Egwene zat hem aan te kijken, besefte hij, ze wachtte tot hij besliste wat ze moesten doen. Licht, opeens heb ik weer de leiding. Ze hadden toen al meteen besloten dat ze niet konden riskeren iemand het echte verhaal te vertellen, maar hij zag geen kans te vluchten, zelfs niet als hij zijn bijl kon vrijmaken om...
Vlek gromde diep in haar keel en het geluid werd overgenomen door de andere drie rond het vuur en vervolgens door de wolven in de duisternis. Het dreigende gegrom vulde de nacht.
‘Goed dan,’ zei Perijn vlug. ‘Goed dan.’ Het grommen stopte plotseling. Egwene hield haar handen niet meer omklemd en knikte.
‘Het begon een paar dagen voor Winternacht,’ begon Perijn. ‘Toen mijn vriend Mart een man in een zwarte mantel zag...’
Het gezicht van Elyas veranderde niet en hij bleef ook net zo op zijn zij liggen, maar door de manier waarop hij zijn hoofd hield, leek het of hij de oren spitste. De vier wolven waren weer gaan liggen toen Perijn begon te vertellen; hij kreeg de indruk dat ook zij lagen te luisteren. Het verhaal was lang en hij vertelde het vrijwel helemaal. De droom van hem en de anderen in Baerlon hield hij echter voor zich. Hij wachtte of de wolven enig teken zouden geven dat ze dat hadden opgevangen, maar ze bleven slechts toekijken. Vlek leek vriendelijk, Blaar boos. Aan het eind van zijn verhaal was hij hees.
‘... en als ze ons niet in Caemlin vindt, gaan we door naar Tar Valon. We hebben geen andere keus dan hulp te zoeken bij de Aes Sedai.’
‘Trolloks en Halfmannen zo ver naar het zuiden,’ peinsde Elyas. ‘Kijk, daar moeten we eens goed over nadenken.’ Hij tastte achter zich en gooide Perijn zonder hem aan te kijken een leren waterzak toe. Hij leek na te denken. Hij wachtte tot Perijn had gedronken en de stop weer op de zak had gedaan voor hij opnieuw het woord nam. Ik heb het niet op Aes Sedai begrepen. De Rode Ajah jagen graag op mannen die met de Ene Kracht rommelen. Ze hebben me een keer willen stillen. Ik heb ze recht in hun gezicht gezegd dat zij Zwarte Ajah waren en dat ze de Duistere dienden, en dat vonden ze helemaal niet leuk. Maar ze konden me niet meer te pakken krijgen toen ik eenmaal in het bos was, al hebben ze het wel geprobeerd. Nou en of. Als ik erover nadenk, heb ik zo mijn twijfels of Aes Sedai me daarna nog vriendelijk zullen behandelen. Ik moest een paar zwaardhanden doden. Slechte zaak, zoiets, zwaardhanden doden. Hou er niet van.’
‘Dat praten met wolven,’ zei Perijn onrustig, ‘Heeft... heeft het met de Ene Kracht te maken?’
‘Natuurlijk niet,’ baste Elyas. ‘Zou bij mij niet hebben gewerkt, dat stillen, maar het maakte me goed kwaad dat ze het wilden proberen. Dit is iets ouds, jongen. Ouder dan Aes Sedai. Ouder dan iedereen die de Ene Kracht gebruikt. Zo oud als de mensheid. Zo oud als de wolven. Daar houden ze ook niet van, die Aes Sedai, oude dingen die weer terugkomen. Ik ben niet de enige. Er zijn andere dingen, andere mensen. Maakt de Aes Sedai zenuwachtig, laat ze fluisteren dat oude grenzen verzwakken. De dingen vallen uit elkaar, zeggen ze. Ze zijn bang dat de Duistere losbreekt, zeg ik je. Je zou denken dat het mijn schuld was, zoals sommigen me aankeken. Die Rode Ajah zeker, maar ook enkele anderen. De Amyrlin Zetel... Ach! Ik blijf meestal uit hun buurt en ook uit de buurt van hun vrienden. Dat kunnen jullie ook maar beter doen, als je slim bent.’
‘Ik zou niets liever willen dan nooit meer een Aes Sedai zien,’ zei Perijn.
Egwene keek hem scherp aan. Hij hoopte dat ze er niet zou uitflappen dat ze Aes Sedai wilde worden. Maar ze zei niets, hoewel haar mond verstrakte, en Perijn ging door.
‘Maar jammer genoeg hebben we geen andere keus. We hebben die Trolloks achter ons aan, en Schimmen, en Draghkar. Alles behalve Duistervrienden. We kunnen ons niet schuilhouden en we kunnen ze niet alleen bevechten. Dus wie moet ons helpen? Wie is er sterk genoeg, behalve Aes Sedai?’
Elyas bleef een tijdlang zwijgen en keek naar de wolven, het meest naar Vlek en Blaar. Perijn schoot zenuwachtig heen en weer en probeerde niet naar hen te kijken, want als hij wel keek, had hij het gevoel dat hij bijna kon horen wat Elyas en de wolven tegen elkaar zeiden. Zelfs al had het niets met de Kracht te maken, hij wilde er niets mee te maken hebben. Elyas moest zottenpraat hebben verkocht. Ik kan niet met wolven praten. Een van de wolven, Springer meende hij – hoe wist hij dat? – keek hem aan en leek te grijnzen.
