze iemand tegenkwamen die er echt was geweest. Zo speelde het verhaal zich ver af van Emondsveld en de gebeurtenissen van Winternacht. Geen enkele toehoorder zou aan Tar Valon hoeven denken of aan Aes Sedai.
‘Een prachtverhaal,’ knikte Elyas. ‘Inderdaad, prachtig. Er zijn maar een paar kleine dingetjes die niet kloppen, maar het belangrijkste is dat Vlek zegt dat het van voor tot achter gelogen is. Tot het laatste woord aan toe.’
‘Leugens?’ riep Egwene uit. ‘Waarom zouden we liegen?’
De vier wolven hadden zich niet bewogen, maar lagen ook niet meer gewoon bij het vuur. In plaats daarvan leken ze in elkaar te duiken en hun gele ogen keken de Emondsvelders zonder te knipperen aan. Perijn zei niets, maar zijn hand schoof terloops naar de bijl bij zijn middel. Met één snelle beweging waren de wolven overeind en zijn hand bevroor. Ze maakten geen enkel geluid, maar de dikke vacht op hun nek stond rechtovereind. Een van de wolven ergens in de duisternis tussen de bomen liet een grommend gejank horen. Andere gaven antwoord, vijf, tien, twintig, tot de duisternis scheen te trillen van hun gehuil. Opeens vielen ze ook allemaal weer stil. Koude zweetdruppeltjes parelden op Perijns gezicht.
‘Als u denkt...’ Egwene zweeg en slikte. Ondanks de nachtelijke kou was haar gezicht ook bezweet. ‘Als u denkt dat we liegen, dan wilt u mogelijk liever dat we zelf een kamp opslaan voor de nacht en niet bij u blijven.’
‘Gewoonlijk wil ik dat ook, meisje. Maar op dit moment wil ik iets horen van de Trolloks. En van de Halfmannen.’ Perijn deed alle mogelijke moeite om zijn gezicht in de plooi te houden en hij hoopte dat het hem beter lukte dan Egwene. Elyas praatte kalm door. ‘Vlek zegt dat ze Trolloks en Halfmannen in jullie gedachten rook terwijl jullie dat dwaze verhaal vertelden. Ze roken het allemaal. Jullie hebben op de een of andere manier met Trolloks te maken en met de Ooglozen. Wolven haten Trolloks en Halfmannen nog meer dan een bosbrand, meer dan wat dan ook, en ik net zo.
Blaar wil er een eind aan maken. Trolloks hebben hem dat litteken bezorgd toen hij nog een jaarling was. Hij zegt dat wild schaars is en jullie zijn vetter dan elk hert dat hij de laatste manen heeft gezien en dat we jullie maar moeten doden. Maar Blaar is altijd ongeduldig. Waarom vertel je het me niet gewoon? Ik hoop dat jullie geen Duistervrienden zijn. Ik heb er een hekel aan mensen te doden als ik ze net te eten heb gegeven. Maar denk er goed aan: ze weten het als je liegt en zelfs Vlek is bijna even verontrust als Blaar.’
Zijn ogen, even geel als die van de wolven, knipperden niet. Wolfsogen, dacht Perijn.