‘Je kunt bij mij blijven’ zei Elyas eindelijk. ‘Bij ons.’ Egwenes wenkbrauwen schoten omhoog en Perijns mond viel open. ‘Nou, wat is er veiliger?’ daagde Elyas hem uit. ‘Trolloks zullen geen kans laten lopen als ze een eenzame wolf kunnen doden, maar om een pak wolven te ontwijken, lopen ze wel tien span om. En je hoeft je over Aes Sedai ook geen zorgen te maken. Ze komen niet vaak in deze bossen.’
‘Ik weet het niet.’ Perijn vermeed het naar de wolven naast hem te kijken. Een ervan was Vlek en hij kon voelen hoe ze hem aankeek. ‘Allereerst zijn het niet alleen Trolloks.’
Elyas lachte grimmig. ‘Ik heb eens gezien hoe een pak een Oogloze omlaag trok. Hij doodde de helft van de wolven, maar ze wilden het niet opgeven toen ze eenmaal zijn geur hadden. Trolloks, Myrddraal, voor de wolven is het allemaal hetzelfde. Ze willen jou, alleen jou, jongen. Ze hebben gehoord over andere mensen die met wolven kunnen praten, maar na mij ben jij de eerste die ze hebben ontmoet. Maar ze aanvaarden je vriendin ook wel en hier ben je veiliger dan in welke stad ook. In steden heb je Duistervrienden.’
‘Luister,’ zei Perijn fel. ‘Ik wou dat u dat niet meer zei. Ik kan... ik kan dat niet, dat... wat u doet, wat u zegt.’
‘Zoals je wilt, jongen. Speel het geitje maar, als je daar je zinnen op hebt gezet. Wil je dan niet veilig zijn?’
‘Ik houd mezelf niet voor de mal. Daar is geen enkele reden voor. Het enige wat we willen...’
‘We gaan naar Caemlin,’ viel Egwene vastbesloten in. ‘En daarna naar Tar Valon’
Perijn deed zijn mond dicht en betaalde haar boze blik met gelijke munt. Hij wist dat ze zijn leiding volgde als het haar uitkwam en in de wind sloeg als het haar niet zinde, maar ze had hem tenminste zijn eigen antwoord kunnen gunnen. ‘En wat vind jij, Perijn?’ vroeg hij aan zichzelf, waarna hij ook het antwoord gaf. ‘Ik? Nou, laat me denken. Ja – Ja, ik denk dat ik verder trek.’ Hij keek haar lief glimlachend aan. ‘Nou, Egwene, dat willen we dus allebei. Ik denk dat ik dus hierin met je meega. Maar goed hè, dat we de zaken eerst bespreken voor we een besluit nemen, vind je niet?’ Ze werd rood, maar haar kaken bleven even strak staan.
Elyas gromde. ‘Vlek zei al dat je dat zou besluiten. Ze zei dat het meisje met beide benen in de mensenwereld staat, terwijl jij... – hij knikte naar Perijn – tussen beide in staat. Gezien de omstandigheden veronderstel ik dat we maar beter met jullie naar het zuiden kunnen trekken. Anders verdwaal je of kom je om van de honger, of...’
Opeens stond Blaar op en Elyas hief zijn hoofd om de grote wolf aan te kijken. Even later ging Vlek ook staan. Ze stapte dichter naar Elyas toe, zodat ze Blaar recht aan kon kijken. Ze bleven een lange tijd bewegingloos staan, tot Blaar rondzwierde en in de nacht verdween. Vlek schudde zich, zocht haar plekje weer op en liet zich vallen of er niets was gebeurd.
Elyas zag de vraag in Perijns ogen. ‘Vlek leidt deze troep.’ legde hij uit. ‘Sommige mannetjes kunnen haar afzetten als ze haar zouden uitdagen, maar ze is slimmer dan ieder ander en dat weten ze allemaal. Ze heeft de troep verschillende keren gered. Maar Blaar denkt dat de troep tijd verknoeit met jullie drieën. Haat tegen Trolloks houdt hem gaande en als er Trolloks zo ver naar het zuiden zijn, wil hij weg om ze te gaan doden.’
‘Dat begrijpen we’ zei Egwene opgelucht. ‘We kunnen best onze eigen weg gaan... met enkele aanwijzingen van u, natuurlijk, als u ze wilt geven.’
Elyas wuifde afwijzend. ‘Ik zei toch dat Vlek de leidster was, niet?
Morgenochtend ga ik met jullie naar het zuiden, net als zij.’ Egwene keek of het niet het nieuws was dat zij had willen horen. Perijn zat in gedachten verzonken. Hij kon vóélen hoe Blaar vertrok. En de wolf met het litteken was niet de enige; een tiental andere, voornamelijk jonge mannetjes, sprong achter hem aan. Hij wilde geloven dat het allemaal door Elyas kwam die zijn verbeelding prikkelde, maar het lukte hem niet. Net voor de vertrekkende wolven in zijn geest vervaagden, voelde hij een gedachte waarvan hij wist dat die van Blaar kwam, even scherp en duidelijk alsof deze uit zijn eigen geest kwam. Haat. Haat en de smaak van bloed.